Ontwerp Slachthuis  

Ingenieur Englert, de directeur van de Bazeler bouwvereniging, hielp Steiner bij de uitvoering van het eerste Goetheanum. Hij vertelt over een gesprek met Steiner: ‘Ik zei hem dat de heren van de bouwvereniging, die tegen de antroposofie zijn, mij tegelijkertijd, om mij te ergeren, de leiding van de bouw van een stedelijk slachthuis wilden opdragen, wat ik vanzelfsprekend afwees.’ Maar Rudolf Steiner had geantwoord: ‘Zolang er vlees gegeten wordt, moeten er ook slachthuizen gebouwd worden, en het is toch een interessante opgave, een slachthuis werkelijk praktisch te bouwen.’

Bron: Sie Mensch von einem Menschen! Rudolf Steiner in Anekdoten door Wolfgang G. Vögele (bladzijde 134)

Eerder geplaatst op 19 januari 2015

Advertenties

De noedelsoep

Het was in de jaren voor 1910 – wellicht in München -, toen Rudolf Steiner tijdens zijn voordrachtsreizen nog vaak in particuliere pensions woonde en daar ook in de kost was. Zo gebeurde het dat men hem bij een maaltijd ook een noedelsoep met veel kruiden voorzette. Die smaakte hem zo goed dat hij zich een tweede, ja misschien zelfs een derde bord liet geven.

De volgende morgen moest hij vertrekken en kwam met mejuffrouw Von Sivers en de gastvrouw op het station. Terwijl hij zelf al in de klaarstaande trein stapte – hij reisde graag in een coupé voor zich alleen –, stonden de beide dames op het perron, om afscheid te nemen. Daarbij haalde plotseling de maakster van de goede soep een inmaakglas uit haar handtas en gaf het aan mejuffrouw Von Sivers met de woorden: ‘Lieve mejuffrouw Von Sivers, de doctor heeft toch gisteren mijn soep zo geprezen en ze zo graag gegeten dat ik nog wat daarvan voor hem gekookt heb. Neemt u het alstublieft mee. U kunt het meteen na aankomst opwarmen. Het recept heb ik ook opgeschreven voor het geval dat u het zelf ook eens wilt koken!’

Wie zich mevrouw Marie Steiner-Von Sivers nog herinnert, zal zich haar onwil en haar houding kunnen voorstellen. – Nu, ze wachtte tot de trein buiten de stad was en door het open landschap reed. Toen opende ze het raam, goot de soep eruit en wierp het glas er achteraan.

Bij het volgende station – in die tijd stopten de D-treinen nog langer dan tegenwoordig – hoorde men op het perron de treinconducteur luid foeteren: ‘Wat een zwijnenboel! Waarom hebben we in de wagon dan een toilet? Kunnen de mensen dan niet tot daar aan toe komen, als ze beroerd worden? Mij de hele wagon vol kotsen!’

Zelfs Rudolf Steiner hoorde het en verliet de coupé. De wagon zag er werkelijk vies uit, want de noedels waren door de wind over de hele buitenwand verdeeld, en het raam van het treindeel was als bron duidelijk gemarkeerd. Daarbij stond mejuffrouw Von Sivers met een rood hoofd.

‘Nu’, zei Rudolf Steiner, ‘die man heeft gelijk! Men kan het hem niet kwalijk nemen.’ Daarbij pakte hij uit de achterzak van zijn jas zijn zakdoek en begon de noedels van de wagon af te vegen, tot deze er weer enigszins fatsoenlijk uitzag. Zo corrigeerde hij van tijd tot tijd de impulsiviteit van de latere mevrouw Marie Steiner.

Bron: Sie Mensch von einem Menschen! Rudolf Steiner in Anekdoten door Wolfgang G. Vögele (bladzijde 78-79)

Eerder geplaatst op 17 januari 2015

De enige verstandige onder die idiote vegetariërs

In een stad (Kassel?) hield Rudolf Steiner enkele voordrachten, waarvan er een ’s morgens was. De tweede voordracht zou in de middag volgen. Zo kwam de vraag op of men zonder te lang oponthoud een middagmaaltijd zou kunnen gebruiken, en men stelde voor een in de buurt liggend klein restaurant te bezoeken, waar heel goed gekookt werd. Ongeveer twintig deelnemers gingen er op de gegeven tijd naar toe.

Een vooruitbestelling was niet gedaan, en zo kwamen twintig of meer personen met Rudolf Steiner samen onverwachts in het naar verhouding kleine restaurant. Ze vonden weliswaar een plaats, maar er was maar één kelner. En nu ontstond het probleem.

In Steiners tegenwoordigheid waren velen van mening, dat men zijn positieve gezindheid of overtuiging moest bewijzen door een vegetarische maaltijd. Maar zoals dat voor het jaar 1914 gebruikelijk was, waren in dit op ‘vaste klanten’ ingestelde lokaal alleen vleesgerechten.

Men stelle zich de situatie duidelijk voor: ‘Heeft u geen macaroni of spaghetti? Geen groentegerecht? Geen slaschotel? Ja, niet eens aardappelpannenkoeken met bosbessen? Of spinazie met gebakken aardappelen? Of een visgerecht? Een kwarkgerecht? Of..?

Na korte tijd rezen de haren de kelner ten berge en het zweet stond op zijn voorhoofd. Van louter zenuwen was hij nauwelijks nog in staat zijn beleefdheid te bewaren. Zo kwam hij ook bij Rudolf Steiner en vroeg hem naar zijn wensen. Deze keek hem vriendelijk en rustig aan en zei: ‘Brengt u mij de dagschotel, alstublieft.’ En dat was Duitse biefstuk!

Toen het eten afgelopen was en de gasten het lokaal verlieten, hoorde een van de laatsten de diepe verzuchting van de kelner tot de waard: ‘De enige verstandige tussen al die idiote vegetariërs was die slanke, donkere heer in die lange jas!’

Bron: Sie Mensch von einem Menschen! Rudolf Steiner in Anekdoten door Wolfgang G. Vögele (bladzijde 76-77)

Eerder geplaatst op 16 januari 2015

Hoe meer inzicht de mens verkrijgt, hoe bescheidener hij wordt  

Degene die niet in volledige onbescheidenheid gelooft dat zijn wijsheid de som van alle wijsheid is, dat zijn oordeelskracht de hoogste oordeelskracht voorstelt, die zal spoedig kunnen bemerken dat er andere mensen naast hem zijn, die meer wijsheid en oordeelsvermogen hebben (dan hijzelf), en hij zal naar dezen luisteren, zal zich door hen onderrichten laten. Hij zal, als hij enig inzicht wint, ertoe komen zich te zeggen: Ik heb nog de weg te gaan, die anderen al gegaan zijn. Hoe meer inzicht de mens verkrijgt, hoe bescheidener hij wordt in deze richting. Des te duidelijker wordt het voor hem hoeveel hij nog heeft te leren en des te meer is hij dan geneigd om degenen te vinden die hem iets van hun hoogte, die hij nog niet bereikt heeft, te zeggen hebben. Als iemand denkt van niemand iets te kunnen leren, dan is dat een zeker bewijs dat hij niet ver gevorderd is. Hoe meer een mens gevorderd is, hoe meer hij komt tot een zeker weten dat de mensen op verschillende trappen van ontwikkeling staan en dat er in alle tijden mensen zijn geweest, die spirituele leiders van de mensheid geweest zijn, welke in de ontwikkeling hun medebroeders vooruitgelopen waren, de hoogst ontwikkelden, de meest vergevorderden van de mensheid.

Bron: Rudolf Steiner – GA 264 – Zur Geschichte und aus den Inhalten der ersten Abteilung der Esoterischen Schule 1904 – 1914 (bladzijde 353-354)

Eerder geplaatst op 15 januari 2015

Het kwaad is slechts een verplaatst goed

We moeten niet het kwaad verwerpen, maar het opnemen en het ten goede gebruiken. De woede van een leeuw is slechts zo lang slecht als hij door de leeuw egoïstisch gebruikt wordt; zou een heerser zich deze woede kunnen eigen maken en daarmee welzijnsinstellingen maken, dan zou het goed zijn. Daarom is het slechte als niet-werkelijkheid te beschouwen. Er is geen kwaad. Het kwaad is slechts een verplaatst goed.

 Bron: Rudolf Steiner – GA 264 – Zur Geschichte und aus den Inhalten der ersten Abteilung der Esoterischen Schule 1904 – 1914 (bladzijde 188)

Zie ook: Het kwaad is het van een ander plan naar beneden verplaatste goede

Eerder geplaatst op 14 januari 2015