Vaak zijn halve of kwartwaarheden veel erger dan volslagen vergissingen/Psychoanalyse

Vaak zijn halve of kwartwaarheden veel erger dan volslagen vergissingen. En zo’n halve of kwartwaarheid ligt ten grondslag aan wat men tegenwoordig zo vaak kenschetst als analytische psychologie of psychoanalyse. De mensen zoeken, maar ze zoeken op de tast. Ze vermoeden dat er op de bodem van de ziel veel verborgen is, maar ze kunnen er niet toe overgaan werkelijk de stappen in de geestelijke wereld te maken, om datgene te vinden wat op de bodem van de ziel verborgen ligt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 168 – Die Verbindung zwischen Lebenden und Toten – Zürich 3 december 1916 (bladzijde 208)

Eerder geplaatst op 13 december 2013

Colin Wilson over de mysteriedrama’s van Steiner

Het is niet gemakkelijk om in enigszins onthechte termen over de vier mysteriespelen van Steiner te spreken. In de ogen van Wachsmuth droeg ‘het samenspel van spirituele visie en artistiek beeldend vermogen zelden nobeler vrucht’. Stewart Easton wijst nadrukkelijk op de verwantschap met de oudere Griekse tragedies, in het bijzonder die van Aeschylus. Het is, als u het mij vraagt, zeer moeilijk ook maar de geringste gelijkenis met Aeschylus te ontdekken, indien men afziet van de lengte der alleenspraken. De niet-antroposoof heeft de neiging ze meer dan lang te vinden, alsmede ongelooflijk vervelend en bij tijd en wijle ondraaglijk naïef. Er hangen wat mensen rond die eindeloos lange vertogen afsteken over de ‘droge, prozaïsche rede’ en het verlangen naar het geestelijk visioen, en die zich te buiten gaan aan opmerkingen van het genre: ‘Ik kan mij volledig met uw laatste woorden verenigen’ of ‘ik kan mij het gewicht van deze tegenwerping zeer wel voorstellen’. Eén scène begint met de woorden: ‘Goede morgen, Sophia, ik hoop zeer dat ik niet stoor.’ ‘Geenszins, Estella, je komst werd verbeid.’ Of: ‘Lieve moeder, ik zou zo graag uit uw mond het verhaal horen waarover Cilli, een poos geleden, zo vaak gesproken heeft.’

Het mysteriespel van Schuré heeft kracht, en handeling en taalgebruik zijn trefzeker; de stukken van Steiner zeuren zachtjes door, en doen nog het meest denken aan in Wagner-libretto’s vertaalde Steiner-voordrachten, maar dan helaas zonder de muziek. […] Het zou veel leuker zijn als je zou kunnen zeggen: ‘Het grootste deel van Steiners ideeën blijft me volledig vreemd, maar aan zijn mysteriespelen dank ik een aantal momenten van opwinding en ontroering.’ Goed beschouwd drijven de mysteriespelen een kloof tussen gelovigen en ongelovigen, in plaats van een brug tussen hen te slaan. En wat er ook van hun diepere inhoud gezegd kan worden, ze zijn precies op de verkeerde manier ‘serieus’. Het belangrijkste personage is een geestelijk leidsman, Benedictus genaamd, voor wie zeer duidelijk Steiner zelf model heeft gestaan. De meeste karakters zijn leerlingen van hem. Ahriman, Lucifer en allerlei andere geesten geven ook ‘acte de présence’, maar hoezeer de toon van het geheel ook meer dan eens Faust in herinnering roept, we krijgen altijd een Faust voorgezet zonder poëzie en zonder enige dramatische contingentie. In de ogen van de niet-gelovige heeft de atmosfeer voornamelijk de geur van de zondagsschool. Overigens: hier is niet Steiners integriteit in discussie, maar eenvoudig het zwakke effect van zijn goede bedoelingen.

Bron: Colin Wilson – De filosoof der vrijheid – STEINER  en de twintigste eeuw. Uitgeverij Bres – Amsterdam (bladzijde 133-135)

Begin en einde

De opeenvolging van de zich steeds herhalende incarnaties is niet oneindig. Er is een begin en een einde. Eens, in een ver verleden, ging de mens nog niet naar beneden voor zijn incarnaties. Toen kende hij geboorte en dood nog niet. Toen leidde hij een soort engelachtig bestaan, niet onderbroken door zulke ingrijpende veranderingen van zijn toestand, zoals het tegenwoordig door geboorte en dood bestaat. Maar even zeker zal voor de mensen een tijd komen, dat hij voldoende ervaringen in de lagere werelden zal hebben verzameld om een voldoende gerijpte, verhelderde bewustzijnstoestand te hebben verworven, om in de verheven hogere werelden te kunnen werken, zonder gedwongen te zijn, weer in de lagere werelden onder te duiken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 108 – Die Beantwortung von Welt- und Lebensfragendurch Anthroposophie – Breslau, 2 december 1908 (bladzijde 61)

Eerder geplaatst op 11 december 2013

Ouders/Kinderen/Karma

De mens wordt naar een bepaald ouderpaar geleid, maar niet enkel aan de hand van zijn eigen aantrekkingskracht. Want hierbij grijpen in en zijn hoog verheven wezens werkzaam, die tegenwoordig nog, aangepast aan de huidige ontwikkelingssituatie, de arbeid op zich hebben genomen om deze verhoudingen in juistheid en gerechtigheid karmisch te ordenen. Als dus bij gelegenheid de ouders schijnbaar eens niet met de kinderen overeenstemmen, dan hoeft daar niet een onjuistheid of onrechtvaardigheid aan ten grondslag te liggen. Daarin ligt misschien menig keer het goede, dat de mens in de meest gecompliceerde omstandigheden terechtkomt en in de vreemdste verhoudingen zijn weg moet vinden, om daardoor te leren.

Bron: Rudolf Steiner – GA 108 – Die Beantwortung von Welt- und Lebensfragendurch Anthroposophie – Breslau, 2 december 1908 (bladzijde 61)

Eerder geplaatst op 10 december 2013

Meningen en standpunten moet de spirituele zoeker zich afwennen

Een eerste grondbeginsel, dat moet worden gewonnen, is de oude, mooie spreuk van de Griekse wijzen: Wie tot de waarheid wil komen, moet de eigen mening niet in acht nemen. […] Meningen en standpunten moet de spirituele zoeker zich afwennen. Hij heeft geen mening, omdat alle meningen zijn als beelden, die vanuit verschillende standpunten ontstaan, en die zo verschillend zijn als de mensen die de wereld van de meest verschillende kanten bekijken. Van de ene kant is het beeld vanuit een materialistisch standpunt, van de andere kanten vanuit een spiritueel of een mechanistisch of vitalistisch standpunt. Dat zijn allemaal meningen. Ze niet theoretisch te erkennen, maar zo te leven met een wereldbeschouwing, dat alle meningen als beelden van verschillende kanten zijn, dat is de innerlijke tolerantie waar het om gaat. Mening en mening moeten zich niet onderling bestrijden. Dan komt er de innerlijke en uiterlijke tolerantie, die we nodig hebben als de mensheid een heilzame toekomst tegemoet wil gaan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 108 – Die Beantwortung von Welt- und Lebensfragen durch Anthroposophie – Wenen, 23 november 1908 (bladzijde 46-47)

Zie ook: Meningen zijn onbelangrijk

Eerder geplaatst op 9 december 2013