Oefeningen/Geduld

Door onze geestelijke oefeningen willen wij bereiken ons geheel op een gedachte te concentreren en daarna een leegte in ons in te laten treden en af te wachten, wat ons als resultaat van onze meditatie toestroomt. Van de kracht van onze daarbij gebruikte vasthoudendheid hangt het af wat we daarmee bereiken. Men zou kunnen menen dat men door afwisseling van de oefeningen sneller vooruit komt dan wanneer men lange tijd dezelfde oefening doet; maar de grote ingewijden hebben altijd beweerd, dat zij het verst gekomen zijn doordat ze met groot geduld en uithoudingsvermogen jarenlang dezelfde oefeningen gedaan hebben.

Bron: Rudolf Steiner – GA 266b – Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Band II – München, 10 januari 1912 (bladzijde 297)

Eerder geplaatst op 24 november 2015

Advertenties

Waarom wijzen velen de antroposofie af?

Het kan zijn, dat een mens zich te zwak voelt, dat hij niet de kracht in zichzelf kan vinden tot begrip voor mededelingen uit de geestelijke wereld. Als dat het geval is, wijst hij ze af uit een soort drift tot zelfbehoud. Hij zou zichzelf verwarren als hij deze mededelingen in zich op zou nemen. Dat voelt hij. En in wezen is het bij allen, die de op de weg van het geestelijk onderzoek verkregen mededelingen afwijzen, deze drift tot zelfbehoud, die deze dingen verwerpt: een bewustzijn dat niet in staat is, oefeningen – dus in de beste zin van het woord ascese – op zichzelf toe te passen. Een dergelijke zelfbeschermingdrang zegt: Als ik deze dingen zou benaderen, zouden ze mij verwarren; ze zouden, als ze in mijn gedachten zouden komen, mijn geest vervullen; ik zou er niets mee kunnen beginnen; dus wijs ik ze af!

Bron: Rudolf Steiner – GA 58 – Metamorphosen des Seelenlebens – Berlijn, 11 november 1909 (bladzijde 196-197)

Eerder geplaatst op 27 juni 2013

De gulden regel

De gulden regel der ware occulte wetenschap: Wanneer gij één stap voorwaarts tracht te doen ter bereiking van kennis omtrent de verborgen waarheden, doe dan terzelfder tijd drie stappen voorwaarts tot vervolmaking van uw karakter.

Bron: Rudolf Steiner – GA 10 – Wie  erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten (bladzijde 67)

Vertaling overgenomen uit een vierde druk van uitgeverij Vrij Geestesleven (bladzijde 57 – jaar van uitgave en naam van de vertaler staan er niet in)

Eerder geplaatst op 29 oktober 2015

Helderziend verleden/Duister heden/Helderziende toekomst

Het vermogen tot kennis-opnemen heeft zich in de mensheid geleidelijk ontwikkeld. We hebben er steeds weer op gewezen, dat in de Atlantische tijden een groot deel der mensen helderziende was en waar kon nemen in de geestelijke wereld en dat er nog resten van die helderziendheid in later tijden bewaard zijn gebleven. Als we zouden onderzoeken in de oud-Indische, oud-Perzische, Egyptisch-Chaldeïsche tijden, ja, zelfs in de Grieks-Romeinse tijd, dan zouden we vele mensen vinden –véél meer, dan men nu zou denken- die nog erfelijk helderziend waren en die in de astrale wereld konden waarnemen, die de geheimen van het bestaan konden schouwen.

De mens moest echter leren kennis te vergaren, die voerde tot uitsluitend zintuigelijke kennis, die dus wordt verworven door de zintuigen en de vermogens, die daarmee samenhangen. De mens moest, om zo te zeggen, volkomen loskomen van de geestelijke wereld en komen tot waarneming door de zintuigen en tot logisch denken. De mens moest opstijgen tot niet-helderziend waarnemen, omdat hij pas na het volledig beheersen hiervan, in de toekomst weer tot helderziendheid moest worden gebracht, maar dan zo, dat zich de zintuiglijk-verstandelijke verworvenheden combineerden met deze nieuwe helderziendheid.

In die tijd leven we nu. We zien terug op een verleden, waarin de mens helderziend was en we hebben voor ons een toekomst, waarin hij weer helderziend zal worden. In deze tussentijd is het merendeel der mensen aangewezen op wat ze met hun zintuigen waarnemen en met hun verstand en hun denken begrijpen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 114 – Das Lukas-Evangelium – Bazel, 16 september 1909 (bladzijde 39-40)

Eerder geplaatst op 1 juli 2013

Over waarheden en dogma’s

Het is goed om, wat ik al vaker genoemd heb, dat in het bijzonder vanuit ons antroposofische standpunt bewust en grondig erkend wordt: Ook het weten dat men in het heden, hoe onmiskenbaar het ook is, over spirituele zaken kan verwerven, het mag niet opgevat worden als een som van absolute dogma’s. Het moet duidelijk zijn dat degenen die later in komende tijden zullen verschijnen, meer waarheden zullen zien, dan wij zelf zien kunnen en in staat zijn naar voren te brengen.

Daarop berust eigenlijk de geestelijke ontwikkeling van de mensheid. En alle belemmering, alle hindernis voor de geestelijke vooruitgang van de mensheid berust uiteindelijk op het feit dat de mensen het niet toegeven willen, dat ze graag waarheden overgeleverd willen hebben, die niet de waarheden van een bepaald tijdperk zijn, maar die absolute, tijdloze dogma’s zijn.

Bron: Rudolf Steiner – GA 184 – Die Polarität von Dauer und Entwickelung im Menschenleben – Dornach, 6 september 1918 (bladzijde 13)