Wiskunde/Helderziendheid

Er zijn, zoals u weet, mensen die heel gemakkelijk wiskundig kunnen denken en ook mensen die helemaal niet wiskundig kunnen denken, er zijn er die goed kunnen rekenen en ook zijn er die helemaal niet kunnen rekenen. Er zijn zulke verschillende vaardigheden. Maar vooral als men zich juist oefent in wiskundig denken, dan komt men gemakkelijker tot werkelijke helderziendheid, dan wanneer men geheel geen begrip heeft voor wiskundig denken. 

En daarin ligt al een reden, waarom de mensen vandaag de dag zo moeilijk komen tot het waarnemen van de bovenzinnelijke wereld. Want degenen die tegenwoordig een opleiding doorlopen, zijn immers nog vooral degenen die Grieks en Latijn, literatuur en al het mogelijke leren, allerlei waarbij men slordig, onzorgvuldig (Duits: schlampig) denken kan. Ja, de meeste zogenaamde ontwikkelde en geleerde mensen hebben eigenlijk alleen slordig denken geleerd, omdat ze denken zoals de oude Romeinen of Grieken gedacht hebben, en de anderen leren dat dan van hen. En zo is er tegenwoordig gewoon een vreselijk slordig denken, helemaal geen denken dat werkelijk kracht in zich heeft. 

Daarvan komt het dat men tegenwoordig helemaal niet goed zulke dingen kan begrijpen, die uit de geestelijke wereld voor de dag zijn gehaald. Zouden de mensen een echt scherp denken hebben, dan zouden ze veel eerder tot begrip komen van wat er in de spirituele wereld voorvalt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 350 – Rhythmen im Kosmos und im Menschenwesen/ Wie kommt man zum Schauen der geistigen Welt? – Dornach, 13 juni 1923 (bladzijde 95)

Eerder geplaatst op 12 juni 2015 

Niemand moet zich verbeelden beter te zijn dan anderen

De antroposoof moet voelen dat wij een deel van het geheel zijn, dat wij voor alles wat er is, medeverantwoordelijk zijn. Wie niet in staat is te voelen dat hij mede schuld eraan heeft als morgen iemand steelt, die is ook niet in staat te weten hoe hij met het geheel samenhangt; hij is niet in staat de wortel van het kwaad te zien. […] Niemand hoeft zich te verbeelden goed te zijn of veel beter te zijn dan de anderen. De gedachte dat wij niet veel beter kunnen zijn dan een ander moet ons volledig vervullen. Wat hebben we bijvoorbeeld gedaan als we mensen gelukkig maken terwijl we, doordat we leven op de wijze zoals we leven, velen ongelukkig maken. Onwetendheid is de wortel van het lijden in het leven. Onwetend als we vaak zijn, zijn wij het die het mes geslepen hebben voor degene die het ten kwade gebruikt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 266a – Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Berlijn, 15 februari 1904 (bladzijde 34-35)

Eerder geplaatst op 11 juni 2015  (3 reacties)

De materiële wetenschap kent de materie niet

De wetenschappers van tegenwoordig houden zich alleen met de materie bezig, met de percentages van de materie, hoeveel koolstof, zuurstof, stikstof, waterstof in eiwit enzovoort aanwezig is. Daardoor leert men echter helemaal niets over de materie. De materiële wetenschap kent juist de materie niet, omdat men de materie pas kennen leert, als men weet, hoe de geest erin werkt. 

Helpt het dan, als iemand zegt: Ik wil een horloge leren begrijpen; goed, ik zal proberen mij de werking van het horloge duidelijk te maken. Het horloge is van zilver. Het zilver dat in mijn horloge zit, is in de zilvermijn daar en daar gewonnen. Dit zilver is dan met treinen naar die en die stad vervoerd. Daar is het afgeleverd aan de handelaren enzovoort. Verder zit er in het horloge een porseleinen wijzerplaat. Dat porselein is daar en daar verkregen, in die en die stad gekomen en ga zo maar door. – Hij weet helemaal niets van het horloge! 

Men weet pas wat van het horloge, als men weet, wat de horlogemaker eraan gedaan heeft. En het maakt zelfs niet eens uit voor het begrijpen van de werking van een horloge dat men weet, hoe het zilver gewonnen wordt in de mijnen; maar van belang is dat men weet, hoe het horloge werkt, hoe de horlogemaker eraan gewerkt heeft, de tandraderen passend gemaakt heeft en zo meer.

Bron: Rudolf Steiner – GA 350 – Rhythmen im Kosmos und im Menschenwesen/ Wie kommt man zum Schauen der geistigen Welt? – Dornach, 22 september 1923 (bladzijde 302-303)

Eerder geplaatst op 10 juni 2015 (3 reacties)

Het eerste dat men moet leren is een zelfstandig en juist denken

Het eerste dat men moet leren om in de geestelijke wereld binnen te gaan, is een juiste wijze van denken. Hoe wij dat bereiken, daarover zullen wij het later nog hebben; die vraagstukken zijn zeer ingewikkeld. Wij moeten vandaag eerst zo ver komen dat wij inzien wat het betekent allereerst een geheel zelfstandig denken te ontwikkelen. Daarvoor moet men veel afschaffen dat tot de hedendaagse opvoeding behoort, want de hedendaagse opvoeding bestaat juist uit onzelfstandig denken, denken dat afkomstig is van het Latijn. Denkt u vooral niet dat wat tegenwoordig aan socialistische theorieën wordt ontwikkeld een uiting van vrij denken is. Die hebben allen hun kennis opgedaan uit dat wat het Latijn is voortgekomen; daarvan zijn zij zich alleen niet bewust. Een arbeider kan zich best het een of ander voornemen met zijn wil, nietwaar; maar als hij begint te denken, dan denkt hij helemaal in bourgeoisbegrippen, en die zijn immers uit het Latijnse denken voortgekomen. Dus het eerste dat men hebben moet, is een zelfstandig denken.

En het tweede is dat men moet leren niet alleen op het ogenblik, in het heden te leven, maar altijd weer terug te kunnen gaan naar het leven dat men heeft geleid, tot in de kindertijd toe. Ziet u, wie in de geestelijke wereld wil doordringen, moet zichzelf vaak opdragen: ‘Nu moet je teruggaan naar de tijd dat je een jongen van twaalf jaar was. Wat heb je toen gedaan?’ En dat moet men zich dan niet oppervlakkig, niet alleen uiterlijk, maar tot in kleinigheden voorstellen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 350 – Rhythmen im Kosmos und im Menschenwesen/ Wie kommt man zum Schauen der geistigen Welt? – Dornach, 28 juni 1923 (bladzijde 157)

Ook te vinden in ‘Hoe komt men tot schouwen in de geestelijke wereld?’ (bladzijde 27)

Vertaling: L.M. Mispelblom Beyer-van den Berg van Eysinga

 Eerder geplaatst op 10 juni 2016  (5 reacties)

Opium

Bij opium is het zo dat het bijzonder sterk op het astrale lichaam werkt, en wel zo erop werkt dat de mens het uit het fysieke lichaam losmaakt. […] Het laat zijn fysieke lichaam voor enige tijd los, en dat ervaart de mens als een lustgevoel. Hij heeft niet de gewone dromen, maar hij neemt de geestelijke wereld waar. Hij maakt grote reizen door de spirituele wereld. […] En de Oosterlingen hebben veel van wat ze – op niet juiste wijze, maar toch van de geestelijke wereld – beschrijven, door opiumgenot, hasjiesj en dergelijke verkregen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 352 – Natur und Mensch in geisteswissenschaftlicher Betrachtung – Dornach, 20 februari 1924 (bladzijde 153)

 Geplaatst bij Steiner citaten Nederlands op 28 september 2013  (10 reacties)