Als er gezegd wordt: ‘Ook de geesteswetenschap moet men geloven’, dan berust dit op een volkomen misverstand.

Ik heb het al vaak benadrukt: Als er gezegd wordt: ‘Ook de geesteswetenschap moet men geloven’, dan berust dit op een volkomen misverstand. Dat de mensen zeggen dat men de geesteswetenschap ook maar moet geloven, komt doordat ze zo volgepropt zijn met materialistische vooroordelen dat ze niet ingaan op wat deze wetenschap werkelijk geven kan. Als men er eenmaal op ingaat, kan men alles bevatten en begrijpelijk vinden. Het is niet alleen de helderziendheid die toereikend is, het gewone begripsvermogen is voldoende om alles langzamerhand – hoewel menigeen “langzamerhand” ongemakkelijk zal vinden – te bevatten en te begrijpen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 154 – Wie erwirbt man sich Verständnis für die geistige Welt? – Berlijn, 18 april 1914 (bladzijde 19)

Eerder geplaatst op 28 november 2016

Verscheidenheid van meningen

Een fout in een mening kan men pas aantonen, als men kijkt naar het gezichtspunt van waaruit de mening gegeven is. Men zou in de wereld van menselijke meningen veel beter in het reine komen dan in veel gevallen gebeurt, als men hiermee altijd rekening zou houden. Men zou dan merken dat de verscheidenheid van de meningen in veel gevallen slechts voortkomt uit de verscheidenheid van de gezichtspunten. En alleen door de verschillende ware gezichtspunten kan men het wezen van de dingen nader komen. De fouten die in deze richting gemaakt worden, komen niet doordat de mensen verschillende meningen vormen, maar ze ontstaan als iedereen zijn mening als de enig juiste en terechte (Duits: alleinberechtigte) wil zien.

Bron: Rudolf Steiner – GA 45 – Anthroposophie/Ein Fragment – I. Der Charakter der Anthroposophie (bladzijde 12-13)

Zie ook: Meningen en standpunten

Eerder geplaatst op 14 oktober 2016

Wat men ervaart, bewijst men niet, maar wat men niet ervaart, dat bewijst men

In de twaalfde eeuw bedenkt Anselmus, de aartsbisschop van Canterbury het zogenaamde godsbewijs; dat wil zeggen: deze man voelde zich geroepen de godheid te “bewijzen”. Wat bewijst men dan op zo’n manier? Dat wat men weet of dat wat men niet weet? Als bijvoorbeeld in mijn tuin gestolen wordt en ik kan vanuit het raam de dief zien, hoe hij het feit van de diefstal pleegt, dan heb ik het niet nodig om te bewijzen, dat het deze mens was die gestolen heeft. Ik probeer het alleen dan te bewijzen als ik hem niet ken.

Het feit dat men probeert God te bewijzen is er een bewijs voor dat men hem niet meer kent, niet meer ervaart. Want wat men ervaart, bewijst men niet, maar wat men niet ervaart, dat bewijst men. En zo ging het met het gebrek aan begrip eigenlijk steeds verder en verder, en vandaag de dag staan we in dit opzicht op een merkwaardig punt.

Vaak is ook op deze plaats naar voren gebracht welke oneindige misverstanden zich in de laatste eeuwen hebben opgestapeld tegenover het begrijpen van het Mysterie van Golgotha, wat de Christus Jezus is. Tot aan het huidige tijdperk, waar zelfs van theologische kant de Christus Jezus niet alleen gedegradeerd, gereduceerd is tot een wel uitzonderlijke leraar, maar zelfs ook van theologische kant in zijn existentie volledig verloochend wordt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 148 – Aus der Akasha-Forschung/Das Fünfte Evangelium – Berlijn, 21 oktober 1913 (bladzijde 113)

Onbewust verlangen

In feite – dat zal u gebleken zijn uit vele opmerkingen die ook hier in de afgelopen jaren gemaakt zijn – wijst alles in het geestelijke leven van de huidige tijd erop hoe de mensheid vandaag de dag onbewust dorst naar wat met een ware spirituele wereldbeschouwing gegeven moet worden. En niet alleen de zielen die tegenwoordig op een positieve manier de behoefte aan een dergelijke levensbeschouwing uiten, streven naar zo’n levensbeschouwing, maar ook talrijke mensen die niets van zo’n levensbeschouwing weten.  

Ja, zelfs degenen die er niets van weten willen, misschien zelfs vandaag de dag er nog vijandig tegenover staan, ze streven toch onbewust – men zou kunnen zeggen vanuit de behoeften van hun hart, die zich nog helemaal niet in bewuste begrippen en ideeën aankondigen -,  die zich wellicht zelfs in vijandige begrippen en ideeën aankondigen -, ze streven, zonder het zelf te weten, naar wat juist met onze wereldbeschouwing gegeven wordt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 148 – Aus der Akasha-Forschung/Das Fünfte Evangelium – Berlijn, 21 oktober 1913 (bladzijde 103-104)

Op goed geloof

Bedenk eens hoe vaak men tegenwoordig hoort – ik heb dit herhaaldelijk gezegd, sinds vele jaren genoemd -, als de een of ander weer eens gelogen heeft, duimendik (Duits: tüchtig knüppeldick) gelogen heeft: ‘Maar hij heeft het geloofd, wat hij gezegd heeft, hij heeft het naar beste weten en te goeder trouw (Duits: aus bestem Wissen und Gewissen) gezegd.’ – Ja, dat verandert net zomin iets aan de objectieve feiten als het iets verandert als u naar beste weten en te goeder trouw uw vinger in een vlammend vuur steekt; dan zal geen voorzienigheid u helpen, dat u uw vinger niet verbrandt, als u hem ook naar beste weten en te goeder trouw in het vuur steekt.

Net zomin helpt in een grotere samenhang – en het zou ook treurig zijn als het anders was – het zich beroepen op het ‘naar beste weten en te goeder trouw’. De mens heeft niet de vrijheid om naar beste weten en te goeder trouw de onwaarheid te zeggen, maar de mens heeft de verplichting zich erom te bekommeren, dat het waar is wat hij zegt. […]

Er is in feite geen verlokkerender en  verleidelijker gezegde dan dit ‘op goed geloof’. Want dit ‘op goed geloof’ is het gemakzuchtige bed voor de uitermate trage mensheid, die niet de verplichting voelt, als ze iets beweert, zich er eerst van te vergewissen of het waar is of niet, of iets met de feiten overeenstemt of niet.

Bron: Rudolf Steiner – GA 205 – Menschenwerden, Weltenseele und Weltengeist – Dornach, 17 juli 1921 (bladzijde 238-239)