Helderziendheid/Psychische stoornis

De echte inwijding veroorzaakt geen psychische stoornis, maar het voortijdige, plotselinge doorbreken van de astrale wereld in het menselijk organisme kan de waanzin tevoorschijn brengen. Want in de helderziende toestand komt de mens los van zijn fysiek lichaam. Daardoor kunnen gevaren voor het verstand en de hersenen ontstaan bij degenen, bij wie het psychisch evenwicht en de nodige scholing ontbreken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 94 – Kosmogonie – Parijs, 2 juni 1906 (bladzijde 62)

Eerder geplaatst op 16 augustus 2014

Advertenties

Opvliegende opvoeders/Gezondheid

Het kind heeft niet alleen indrukken van wat hij in zijn omgeving met de zintuigen waarneemt, maar het voelt uit het gedrag van andere mensen hun gezindheid, hun karakter, hun goede en slechte wil. Men moet daarom als opvoeder in de omgeving van het kind zich tot in de gedachten en gevoelens toeleggen op de zuiverheid van leven, zodat het zo worden kan als men zelf is. Maar men moet zich ook bewust zijn dat men door zijn gedrag niet alleen op de ziel maar ook op het lichaam werkt. Wat het kind opneemt en als het ware automatisch (Duits: reflexartig) in zijn wil laat overstromen, vibreert in zijn lichamelijke organisme verder. Een opvliegende opvoeder bewerkt bij het kind dat zijn lichaamsorganisatie in zekere zin broos wordt, zodat het op latere leeftijd gemakkelijk neigt tot vatbaarheid voor ziekteveroorzakende invloeden. Hoe men in deze richting opvoedt, dat zal in het latere leven in de gezondheidstoestand van de mensen tevoorschijn komen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 297a – Erziehung zum Leben – Praag, 4 april 1924 (bladzijde 167)

Eerder geplaatst op 15 augustus 2014

Opvoeding/Zelfopvoeding

In feite is er op geen enkele trap een andere opvoeding dan zelfopvoeding. […] Iedere opvoeding is zelfopvoeding. En we zijn eigenlijk als onderwijzer en opvoeder alleen de omgeving van het zichzelf opvoedende kind. Wij moeten slechts voor de meest gunstige omgeving zorgen, zodat het kind zich aan ons zo opvoedt, zoals het zich door zijn innerlijk lot ontwikkelen moet.

Bron: Rudolf Steiner – GA 306 – Die pädagogische Praxis – Dornach, 20 april 1923 (bladzijde 131)

Eerder geplaatst op 14 augustus 2014

Imponderabilia: onweegbare zaken; onmeetbare invloeden

Tot ongeveer zijn zevende jaar is het kind een nabootsend wezen. En ik zeg dit getal zeven echt niet uit een of andere mystieke neiging, maar omdat de tandenwisseling werkelijk een belangrijk punt is in de hele levensontwikkeling van het kind. – Het kind leert door nabootsing de bijzondere aard van zijn bewegingen, ook zijn taal; het ontwikkelt zelfs op deze wijze de vorm van zijn gedachten. Omdat de samenhang tussen de omgeving van het kind en het kind zelf niet alleen van uiterlijkheden afhankelijk is, maar onmeetbare invloeden (Duits: Imponderabilien) in zich bergt, moeten ouders en opvoeders, die in de omgeving van het kind leven, zich ervan bewust zijn dat het kind zich aanpast aan wat de volwassenen in zijn omgeving niet alleen uiterlijk doen – niet alleen wat ze zeggen -, maar wat ze ervaren, wat ze voelen, wat ze denken. Men gelooft dat gewoonlijk niet in onze materialistische tijd, dat er ook een onderscheid is met betrekking tot de vorming van het kind, of we ons in de nabijheid van een kind aan edele of onedele gedachten overgeven, omdat men de samenhangen in het leven alleen vanuit het materiële beziet, en niet hoe de dingen met onweegbare factoren samenhangen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 297a – Erziehung zum Leben – Amsterdam, 28 februari 1921 (bladzijde 53-54)

Eerder geplaatst op 9 augustus 2014

Met mooie slagzinnen komen we er niet

Zeker, er zijn vaak mooie grondbeginselen met betrekking tot opvoedkunde naar voren gebracht. Er wordt bijvoorbeeld terecht opgemerkt: Ja, het onderwijs heeft toch zulke principes als “men moet niets van buitenaf in de kinderen proppen; men moet alles wat men de kinderen wil bijbrengen, uit hun eigen aanleg en capaciteiten naar boven halen.” Zeer juist, een uitstekende basisregel – maar abstract en theoretisch. En zo zien we dat veruit het meeste van onze levenspraktijk in abstracties, in theoretische programma’s is opgesteld. Want wat men nodig heeft om zoiets uit te voeren als het uit de individualiteit halen van wat het kind in zich ontwikkelen moet, daarvoor heeft men werkelijke mensenkennis nodig. Menselijk inzicht, dat tot in alle diepten van de mens gaat. Een zodanige mensenkennis kan echter de wetenschap, die tot nu toe in de moderne beschaving voorhanden is, ondanks haar grote triomfen, niet geven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 297a – Erziehung zum Leben – Amsterdam, 28 februari 1921 (bladzijde 51)

Eerder geplaatst op 8 augustus 2014