Vragen naar zin en betekenis van het leven zouden onbeantwoord moeten blijven, wanneer er geen toegang tot bovenzinnelijke werelden zou zijn

Wie er aan begint, geesteswetenschappelijke resultaten van zodanige aard te beschrijven, als in dit boek opgetekend zijn, moet er in de eerste plaats rekening mee houden, dat zo iets tegenwoordig in de ruimste kringen als onmogelijk wordt beschouwd. Er worden immers in de volgende uiteenzettingen dingen gezegd, waarvan een denken, dat in onze tijd voor streng doorgaat, beweert, dat ‘zij voor een menselijke intelligentie vermoedelijk nimmer vast te stellen zullen zijn’. – Wie de motieven kent en naar waarde weet te schatten, die menige ernstige persoonlijkheid ertoe voeren, om die onmogelijkheid staande te houden, zou telkens weer opnieuw willen pogen aan te tonen, op welke misverstanden het geloof berust, dat aan het menselijk kenvermogen het binnendringen in de bovenzinnelijke werelden zou zijn ontzegd. […] Vooreerst zal geen menselijke ziel op den duur bij dieper nadenken voor het feit blind kunnen blijven: dat haar gewichtigste vragen naar zin en betekenis van het leven onbeantwoord zouden moeten blijven, wanneer er geen toegang tot bovenzinnelijke werelden zou zijn. Theoretisch kan men voor dit feit de ogen sluiten; de diepten van het zieleleven gaan echter met dit zelfbedrog niet mee. – Wie deze zielediepten niet beluisteren wil, zal uiteraard tegenover uiteenzettingen over bovenzinnelijke gebieden een afwijzende houding aannemen. Maar er zijn nu eenmaal mensen, wier aantal waarlijk niet gering is, die onmogelijk doof kunnen blijven voor de stem uit de diepten. Zij moeten steeds aan de poorten kloppen, die volgens de mening der anderen het ‘ondoorgrondelijke’ afsluiten.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS – Vorbemerkungen zur vierten Auflage [1913] – bladzijde 16

Deze vertaling is van F. Wilmar

Eerder geplaatst op 22 mei 2014

Wanneer het geweten spreekt, spreekt God in de ziel

Het volksbewustzijn zegt: Wanneer het geweten spreekt, spreekt God in de ziel. […] Zo zien we dan vanzelf dat het menselijk gemoed gelijk heeft, wanneer het over het geweten spreekt als de ‘God in de mens’. […] Het geweten is dan ook iets, wat wij zien als een heilig, individueel goed, dat wij ons niet hoeven laten aanpraten door de uiterlijke wereld, iets wat ons leven richting en doel kan geven. Daarom is het geweten voor de mens iets wat hij moet beschouwen als iets heel heiligs, waarvan hij weet dat het hem wijst op iets heel verhevens in zijn innerlijk, dat echter onaantastbaar is. Waar zijn geweten spreekt kan niemand anders tegen hem spreken.

Zo is het geweten enerzijds een waarborg voor de samenhang met de goddelijke oerkrachten in de wereld en anderzijds de waarborg dat wij binnenin onszelf iets hebben, wat is als een druppel die uit de godheid gestroomd is. En de mens kan weten: Wanneer het geweten binnenin hem spreekt, spreekt daar een God!

Bron: Rudolf Steiner – Metamorfosen van het zieleleven: zesde voordracht – Het geweten van de mens – Berlijn, 5 mei 1910 – Uitgeverij Vrij Geestesleven – Tweede druk 1985 (bladzijde 178-179) Vertaling Margreet Meijer-Kouwe

Duitstalig: Rudolf Steiner – GA 59 – Metamorphosen des Seelenlebens – Das menschliche Gewissen – Berlin, 5. Mai 1910 (bladzijde 267-268)

Eerder geplaatst op 21 mei 2014

De tegenwoordige kennis beschouwt alleen de buitenkant

Met betrekking tot de menselijke kennis van de tegenwoordige tijd moet men zeggen, dat ze eigenlijk zo verkregen is alsof men een horloge zou willen leren begrijpen, dat men alleen van de buitenkant bekijkt. Men kan leren hoe de tijd wordt aangegeven aan de hand van dit horloge, men kan ook leren kennen of het van goud of zilver is, maar men kan daardoor echter niet horlogemaker worden. Nu, ook datgene wat wij tegenwoordig biologie, fysiologie, anatomie noemen, is toch slechts een beschouwing van de mens van de buitenkant. Een werkelijk doorzien van de menselijke natuur ontstaat pas dan, als de mens naar lichaam, ziel en geest wordt beschouwd. Pas een dergelijke kennis naar lichaam, ziel en geest geeft de mogelijkheid de mensen ook op overeenkomstige wijze te behandelen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 303 – Die gesunde Entwickelung des Menschenwesens -Eine Einführung in die anthroposophische Pädagogik und Didaktik – Dornach, 2 januari 1922 (bladzijde 199)

Eerder geplaatst op 15 mei 2014

Men zal zeggen: het is toch een ziekte bij de mens wanneer hij aan geest en ziel denkt

De tijd zal komen, misschien zelfs in een niet zo verre toekomst, dat men zal zeggen: het is toch een ziekte bij de mens wanneer hij aan geest en ziel denkt. Gezonde mensen, die spreken alleen van het lichaam. – Men zal het als een symptoom van een ziekte beschouwen wanneer de mens zich dusdanig ontwikkelt dat hij tot het begrip kan komen: er is een geest of een ziel. Die zal men als een ziek mens beschouwen. En men zal het gepaste geneesmiddel vinden – daar kunt u heel zeker van zijn- waardoor men kan ingrijpen. Toentertijd (op het Concilie van Constantinopel in 869 – fdw) heeft men de geest afgeschaft. De ziel zal men afschaffen door een farmaceutisch product. Vanuit een ‘gezonde’ levensbeschouwing zal men een vaccin vinden waardoor in het organisme dusdanig ingegrepen wordt, liefst zo jong mogelijk, als het kan na de geboorte, zodat dit menselijk lichaam niet tot de gedachte kan komen: er is een ziel en een geest.

Zo scherp zullen de twee wereldbeschouwingen tegenover elkaar komen te staan. De ene zal erover nadenken hoe begrippen en voorstellingen moeten gevormd worden om bruikbaar te zijn in de reële werkelijkheid, de geestelijke en de zielewerkelijkheid.

De anderen, de opvolgers van de materialisten van nu, zullen een vaccin zoeken dat het lichaam ‘gezond’ maakt, t.t.z. dat het lichaam zo verandert dat het door zijn constitutie niet meer van zo’n dwaze dingen praat als ‘ziel’ en ‘geest’, maar op een ‘gezonde’ manier praat over de krachten die in machines en in de scheikunde leven, die in het heelal planeten en zonnen doen ontstaan. Dat gaat men door lichamelijke procedures bewerkstelligen. Men zal het aan de materialistische geneeskunde overlaten om de zielen uit de mensheid uit te drijven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 177 – Die spirituellen Hintergründe der äußeren Welt – Dornach, 7 oktober 1917 (bladzijde 97-98)

Vertaling overgenomen uit Tijdschrift De Brug – Trefwoord Ahriman – 27

Eerder geplaatst op 3 mei 2014

Mijn bedenkingen over meditatie

Wanneer de mens eenmaal begint meditaties te doen, dan voltrekt hij daarmee de enige werkelijk vrije handeling in dit menselijk leven. […] Als we ons voornemen ‘s avonds en ‘s morgens een meditatie te doen, zodat we geleidelijk leren in de bovenzinnelijke wereld waar te nemen, dan kunnen we dit elke dag ook nalaten. Niets verzet zich daar tegen. En de ervaring leert ook dat de meesten, die met de beste voornemens aan het meditatieve leven beginnen, het zeer snel weer nalaten. We zijn daarin volkomen vrij. Dit mediteren is een oervrije handeling.

Bron: Rudolf Steiner – GA 305 – Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst – Oxford, 20 augustus 1922 (bladzijde 79)

P.S. Ik zie niet in waarom meditatie de enige werkelijk vrije handeling zou zijn. Men zou net zo goed kunnen zeggen: Ik ga elke dag even gymnastiek doen of ik ga elke dag even op mijn gitaar spelen. Ik noem maar wat willekeurige voorbeelden. Daarin is men net zo vrij als in het al dan niet mediteren, lijkt mij. Daar komt bovendien nog bij dat mediteren volgens Steiner geleidelijk aan zou moeten worden tot iets waarnaar men dorst heeft en waar men niet zonder zou kunnen leven. Nu, als het eenmaal zover zou zijn, dan is de vrijheid helemaal ver te zoeken.

Bovendien: als men nu leest dat men in feite schade aan zichzelf en aan de hele wereld toebrengt, wanneer men zijn hogere vermogens laat verdorren in plaats van ze te ontplooien, voelt men zich dan nog wel vrij? Ik eigenlijk niet. Weliswaar mediteer ik zelf niet, maar het is toch eigenlijk altijd iets van waarvan ik het gevoel heb dat ik het wel zou moeten doen. Ik zou het misschien incidenteel ook wel kunnen, maar het idee dat het elke morgen of avond moet, dat staat mij erg tegen. Ik heb wel enkele jaren geleden de zogenaamde neven- of basisoefeningen gedaan, maar daar kreeg ik na enkele maanden zo genoeg van dat ik er weer mee opgehouden ben. Ik zeg ‘s morgens en ‘s avonds in gedachten wel een paar gebeden op, maar verder gooi ik de handdoek in de ring.😉