Opvallend ritme

Ik heb, ik zou willen zeggen, een van de opvallendste ritmen in de mensheidsontwikkeling aangegeven in vroegere voordrachten. De tegenwoordige mensheid houdt zulke dingen voor toeval. Maar als zij deze dingen voor toeval houdt, dan zal dat de mensheid nog verder binnenleiden in een desastreus (Duits: ruinöses) denken. Ik heb u gezegd: Neemt men het aantal ademhalingen in een minuut (18), dan is het merkwaardige dat men een bepaald ritme verkrijgt in het aantal ademhalingen per dag, voor 24 uren, en dat men in 24 uren evenveel ademhalingen maakt (18 x 60 x 24 = 25.920), als men bij een normale levensduur aan dagen in een mensenleven beleeft, als men ongeveer 72 jaar oud wordt (72 x 365 = 26.280). En dat dit weer hetzelfde getal is als het getal van een zogenaamd platonisch zonnejaar, het aantal jaren, waarin de zon schijnbaar de gehele dierenriem doorloopt (12 x 2160 =  25.920).

 Bron: Rudolf Steiner – GA 192 – Geisteswissenschaftliche Behandlung sozialer und pädagogischer Fragen – Stuttgart 6 juli 1919 (bladzijde 266-267)

Eerder geplaatst op 14 maart 2015 (4 reacties)

Advertenties

Gezwets

Alles wat de huidige filosofie over ziel en geest spreekt, is een gezwets in louter frasen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 192 – Geisteswissenschaftliche Behandlung sozialer und pädagogischer Fragen – Stuttgart, 6 juli 1919 (bladzijde 268)

Eerder geplaatst op 13 maart 2015 (5 reacties)

Natuurwetenschap/Antisociale impulsen  

Doordringt men zich in de ziel met dit monisme (er zijn verschillende soorten monisme volgens Wikipedia, maar hier wordt bedoeld de levensbeschouwing die alles terugbrengt tot de materie en het bestaan van geest apart van de materie ontkent; in feite dus hetzelfde als materialisme), doordringt men zich überhaupt met de geest van de nieuwere natuurwetenschap in zijn ziel, dan wordt men als mens de mensen vreemd. Dan ontwikkelen zich in de mensen antisociale impulsen. De sympathieën van mens tot mens verbleken, de antipathieën nemen meer en meer toe. 

Daarom moest ik het hier vaak uitspreken: Mag de natuurwetenschap op het terrein van de natuur nog zo grote triomfen vieren – de menselijke natuur, het menselijke wezen ruïneert ze, want ze verwekt de antisociale driften, ze brengt afgronden teweeg tussen mens en mens, wat blijkt doordat tegenwoordig slechts in de geringste mate de mens de mensen kan begrijpen, de mens zich in de mensen werkelijk kan verdiepen (Duits: versenken).

Wat moet in de plaats van het zojuist geschetste komen? In zijn plaats moet de zielenontwikkeling komen, die haar weg gaat door de opname van wat u, wellicht met zwakke krachten, beschreven vindt in het boek ‘de weg tot inzicht in hogere werelden’. Dat is tegelijk een opvoedingsboek voor de mensheid.

Bron: Rudolf Steiner – GA 192 – Geisteswissenschaftliche Behandlung sozialer und pädagogischer Fragen – Stuttgart, 29 juni 1919 (bladzijde 244-245)

Eerder geplaatst op 12 maart 2015

Excellent en oliedom

Tegenwoordig zijn we door onze ontaarde cultuuromstandigheden helaas zo ver dat men in zijn specialisme de hoogstontwikkelde mens zijn kan en oliedom zijn kan met betrekking tot alle grote vragen van de mensheid en hiervan niets kan begrijpen. We hebben vandaag de dag ook het vreemde verschijnsel voor ons dat iemand die alleen een lagere school, of misschien deze niet eens behoorlijk heeft afgemaakt, echter door het leven werd gesleept (Duits: gezerrt), over algemeen menselijke verhoudingen iets beters heeft te zeggen dan iemand die een hogeschoolopleiding heeft doorlopen en een excellent mens op zijn vakgebied is geworden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 192 – Geisteswissenschaftliche Behandlung sozialer und pädagogischer Fragen – Stuttgart, 1 juni 1919 (bladzijde 133-134)

Eerder geplaatst op 10 maart 2015 

Als een mens door een ongeluk plotseling te gronde gaat  

Stelt u zich eens voor, een mens wordt gedood, hij gaat door een ongeluk te gronde. Nemen we aan, een mens vindt in zijn dertigste jaar de dood. Voor de uiterlijke fysieke beschouwing is zo’n plotselinge dood een soort toeval; maar voor de geesteswetenschappelijke beschouwing is het eenvoudig lachwekkend om zo’n zaak als toeval te zien. 

Want op het moment dat door een uiterlijke oorzaak, van buitenaf, een mens plotseling overlijdt, gaat er snel ontzaglijk veel in hem om. Bedenkt u, bij de gewone gang van zaken zou deze zelfde mens, die met dertig jaar de dood zou vinden, misschien zeventig, tachtig, negentig jaar zijn geworden. Dan zou hij, doordat hij van zijn dertigste tot zijn negentigste jaar nog geleefd zou hebben, langzaam achter elkaar veel in het leven meegemaakt hebben aan levenservaring. Wat hij zo in zestig jaar zou hebben doorgemaakt aan levenservaring, maakt hij, als hij in zijn dertigste jaar gedood wordt, kort, misschien in een halve minuut zou het kunnen zijn, door. 

De tijdsverhoudingen zijn, als de geestelijke wereld in beschouwing komt, nu eenmaal anders dan ze hier op het fysieke plan verschijnen. Een snelle dood, die door externe gebeurtenissen wordt veroorzaakt – men moet de zaak zeer precies nemen -, kan in bepaalde omstandigheden de ervaring, de ervaring zeg ik, de levenswijsheid van het hele leven dat nog zou hebben kunnen komen, laten doormaken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 180 –  Mysterienwahrheiten und Weihnachtsimpulse – Dornach, 12 januari 1918 (bladzijde 235)

Eerder geplaatst op 9 maart 2015