Zoveel verscheurde mensenzielen

Het opvallendste in het moderne leven is dat er zoveel verscheurde men­senzielen zijn. Mensenzielen die het moeilijk hebben, die zich met het leven geen raad weten, die zich steeds weer afvra­gen: wat moet ik nou doen, wat heeft het leven met mij voor? – die dit of dat beginnen maar daarin geen voldoening vinden. Er zijn steeds meer mensen die dit soort problemen hebben. Hoe komt dit? Dit komt door een gemis in de manier van op­voeden. Wij vormen onze kinderen tegenwoordig zo, dat wij niet die krachten in hen wekken die de mens geschikt maken om het leven aan te kunnen. 

Namelijk datgene wat de mens geschikt maakt doordat hij tot het zevende jaar een nabootser is; wat de mens geschikt maakt doordat hij tot het veertiende jaar een waardige autoriteit volgt; en dat hij tot aan het 21ste jaar de liefde op de juiste wijze kan ontwikkelen, want later kunnen deze krachten niet meer ontwikkeld worden. Datgene wat de mens mist omdat de krachten die in bepaalde jaren van de jeugd ontwikkeld dienen te worden, niet gewekt zijn, maakt hem tot een mens met problemen. Dat dienen wij te beseffen!

Bron: Rudolf Steiner – GA 296 – Die Erziehungsfrage als soziale Frage – Dornach, 10 augustus 1919 (bladzijde 49)

Ook te vinden in het boek Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave. Vertaling John Hogervorst en Hanneke Nelemans.

Eerder geplaatst op 6 oktober 2016 (2 reacties)

Er is niets slechter voor het kind dan het te vroeg, vóór de geslachtsrijpheid, aan een zoge­naamd eigen oordeel te laten wennen

U weet dat tussen het zevende en het 14e, 15e jaar, wanneer de geslachtsrijpheid aanbreekt, in het kind de kracht leeft die omschreven kan worden als de kracht om te hande­len op gezag van autoriteit. Voor het kind bestaat er niets beters dan datgene wat het onderneemt te doen omdat door het kind vereerde mensen in zijn omgeving zeggen: dat is goed, dat moet gedaan worden. – Er is niets slechter voor het kind dan het te vroeg, vóór de geslachtsrijpheid, aan een zoge­naamd eigen oordeel te laten wennen. In de toekomst zal tus­sen het zevende en 14e jaar het gevoel voor autoriteit veel intensiever ontwikkeld moeten worden dan in het verleden het geval was.

De opvoeding zal in deze jaren steeds bewus­ter moeten worden gericht op het doen ontwaken van een zuiver autoriteitsgevoel in het kind; want wat het kind zich in deze jaren eigen moet maken, zal de basis vormen voor wat volwassenen in het sociale organisme zullen ervaren als de rechtsgelijkheid die ieder mens toekomt. Gelijke rechten zul­len er alleen langs deze weg kunnen komen, want de mensen zullen als volwassenen nooit rijp worden voor het gelijke recht van de mensen wanneer in hun kinderjaren niet het gevoel voor autoriteit is aangelegd. In het verleden moge een veel geringere graad van autoriteitsgevoel volstaan hebben; in de toekomst zal dat niet voldoende zijn.

Bron: Rudolf Steiner – GA 296 – Die Erziehungsfrage als soziale Frage – Dornach, 9 augustus 1919 (bladzijde 19)

Ook te vinden in het boek Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave. Vertaling John Hogervorst en Hanneke Nelemans. Met dank aan Pieter Witvliet, die het boek scande en mij per e-mail stuurde.

Eerder geplaatst op 14 oktober 2016  (2 reacties)

Eenzijdigheid is de grootste vijand van alle levensbeschouwingen

De waarheid van een gedachte op zijn gebied zegt nog niets over de algemene geldigheid van een gedachte. Een gedachte kan heel goed op zijn gebied juist zijn; maar daardoor wordt niets uitgemaakt over de algemene geldigheid van de gedachte. Bewijst men daarom het een of ander, en bewijst men het nog zo juist, toch kan het onmogelijk zijn om dit bewijs op een gebied toe te passen waarop het niet thuishoort. Het is daarom noodzakelijk dat degene die zich serieus met de wegen wil bezighouden, die naar een wereldbeschouwing leiden, er zich vóór alles mee bekend maakt dat eenzijdigheid de grootste vijand van alle levensbeschouwingen is en dat het bovenal nodig is om eenzijdigheid te vermijden. Eenzijdigheid moeten we vermijden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 151 – Der menschliche und der kosmische Gedanke – Berlijn, 21 Januari 1914 (bladzijde 34-35)

Eerder geplaatst op 13 oktober 2016

Over examens voor leraar/onderwijzer

Men examineert tegenwoordig degenen die leraar willen worden erop of ze dit of dat weten. Maar wat stelt men daardoor vast? In de regel toch alleen maar dat de persoon in kwestie een keer in de tijd voordat hij het examen afleggen moet iets in zijn hoofd gehamsterd heeft, wat hij, als hij enigszins geschikt is, voor ieder afzonderlijk lesuur ook uit zo en zo veel boeken zou kunnen lezen, wat men zich dag voor dag voor het onderwijs eigen zou kunnen maken, waarvoor het helemaal niet noodzakelijk is het op deze manier te verwerven, zoals het tegenwoordig wordt gedaan. 

Wat echter vóór alles bij een dergelijk examen nodig zou zijn, is dat men te weten zou moeten komen of de betrokken persoon hart en gevoel heeft, of hij er aanleg voor heeft (Duits: ob er das Blut dafür hat), geleidelijk een goede verhouding tussen zichzelf en de kinderen tot stand te brengen. Niet de kennis zou men door het examen moeten onderzoeken, maar men zou moeten nagaan hoe sterk en hoe veel de persoon mens is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 181 – Weltenleben/Anthroposophische Lebensgaben /Bewußtseins-Notwendigkeiten für Gegenwart und Zukunft – Berlijn, 26 maart 1918 (bladzijde 136)

Eerder geplaatst op 30 september 2016  (2 reacties)

Op de meest verschillende wijze werken de krachten van de kosmos mee

Niemand die een kompas, een magneetnaald in de hand neemt, en deze magneetnaald met het ene eind naar de magnetische Noordpool, met het andere eind naar de magnetische Zuidpool is gericht, zal het tegenwoordig invallen om de oorzaak dat deze magneetnaald zich juist zo richt, alleen in de magneetnaald zelf te zoeken; maar de natuurkundige zal zich genoopt voelen de magneetnaald en de van de magnetische pool van de aarde uitgaande magnetische kracht als een geheel te zien, doordat deze magnetische kracht het ene einde van de naald naar de Noordpool richt en het andere naar de Zuidpool. Daar zoekt men de aanleiding naar wat in de magneetnaald in de kleinste ruimte gebeurt, in het grote universum. 

Datzelfde doet men echter niet, waar men het ook zou moeten doen, waar het er zeer op aan zou komen dat men het deed. Als iemand tegenwoordig waarneemt – en wel juist als wetenschapper -, dat zich in een levend wezen een ander levend wezen vormt, dus bijvoorbeeld, als iemand ziet dat zich in een kip een ei vormt, dan gebeurt er ook iets in de kleinste ruimte; dan echter valt het de mensen gewoonlijk niet in dat wat hij zich bij de magneetnaald zeggen moet, nu ook toe te passen en te zeggen: Het ligt niet in de kip, maar in de gehele kosmos dat zich in het lichaam van de kip de eikiem vormt. 

Net zo echter als bij de magneetnaald het grote universum betrokken is, zo is in het kippenlichaam, in de moederkip – ondanks alle processen, die daar ook deel aan hebben – de hele kosmos […] betrokken. […] 

Dit is vandaag de dag nog een ketterij tegenover de officiële wetenschap, maar toch een waarheid. En op de meest verschillende wijze werken de krachten van de kosmos mee. En zo waar het is dat inderdaad bij mensen – wat ik zeg, bewijst de empirische embryologie – het hoofd zich, in zijn eerste kiemaanleg, uit het hele universum vormt, zo waar het is dat het menselijke hoofd vooreerst in het moederorganisme ontstaat, zo waar is het aan de andere kant dat de oorzakelijke krachten tot dit ontstaan vanuit de hele kosmos werken en dat de mens in zijn hoofd een beeld (Duits: Abbild) is van de hele kosmos.

Bron: Rudolf Steiner – GA 181 – Weltenleben/Anthroposophische Lebensgaben /Bewußtseins-Notwendigkeiten für Gegenwart und Zukunft – Berlijn, 29 Januari 1918 (bladzijde 31-32)

Eerder geplaatst op 29 september 2016  (4 reacties)