Over voedingsinstinct bij kinderen (2 – slot)

Alleen kinderen bij wie er in de lever iets niet in orde is – wat dan zelfs door de suiker kan worden genezen -, die pakken suiker; de anderen interesseert de suiker niet, die laten het staan. Natuurlijk mag dit niet ontaarden in een slechte gewoonte, maar men moet voor zoiets begrip hebben. En men kan er op twee manieren begrip voor hebben. Ziet u, als het kind steeds maar eraan denkt: Wanneer kijkt vader of moeder niet, zodat ik de suiker nemen kan-, dan steelt het kind later ook andere dingen. Als men het kind echter tevredenstelt, doordat men het geeft wat het nodig heeft, dan wordt het geen dief. Het is dus ook in moreel opzicht van groot belang of men zulke dingen opmerkt of niet. Dat is zeer belangrijk, mijne heren.

Dus moet men op de vraag die u nu gesteld heeft antwoorden: Men moet goed letten op wat het kind wil of verafschuwt en het niet dwingen tot wat het niet wil. Want als het bijvoorbeeld gebeurt, wat bij zeer veel kinderen het geval is, dat het geen vlees wil eten, dan is het zo dat het kind door het vlees darmgiften oploopt, en die wil het vermijden. Dit instinct heeft het kind. Een kind, dat aan tafel zit, waar alle anderen vlees eten en hij weigert het vlees, dan heeft het de aanleg om darmgiften te ontwikkelen door het vlees. Met dit alles moet men rekening houden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 354 – Die Schöpfung der Welt und des Menschen – Dornach, 2 augustus 1924 (bladzijde 124-125)

Over voedingsinstinct bij kinderen (1 van 2)

Dat is eigenlijk het allergunstigste wat men doen kan (bij de voeding van kinderen): Acht slaan op hoe een kind begint dit of dat graag te eten, of niet graag te eten, als het de melk ontwend is, als het niet meer de melk heeft. Zodra het kind aan de andere voeding toe is, kan men van het kind leren, wat men het geven moet. Als men eerst het kind dwingt te eten, waarvan men denkt dat het eten moet, wordt het instinct bedorven. Dus men moet zich richten naar waar het kind instinct voor heeft. Natuurlijk, men moet veel van wat meteen tot slechte gewoonte wordt, wel indammen, maar waar men het indamt, moet men erop letten.

Neem bijvoorbeeld een kind bij wie u merkt, dat het, ondanks dat u hem naar uw mening al het goede geeft, helemaal niet anders kan, als hij de eerste keer aan de tafel komt, dan uit zijn stoel op te klimmen, zich een beetje over de tafel te buigen om stiekem een stukje suiker te pakken! Ziet u, zoiets moet men op de juiste wijze opvatten, want zo’n kind dat uit zijn stoel klimt en een stukje suiker pikt, heeft zeer zeker iets in zijn lever niet in orde. Eenvoudig het voorval dat het kind wat suiker steelt, bewijst dat ergens in de lever iets niet in orde is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 354 – Die Schöpfung der Welt und des Menschen – Dornach, 2 augustus 1924 (bladzijde 123-124)

Wordt vervolgd

Te veel eiwit

Als men te veel eiwit eet, dan gaat het helemaal niet in het lichaam, maar in de ontlasting. – Maar iets heeft men er toch van, want voordat het eruit gaat, blijft het in de darm liggen en wordt tot gif en intoxiceert het hele lichaam, vergiftigt het lichaam! Dat krijgt men van te veel eiwit. En door deze vergiftiging ontstaat zeer vaak aderverkalking, zodat veel mensen die aderverkalking te vroeg krijgen; het gewoonweg krijgen, doordat ze met eiwit overvoerd zijn.

Het is dus wel belangrijk, zoals ik zojuist uitgelegd heb, om de voedingskwesties te leren kennen. Want de meeste mensen zijn eigenlijk zeer vaak van mening: Hoe meer men eet, hoe beter men gevoed wordt. Dat is niet juist, want men wordt vaak veel beter gevoed, als men minder eet, omdat men zich dan niet vergiftigt.

En dat is het: Men moet weten hoe de afzonderlijke stoffen werken. Men moet weten dat zouten vooral op het hoofd werken, dat koolhydraten, zoals ze in onze hoofdvoedingsmiddelen, in brood en aardappels zitten, meer op het long- en halssysteem – longen, keel, mond enzovoort – werken, dat vetten vooral werken op hart en bloedvaten, slagaders en aders, en dat eiwit vooral werkt op de buikorganen. Het hoofd heeft niet bijzonder veel aan eiwit. Het eiwit, dat in het hoofd is – uiteraard moet het hoofd ook uit eiwit opgebouwd worden, want het bestaat immers uit levende substantie -, dat eiwit moet de mens zich ook zelf vormen. Wanneer men hem dus overvoert, dan moet men niet geloven, dat hij daardoor bijzonder gezonde hersenen krijgt, integendeel, hij krijgt een vergiftigd brein.

Bron: Rudolf Steiner – GA 354 – Die Schöpfung der Welt und des Menschen – Dornach, 31 juli 1924 (bladzijde 110-111)

Zie ook: Eiwit/Gezondheid/Ziekte

Illusie/Werkelijkheid/Gevaren

Aan de grens van de fysieke en de bovenfysieke wereld is het uiterst moeilijk om illusie van werkelijkheid, dromen van realiteit, visioen van echte waarneming te onderscheiden. Op dit gebied is het zeer gemakkelijk om de eigen fantastische voortbrengselen van de ziel te verwarren met wat echt, objectief, werkelijk is. Het vereist verscheidene eigenschappen om aan de grens koelbloedigheid, zekerheid van de ziel, moed, uithoudingsvermogen en energie te behouden, want als de mens aan deze grens de helderheid en duidelijkheid over wat schijn en werkelijkheid is, zou verliezen, dan zou hij zijn verstand hebben verloren, dan zou hij een gek zijn in plaats van een ingewijde.

Nu is er bij de meeste mensen, als zij van zulke dingen horen, zeker een geweldige nieuwsgierigheid, een ware zucht om toch wat te zien van de hogere werelden. Er is echter niet op dezelfde wijze bij de meeste mensen het uithoudingsvermogen en de wil, en voor alles ook niet de kracht, om alles te overwinnen wat nodig is, om de aangeduide gevaren uit te schakelen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – Die Erkenntnis der Seele und des Geistes – Berlijn, 28 november 1907 (bladzijde 108)

Eerder geplaatst op 7 mei 2012

Het onderscheid tussen ingewijde en helderziende

Degene die, zonder zelf helderziend te zijn, alles inziet wat de geesteswetenschap te zeggen heeft, is een ingewijde. Wie echter zelf kan binnengaan in deze werelden, die wij de onzichtbare noemen, is een helderziende. In vroegere tijden, die nog helemaal niet zo lang achter ons liggen, bestond in de geheime scholen een strikte scheiding tussen helderzienden en ingewijden. Men kon als ingewijde, zonder helderziend te zijn, opstijgen tot de kennis van hogere werelden, als men slechts zijn verstand op de juiste wijze gebruikte.

Aan de andere kant kon iemand helderziende zijn zonder in bijzonder hoge graad ingewijd te zijn. Het zal u wel duidelijk zijn wat wordt bedoeld. Stelt u zich twee mensen voor, een zeer geleerde heer, die al het mogelijke weet wat de natuurkunde en de fysiologie over het licht en de lichtfenomenen te zeggen hebben, maar echter zo slechtziend is, dat hij nauwelijks tien centimeter ver kan zien: hij ziet niet veel, is echter ingewijd in de wetten van de werkingen van het licht.

Evenzo kan iemand ingewijd zijn in de bovenzinnelijke wereld en slecht daarin zien. Een ander kan uitstekend zien in de uiterlijke zintuiglijke wereld, maar zo goed als niets weten van wat de geleerde heer weet. Zo kunnen er ook helderzienden zijn bij wie voor hun geestelijke ogen de bovenzinnelijke werelden geopend zijn. Zij kunnen waarnemen in de geestelijke wereld, maar hebben geen wetenschap, geen kennis daarvan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – Die Erkenntnis der Seele und des Geistes – Berlijn, 10 oktober 1907 (bladzijde 26)