Schadelijke gedachten en gevoelens

We moeten geheel anders doordrongen worden van de uitwerking (Duits: Tragweite) van onze daden en van de verantwoordelijkheid die het leven ons oplegt.  De meest alledaagse aspecten van het leven kunnen op deze manier door de spirituele inzichten beïnvloed worden. Degene die weet wat als gevolg van gedachten en gevoelens in de onzichtbare wereld voorvalt, die komt uiteindelijk zo ver dat het voor hem even belangrijk wordt om een ander mens geen slechte gevoelens te zenden als het belangrijk is hem niet op geweerschoten te trakteren. Hij weet dat het even erg is voor de astrale mens om een haatgedachte naar hem te zenden als het schadelijk is voor de fysieke mens als er een baksteen naar hem gegooid wordt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 93 – Die Tempellegende und die Goldene Legende/Aus den Inhalten der Esoterischen Schule – Berlijn, 23 oktober 1905 (bladzijde 250)

Advertenties

Iedere prikkeling in de psyche gaat bij het kind over op de circulatie, op de ademhaling, op de stofwisseling

Iedere prikkeling in de psyche gaat bij het kind over op de circulatie, op de ademhaling, op de stofwisseling. Lichaam, ziel, geest zijn nog een. (Steiner spreekt hier met name over de eerste zeven levensjaren. r.v.d.). Daarom dringt iedere opwinding die uit de omgeving komt, verder door in het lichaam van het kind. En wanneer er nu een cholerische leerkracht die zich met zijn cholerisch temperament ongebreideld laat gaan, zich in de omgeving van een kind bevindt, gewoon er is, dan gaan die uitvallen van het cholerisch temperament – wat de leraar onder invloed van zijn temperament doet, wanneer hij niet die zelfbeheersing uitoefent die we nog zullen bespreken – over op de ziel van het kind, planten zich voort tot in het fysieke.

Dat is het merkwaardige dat het terecht komt in de diepere lagen van het bestaan en wat in het zich ontwikkelende lichaam van de mens terecht komt, komt later tevoorschijn. Als het zaad dat in de herfst in de aarde wordt geplant, in de lente in de plant tevoorschijn komt, net zo komt wat in het kind op z’n achtste, negende jaar terecht komt, in z’n vijfenveertigste, vijftigste jaar weer naar boven en we zien de gevolgen van het cholerische temperament van de leraar die zich laat gaan, in de stofwisselingsziekten, niet alleen bij de volwassene, maar ook bij de mens op leeftijd, aan het licht komen.

Onderzoek je goed, waarom we deze of gene mens op zijn veertigste, vijftigste jaar tegenkomen, aan reumatiek lijdend, als mens die aan allerlei stofwisselingsziekten lijdt, aan een slechte vertering, onderzoek je waarom dit mens zo is, zoals hij is, waarom hij zo vroeg jicht heeft, dan krijg je als antwoord: veel ervan moeten we toeschrijven simpelweg aan de cholerische leraar die de teugels liet vieren, toen hij met een kind op jonge leeftijd te maken had.

Bron: Rudolf Steiner – GA 308 – Die Methodik des Lehrens und die Lebensbedingungen des Erziehens – Stuttgart, 8 april 1924 (bladzijde 15-16)

Vertaling: Pieter H.A. Witvliet – De gehele vertaalde voordracht is te vinden op zijn weblog VRIJESCHOOL – PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 308 – voordracht 1 (bladzijde 15-16)

Eerder geplaatst op 24 november 2016 

Alle ontwikkeling is slecht en verwerpelijk, als deze uit eigenbelang gedaan wordt

Er bestaat geen hogere ontwikkeling zonder dat anderen naar beneden gestoten (Duits: heruntergestoßen) worden. Het mineraal-, het planten- en het dierenrijk zijn op deze wijze omlaag gestoten. Dat is de grote tragiek, dat wie zich hoger ontwikkelt, een ontzaglijke verantwoordelijkheid op zich neemt. Elke heilige bewerkt dat een groot aantal wezens omlaag geworpen worden.

Als een dergelijk omlaag stoten niet plaats zou vinden, dan zou er geen ontwikkeling zijn. Opdat een mens zelf hoger ontwikkeld wordt, moet hij voortdurend wezens naar beneden stoten. Daarom is alle ontwikkeling slecht en verwerpelijk, als deze uit eigenbelang gedaan wordt; ze is alleen gerechtvaardigd omwille van andere wezens. Alleen degene die de omlaag gestotenen weer omhoog brengen wil, is capabel voor de ontwikkeling.

Bron: Rudolf Steiner – GA 93 – Die Tempellegende und die Goldene Legende/Aus den Inhalten der Esoterischen Schule – Berlijn, 5 juni 1905 (bladzijde 181)

Hoe is de mens in feite gekomen tot wat we zijn vrijheid noemen, dat wil zeggen zijn mogelijkheid om te onderscheiden tussen goed en kwaad, om in vrijheid het goede of ook het kwade te doen? (2 – slot)

Wat wij mensen voor het midden van onze aarde-ontwikkeling niet bezaten, was de vrijheid van keuze tussen goed en kwaad. Bij de onderliggende natuurrijken kunnen we ook niet spreken van goed en kwaad. Het zou lachwekkend zijn om te spreken over de vraag of het mineraal zal kristalliseren of niet. Het kristalliseert zich, als de voorwaarden daartoe aanwezig zijn. Belachelijk zou het ook zijn om te vragen of de lelie zal bloeien of niet, of bij de leeuw te vragen of hij vrijwillig af wil zien van het eten en doden van andere wezens.

Pas bij de mens en pas in ons ontwikkelingsstadium spreken we over wat we keuzevrijheid noemen. Een onderscheidingsvermogen tussen goed en kwaad schrijven we alleen aan de mens toe. En hoe nu de mens dit onderscheidingsvermogen verkreeg, dat wordt in de bijbel weergegeven in het grote symbool van de zondeval, in de daad van verleiding waar de duivel oftewel Lucifer aan Eva verschijnt en haar overhaalt om van de boom der kennis te eten. Daardoor is de keuzevrijheid voor de mensheid gekomen en daarmee heeft hij het tweede deel van zijn ontwikkelingsweg betreden. Net zomin als we bij het mineraal, bij de plant en bij het dier naar goed en kwaad kunnen vragen, net zomin kunnen we bij de mens vóór dit midden van de wereldontwikkeling naar vrijheid, naar goed en kwaad vragen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 93 – Die Tempellegende und die Goldene Legende/Aus den Inhalten der Esoterischen Schule – Berlijn, 5 juni 1905 (bladzijde 173-174)

Hoe is de mens in feite gekomen tot wat we zijn vrijheid noemen, dat wil zeggen zijn mogelijkheid om te onderscheiden tussen goed en kwaad, om in vrijheid het goede of ook het kwade te doen? (1 van 2)

Hoe is de mens in feite gekomen tot wat we zijn vrijheid noemen, dat wil zeggen zijn mogelijkheid om te onderscheiden tussen goed en kwaad, om in vrijheid het goede of ook het kwade te doen? U weet dat de mens een lange ontwikkelingsweg heeft doorgemaakt, voordat hij het stadium heeft bereikt waarop hij nu staat en dat we het midden van de ontwikkeling hebben overschreden. Ongeveer in het midden van het Atlantische aardetijdperk, dat aan ons aardetijdperk voorafging, ligt ook het midden van de gehele menselijke ontwikkeling. Nu hebben we dit midden reeds overschreden en daardoor zijn we de eerste missionarissen van de tweede helft, de eerste boodschappers van een opstijgende boog. Terwijl de mensheid tot in de Atlantische tijd in een dalende boog, in een soort neergaande ontwikkeling verkeerde, tot ze het diepste in het materiële leven verzonk, klimt ze nu weer omhoog naar spirituele ontwikkeling.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 93 – Die Tempellegende und die Goldene Legende/Aus den Inhalten der Esoterischen Schule – Berlijn, 5 juni 1905 (bladzijde 173)