Waarom komen juist scherpe denkers vaak zo moeilijk tot helderziendheid? – 2 (van 4)

De vraag is nu: Waardoor is het – wat de ervaring leert – dat juist veel denkers het er zo vreselijk moeilijk toe brengen nu ook helderziend te worden? – Dit hangt samen met een belangrijk feit. Wat men menselijk onderscheidingsvermogen, oordeelskracht noemt, wat juist een denker ontplooit, het logische denken, dat bewerkt namelijk een zeer bepaalde verandering van de hele hersenopbouw. Het fysieke instrument wordt veranderd door scherp denken. Het fysieke onderzoek weet daar weliswaar weinig van, maar het is zo; een fysiek brein dat door een denker gebruikt is, ziet er anders uit dan een brein dat een niet-denker toebehoorde. Dat iemand helderziend is, verandert het niet veel. Bij iemand die niet denkt, vindt u de hersenen in zeer gecompliceerde windingen, bij een scherpe denker daarentegen relatief eenvoudig, zonder speciale verwikkelingen. Juist in de vereenvoudiging van de hersenwindingen drukt zich het denken uit. Daarvan weer het tegenwoordige onderzoek niets. Scherp denken is datgene wat overzien kan, niet wat actief is in het analyseren. Vandaar de grotere eenvoud van de hersenwindingen bij scherpe denkers. […] Het onderzoek van de hersenen van Mendelejew, aan wie de wetenschap de opstelling van het periodiek systeem der elementen dankt, bevestigt wat de wetenschap zegt: zijn hersenkronkels ;-) (Duits: Ge-hirnwindungen) waren eenvoudiger. Bij hem was binnen zekere grenzen een omvattend denken aanwezig, en daar bleek ook uit het fysieke onderzoek volstrekt de waarheid van wat ik gezegd heb. Dit is niet van bijzondere waarde, het is slechts terloops vermeld. Dus, zoals gezegd, er is een verandering van het instrument van het denken. Deze verandering moet door de activiteit van het denken zelf worden opgeroepen.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 117 – Die tieferen Geheimnisse des Menschheitswerdens im Lichte der Evangelien – Stuttgart, 13 november 1909 (bladzijde 87-88)

Eerder geplaatst op 9 november 2013

Waarom komen juist scherpe denkers vaak zo moeilijk tot helderziendheid? – 1 (van 4)

Er zijn in de huidige tijd scherpe denkers, die kunnen met hun verstand de geesteswetenschappelijke wereldbeschouwing inzien. Waarom komen juist deze vaak zo moeilijk tot helderzien? – Relatief gemakkelijk is het juist voor degenen, die geen scherpe denkers zijn, om tot visionaire helderziendheid te komen, terwijl het moeilijk is voor de scherpe denkers om tot helderziendheid te komen. Hier is haarscherp het obstakel aanwezig, waar zich een zekere gemaskeerde hoogmoed doet gelden. Er bestaat immers nauwelijks iets, dat de hoogmoed zo zeer aanwakkert als een niet door het denken verlicht helderzien, en dat is daarom zo bijzonder gevaarlijk, omdat de persoon in de regel helemaal niet weet dat hij hoogmoedig is, maar zich zelfs voor deemoedig houdt. Hij weet in het geheel niet te beoordelen, wat voor een enorme hoogmoed het is om het denkwerk van de mensen gering te achten en op bepaalde ingevingen de grootste waarde te leggen. Daarin steekt een gemaskeerde hoogmoed, die ontzaglijk is.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 117 – Die tieferen Geheimnisse des Menschheitswerdens im Lichte der Evangelien – Stuttgart, 13 november 1909 (bladzijde 86-87)

Eerder geplaatst op 8 november 2013

Morele impulsen/Begrip voor mensen/Vooraards bestaan

De aardse menselijke moraliteit berust, als ze niet uit louter frasen of mooie redevoeringen bestaat of uit voornemens, die niet uitgevoerd worden en dergelijke, op de interesse van de ene mens in anderen, op de mogelijkheid in de andere mensen te zien (Duits: hinüberzuschauen).

De mens, die begrip voor mensen heeft, zal uit dit begrijpen van mensen de sociaalmorele impulsen ontvangen. Zodat men ook kan zeggen, dat de mens alle morele leven in het aardebestaan heeft gewonnen in het vooraardse bestaan, zo gewonnen dat hem van het tesamenleven met de goden de drang blijft om een dergelijk samenleven tenminste in de ziel ook op aarde te vormen. En dit vormgeven van een dergelijk samenleven, zodat de ene mens met de anderen de taken op aarde, de aardemissie volbrengt, dat voert in werkelijkheid alleen tot het morele leven op aarde. We zien dus, dat de liefde en het effect van de liefde, de moraliteit, ten enenmale een resultaat, een gevolg is van wat de mens in het vooraardse bestaan geestelijk heeft doorgemaakt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 219 – Das Verhältnis der Sternenwelt zum Menschen und des Menschen zur Sternenwelt – Dornach, 15 december 1922 (bladzijde 62-63)

Geplaatst bij WordPress op 6 november 2013

Blind na de dood – 2 (slot)

Wie beweert dat de gewone kennis door het gezonde mensenverstand hem niet het oog geeft voor het bovenzinnelijke bestaan, dat hij daarvoor helderziendheid nodig heeft – helderziendheid heeft men nodig om de dingen te onderzoeken, maar men heeft het niet nodig om zich het vermogen tot het zien in de bovenzinnelijke wereld na de dood te verwerven -, wie dat beweert, die kan dan net zo goed ook beweren dat men niet zou kunnen denken als de ogen niet denken. Netzomin als de ogen hier in het fysieke leven hoeven te denken, netzomin behoeft de kennis van de bovenzinnelijke werelden, voor wat ik nu aangegeven heb, de helderziendheid te hebben. Er zou natuurlijk op aarde geen bovenzinnelijke kennis zijn, als er niet helderziendheid zou zijn, maar zelfs de helderziende moet in gewone begrippen omzetten, wat hij in het bovenzinnelijke schouwt. Al zou een mens hier op aarde nog zo helderziend zijn, al zou hij nog zo duidelijk in de geestelijke wereld kunnen zien – als hij te gemakzuchtig zou zijn om wat hij ziet in de geestelijke wereld in ordelijke, logisch bevattelijke begrippen om te zetten, dan zou hij toch na de dood in de geestelijke wereld verblind zijn. Dat is de grote smart voor wie in de initiatiewetenschap van de huidige tijd ziet, dat hij moet zeggen: Het materialisme maakt de mensen blind, als ze door de poort van de dood gaan. – En hier hebben we weer iets waaraan men ziet dat het voor de realiteit, voor het gehele bestaan van belang is, of de mens tegenwoordig geneigd is naar bovenzinnelijke kennis of niet. De tijd waarop hij dat zou moeten doen is nu gekomen. Het ligt in de vooruitgang van de mensheid om in deze tijd naar bovenzinnelijk weten op te stijgen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 219 – Das Verhältnis der Sternenwelt zum Menschen und des Menschen zur Sternenwelt – Dornach, 15 december 1922 (bladzijde 71-72)

Eerder geplaatst op 5 november 2013

Blind na de dood – 1 (van 2)

Als u hier tussen geboorte en dood geen weten over de bovenzinnelijke wereld ontwikkelt, dan betekent dat voor het bestaan in de bovenzinnelijke wereld tussen dood en nieuwe geboorte een blind zijn, zoals het ontbreken van ogen in het lichamelijke organisme een blind zijn betekent. Wanneer men hier op aarde geen weten van de bovenzinnelijke wereld ontwikkelt, dan treedt men een wereld binnen waarin men niets ziet, maar waarin men zich slechts voorttasten kan.

Dat is de ontzaglijke smart, die, ik zou willen zeggen, als de tegenhanger van de materialistische tijd verschijnt voor degene die tegenwoordig in de wetenschap van de inwijding ziet. Hij ziet hoe op aarde de mensen in het materialisme vervallen. Hij weet echter ook wat dit vervallen in het materialisme voor het geestelijke bestaan betekent, hij weet dat het een ogen uitsteken is, dat het betekent dat de mensen in het bestaan dat hun na de dood wacht, alleen maar tasten kunnen. In vroegere tijden van de mensheidsontwikkeling, toen er een instinctief weten van de bovenzinnelijke wereld was, traden de mensen door de poort van de dood waarbij ze zien konden. Dit oude instinctieve weten is uitgedoofd. Tegenwoordig moet geestelijk weten bewust verworven worden, let wel: geestelijk weten, niet helderziendheid! Ik heb altijd benadrukt: Helderziendheid kan ook verworven worden, maar dat is het niet waar het op aankomt, maar op het begrijpen van wat door het helderziende onderzoek tot stand komt, door het gewone gezonde mensenverstand, want het kan daardoor begrepen worden.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 219 – Das Verhältnis der Sternenwelt zum Menschen und des Menschen zur Sternenwelt – Dornach, 15 december 1922 (bladzijde 70-71)

Eerder geplaatst op 4 november 2013