Bestaat toeval? (2 – slot)

De fout die hier gemaakt wordt, is dat velen zich de karmische samenhangen te eenvoudig voorstellen. Ze gaan er bijvoorbeeld vanuit: als deze mens door een vallende dakpan beschadigd wordt, dan moet hij deze beschadiging karmisch verdiend hebben. Dit is echter beslist niet noodzakelijk. In het leven van ieder mens treden voortdurend gebeurtenissen op die met zijn verdienste of zijn schuld in het verleden helemaal niets te maken hebben.

Dergelijke gebeurtenissen vinden hun karmische vereffening in de toekomst. Wat mij nu onschuldig overkomt, daarvoor word ik in de toekomst gecompenseerd. Dit ene is juist: niets blijft zonder karmische compensatie. Of echter een belevenis van een mens het gevolg is van zijn karmische verleden of de oorzaak van een karmische toekomst is: dat moet afzonderlijk vastgesteld worden. En dat kan niet met het aan de fysieke wereld gewende verstand, maar alleen door de occulte ervaring en waarneming beslist worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 34 – LUCIFER- GNOSIS 1903-1908/GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE – juli 1904 (bladzijde 363)

Bestaat toeval? (1 van 2)

In de fysiek-zintuiglijke wereld van “toeval” spreken, is zeker niet onterecht. En zo vast en zeker de zin geldt: ‘Er bestaat geen toeval’, als men alle werelden in aanmerking neemt, zo onterecht zou het zijn, het woord “toeval” af te wijzen als er alleen sprake is van de aaneenschakelingen van de dingen in de fysiek-zintuiglijke wereld. Het toeval in de fysieke wereld wordt namelijk teweeggebracht doordat zich in deze wereld de dingen in de zintuiglijke ruimte afspelen.

Ze moeten, voor zover ze zich in deze ruimte afspelen, ook aan de wetten van deze ruimte gehoorzamen. In deze ruimte kunnen echter uiterlijke dingen samentreffen, die in eerste instantie innerlijk niets met elkaar van doen hebben. Net zomin als mijn gezicht echt vervormd is, omdat het er in een oneffen spiegel vervormd uitziet, net zomin hoeven de oorzaken die een dakpan van het dak laten vallen, die mij – als ik net voorbij ga – verwondt, met mijn karma dat uit mijn verleden stamt, iets van doen te hebben.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 34 – LUCIFER- GNOSIS 1903-1908/GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE – juli 1904 (bladzijde 362-363)

Door het kind spreekt de geestelijke wereld. De mensen weten het alleen niet.

Ik heb al vaker de zin uitgesproken: De grootste wijze kan misschien het meeste van het kind leren. – En als feitelijk degene, die zelf in de geestelijke wereld zien kan, het kind voor zich heeft met de stroom die omhoog gaat in de geestelijke wereld, dan is het – vergeeft u de triviale uitdrukking – alsof hij in het kind zoiets als een telefoonverbinding met de geestelijke werelden heeft. Door het kind spreekt de geestelijke wereld. De mensen weten het alleen niet. De allerwijste kan het meeste van het kind leren. Het kind spreekt niet, maar de engel spreekt uit het kind.

Bron: Rudolf Steiner – GA 127 – Die Mission der neuen Geistesoffenbarung – München, 11 februari 1911 (bladzijde 64)

Eerder geplaatst op 21 december 2015

De mensen hebben over het algemeen groot vertrouwen in hun eigen inzichten

De mensen hebben over het algemeen groot vertrouwen in hun eigen inzichten. Zo heeft zelfs eens een filosoof de uitspraak gedaan: ‘Geef mij materie en ik vorm daaruit een heelal!’ Dat zei Kant. Het is maar goed, dat men hem geen materie heeft gegeven, want hij zou er iets afschuwelijks van hebben gemaakt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 231 – Der übersinnliche Mensch anthroposophisch erfaßt – Den Haag, 17 november 1923 (bladzijde 101)

Vertaling door M. Macintosh, overgenomen uit Rudolf Steiner – Tussen dood en nieuwe geboorte – 1979 Uitgeverij Vrij Geestesleven Zeist (bladzijde 99)

Spreken is zilver, zwijgen is goud

Door weinig anders ontwikkelt men zich meer op de eerste treden van de geestelijke ladder, als daardoor dat men zich een tijdlang in zijn diepste innerlijk het zwijgen oplegt.

Ik win veel doordat ik maanden, misschien jarenlang tegen mezelf zeg: nu wil ik heel bescheiden, helemaal niet zelf iets menen, maar nu eens zelfloos vreemde meningen in mijn innerlijk laten leven. Totaal wil ik onderduiken in vreemde gewaarwordingen, gevoelens en gedachten. Zelfloos verwijd ik daardoor mijn zelf, terwijl ik het zelfzuchtig vernauw, wanneer ik keer op keer alleen mijn eigen meningen uit mijn eigen wezen als golfslag aan de oppervlakte van mijn leven wil laten opspelen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 34 – LUCIFER- GNOSIS – ÜBER DAS VERTRETEN DER PERSÖNLICHEN ÜBERZEUGUNG – april 1904 (bladzijde 454)

Vertaling: John Wervenbos – Het gehele opstel is te vinden op zijn weblog van 17 december 2015

Eerder geplaatst op 19 december 2015