De doden zijn voortdurend aanwezig

Wij leven samen met de zogenaamde doden. De doden zijn voortdurend aanwezig. Ze zijn zich bewegend, werkend (Duits: sich verhaltend) in een bovenzinnelijke wereld. We zijn niet van hen gescheiden door onze realiteit, we zijn slechts van hen gescheiden door de staat van bewustzijn. We zijn niet anders van de doden gescheiden dan we in de slaap gescheiden zijn van de dingen om ons heen: We slapen in een kamer en we zien stoelen en misschien andere dingen niet, die in de kamer zijn, ondanks dat het aanwezig is.

We slapen in de zogenaamde waaktoestand met betrekking tot gevoel en willen midden onder de zogenaamde doden – we noemen het alleen niet zo -, net zoals we de fysieke voorwerpen, die om ons heen zijn, niet waarnemen als we slapen. We leven dus niet gescheiden van de wereld waarin de krachten van de doden werken; we zijn met de doden in een gemeenschappelijke wereld. Gescheiden van hen zijn we voor het gewone bewustzijn alleen door de bewustzijnstoestand.

Dit weten van het samenzijn met de doden zal een van de belangrijkste elementen zijn die de geesteswetenschap het algemene mensheidsbewustzijn, de algemene mensheidscultuur voor de toekomst moet inplanten. Want de mensen die geloven dat wat in de wereld gebeurt alleen gebeurt doordat de krachten werken die men in de zintuiglijke wereld waarneemt, kennen niets van de werkelijkheid; ze weten niet dat in het leven dat zich hier afspeelt, de krachten van de doden voortdurend inwerken, dat ze er voortdurend zijn.

Bron: Rudolf Steiner – GA 181 – Erdensterben und Weltenleben – Berlijn, 5 februari 1918 (bladzijde 53)

De waarheid moet “eenvoudig” zijn

Iedereen die slechts een beetje geleerd heeft hoe de dingen mechanisch samenwerken, zal toegeven een uurwerk niet te begrijpen zonder de samenhang van de radertjes te bekijken. Over de mens echter praat iedereen zonder een dergelijke eis te stellen, en iedereen gelooft ook over het hoogste wezen van de mens te kunnen praten, en hij beroept zich dan heel vaak op de uitspraak: Ja, de waarheid moet “eenvoudig” zijn -, en dan komt hij met het verwijt aan de geesteswetenschap dat er altijd in bestaat, dat de geesteswetenschap toch veel te gecompliceerd is.

Het menselijk verlangen mag er weliswaar naar uitgaan om in vijf minuten of misschien in helemaal geen tijd te verwerven wat voor de kennis van het hoogste wezen van de mens nodig is. Maar de mens is nu eenmaal een gecompliceerd wezen. Juist daarin bestaat zijn grootte in de wereld dat hij een gecompliceerd wezen is, en men moet de neiging tot gemakzucht in de kennis overwinnen, als men werkelijk in het wezen van de mens wil doordringen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 181 – Erdensterben und Weltenleben – Berlijn, 29 januari 1918 (bladzijde 42)

Over zelfzucht en vroege veroudering

Een andere interessante karmische samenhang toont zich bij een gewoonte van egoïstisch gedrag of bij een liefdevol, sympathiek medeleven met anderen. Er zijn verharde gewoonte-egoïsten – niet enkel met betrekking tot de kostwinning (Duits: Erwerbsinn) – en er zijn altruïstische, liefdevol meevoelenden. Beide hangen samen met het etherlichaam en komen in het volgende leven tot uitdrukking. Personen die in een leven volgens gewoonte zelfzuchtig handelen, verouderen vroeg in een volgend leven, verschrompelen vroeg; het lang jong en fris blijven daarentegen komt voort uit een liefdevol, toegewijd voorafgaand leven. Aldus kan men ook het fysieke lichaam bewust voorbereiden voor het volgende leven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor dem Tore der Theosophie – Stuttgart 29 augustus 1906 (bladzijde 75)

Eerder geplaatst op 13 maart 2013

Liefde kan niet gepreekt worden

Men beticht de antroposofische georiënteerde geesteswetenschap er heel gemakkelijk van dat ze theoretisch zou zijn, en houdt haar voor hoe andere richtingen direct aan de slag gaan, hoe deze niet de mensen ermee plagen om wereldontwikkelingen te moeten begrijpen, maar hoe ze de mensen van liefde spreken, van algemene mensenliefde, wat men liefhebben en hoe men liefhebben moet. Nu, duizenden jaren is er op deze manier over liefde gesproken, zoals ook nu weer veel mensen het hebben willen.

Laat u eerst eens een veel kortere tijd geesteswetenschap in de menselijke zielen opnemen, dan zult u zien dat deze spirituele wetenschap, als ze de menselijke zielen werkelijk aangrijpt, in de menselijke harten als liefde zal oprijzen. Want liefde kan niet gepreekt worden. Liefde kan alleen groeien als ze juist verzorgd (Duits: gepflegt) wordt. Maar dan groeit ze. En ze is een kind van de geest. Ze is ook bij de mens een kind van het werkelijke inzicht, van de kennis die niet alleen op de materie  ingaat, maar die op de geest ingaat.

Bron: Rudolf Steiner – GA 181 – Erdensterben und Weltenleben – Berlijn, 22 januari 1918 (bladzijde 26-27)

Verwoestende krachten

In onze tijd moest de bovenzinnelijke kennis terugtreden; dat moest zo zijn om de grote veroveringen op het fysiek-zintuiglijke gebied mogelijk te maken, om volkomener te worden in de beheersing van de materiële wereld. Nu is de tijd nabij waarin de mensheid zich weer spiritueel moet verdiepen. De mens koerst tegenwoordig op het fysieke vlak naar een stadium dat niet zou kunnen worden verdragen, als het spirituele leven zich niet weer ontwikkelde.

Een voorbeeld hoe nodig het voor de mensheid is om zich spiritueel te verdiepen: U kent de ontzaglijke vooruitgang van bijvoorbeeld de elektriciteitsleer; met deze krachten is een ongelooflijke kracht verknoopt, die het mogelijk zal maken dat de mens deze krachten misbruikt. De mens zal, en wel in een niet al te verre tijd, heer zijn over vreselijke krachten, die hij op het fysieke gebied zal laten werken. Hij zal bijvoorbeeld ontploffingen, explosies op ver afgelegen locaties kunnen ontketenen, zonder dat iemand in staat zal zijn de aanstichter te identificeren.

De mensheid zal macht hebben. En wee als de mens dan moreel niet op het niveau staat om deze verschrikkelijke krachten alleen en uitsluitend voor goede doeleinden te gebruiken! Deze tijd hebben de leiders van de mensheid voorzien en het is de missie van de antroposofie om de gemoederen voor te bereiden op wat gaat komen, ze te waarschuwen, hen de weg en het doel te tonen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 89 – Bewußtsein/Leben/Form – Berlijn, 3 april 1905 (bladzijde 295-296)