Toeval en Plan

Het is werkelijk zo dat, als men het goed bekijkt, als een mens bijvoorbeeld in een bepaald jaar van zijn leven kennis maakt met een ander mens, dat dit feit heel anders blijkt te zijn, als men het geestelijk juist beschouwt, dan wanneer men het alleen uiterlijk met het zintuiglijk-intellectualistische bewustzijn bekijkt.

Stel, een mens heeft in een of ander jaar van zijn leven een ander mens leren kennen. Men spreekt dan zeer vaak van toeval. En het ziet er dan ook zo uit alsof de andere mens door de verschillende toevallige wegen van het leven naar iemand toegeleid zou zijn, en men dan op dat moment met hem kennis zou hebben gemaakt. Maar zo is het niet.

Als men het bekijkt met de middelen van de geesteswetenschap in de gehele samenhang van het leven, dan ziet men dat een kennismaking die men bijvoorbeeld in het vijfendertigste levensjaar gemaakt heeft, geheel planmatig het hele leven verlangd en nagestreefd is. Als u de mens van zijn vijfendertigste jaar tot aan zijn vroegste kindertijd zou vervolgen en zou blootleggen, en u de weg zou nagaan die hij heeft doorlopen, om uiteindelijk daar aan te komen, waar hij de andere mens getroffen heeft, dan is dat een geheel planmatig streven in het onderbewustzijn.

En vaak is het, als men op deze manier het lot van de mens beschouwt, heel wonderbaarlijk, welke omwegen een mens maakt om op een bepaalde plaats in een bepaald jaar aan te komen en daar de andere mens te treffen. Wie werkelijk in het menselijke leven kijkt, die kan niet anders zeggen dan: Degene die iets beleeft, heeft deze belevenis zijn hele aardeleven door gezocht.

Bron: Rudolf Steiner – GA 226 – Menschenwesen Menschenschicksal und Welt-Entwickelung – Kristiania (Oslo), 19 mei 1923 (bladzijde 62-63)

Eerder geplaatst op 9 maart 2017

Advertenties

Bovenzinnelijke kennis is niet een speculatie of begripssysteem, maar waarneming

Datgene wat tot kennis van de hogere werelden heeft geleid, is niet een speculatie, is niet een systeem van begrippen, het is waarneming (Duits: Anschauung). Net zoals men door de ontwikkeling van het lichaam sinds het embryonale bestaan een waarneming van de uiterlijke zintuiglijke wereld verkrijgt, zo verkrijgt men door de stappen (Duits: Vornahmen), – waarvan ik u de beginselen beschreven heb, die u in de genoemde boeken in detail kunt vinden -, kennis van zielsprocessen en verwerft men de mogelijkheid omgeven te zijn van de bovenzinnelijke wereld, waarin we waren voor de geboorte en waarin we binnenkomen als we door de poort van de dood gaan. Door waarneming wordt de kennis van hogere werelden verworven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 79 – Die Wirklichkeit der höheren Welten – Kristiania (Oslo), 26 november 1921 (bladzijde 62)

Eerder geplaatst op 8 maart 2017

De dood van iets wat men voor religie houdt

Ik kan het nauwelijks begrijpen dat juist van theologische kant ook onlangs weer betoogd werd tegen de antroposofie dat zij het religieuze leven doodt. Bijvoorbeeld is de zin gevallen: Het leven van de antroposofie betekent de dood van de religie.

Nu, het antroposofische leven hangt samen met het leven van de menselijke ziel, dat juist de meest innige religieuze krachten ontwikkelt. Dit antroposofische onderzoek naar de bovenzinnelijke werkelijkheden kan niet de dood van de religie betekenen, maar hoogstens de dood van iets wat men voor religie houdt en eigenlijk al dood is. Dan zou antroposofie op het al gestorven zijn kunnen wijzen, het zou in zekere zin een soort lijkschouwing zijn.

Naar haar wezen moet de antroposofie, omdat ze een levensvolle weg in de bovenzinnelijke werkelijkheid is, tegelijk een middel zijn om de religieuze gevoelens, het gehele religieuze besef van de mensen met toewijding aan de bovenzinnelijke wereld te verhogen, te beleven, te verwarmen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 79 – Die Wirklichkeit der höheren Welten – Kristiania (Oslo), 25 november 1921 (bladzijde 40-41)

Eerder geplaatst op 7 maart 2017

Antroposofie heeft de taak, de missie om het materiële bestaan te doordringen, niet het te ontvluchten

Wat ik te zeggen had, kon ik slechts in enkele pennestreken (Duits: Strichen) weergeven. Er is nu al een rijke literatuur voorhanden, die voor iedereen beschikbaar is. In een korte avondvoordracht kon ik maar enkele richtlijnen geven. Maar uit wat ik gezegd heb, kunt u enigszins opmaken dat deze geesteswetenschap, dit antroposofisch onderzoek niets wereldvreemds, niets onpraktisch wil zijn. Ze wil niet de mensen zelfzuchtig omhoogvoeren naar inhoudsloze luchtkastelen, nee, ze zou het zien als een zich fout gedragen tegenover de geest (Duits: sie würde glauben, sich sündhaft gegenüber dem Geistigen zu verhalten), als ze de mensen wereldvreemd zou maken.

De geest wordt alleen op de juiste wijze begrepen, als we hem in zijn kracht opvatten, als we ons met hem zo doordringen dat we daardoor praktische mensen worden. De geest is een schepper. Hij heeft de taak, de missie om het materiële bestaan te doordringen, niet het te ontvluchten. Daarom is antroposofische kennis van bovenzinnelijke werelden tegelijk een alleszins realistische levenspraktijk.

En antroposofie streeft er daarom naar – ik zal dat nog in latere voordrachten die ik hier in Kristiania mag houden, in detail uitleggen -, zowel de afzonderlijke wetenschappen, als het kunstzinnige leven, als ook de praktische levensgebieden te bevruchten met wat ze in toevoeging aan de zintuiglijke, materiële wereld vanuit de werkelijkheid van de hogere werelden te zeggen heeft.

Bron: Rudolf Steiner – GA 79 – Die Wirklichkeit der höheren Welten – Kristiania (Oslo), 25 november 1921 (bladzijde 37-38)

Eerder geplaatst op 6 maart 2017

Over spirituele wetenschap, bijgeloof en occultisme

Vaak wordt er gedacht dat vanuit allerlei invallen, uit subjectieve verstandelijke overwegingen of zelfs uit fantasieën wordt verteld wat de antroposofie over de werkelijkheid van de hogere werelden naar voren brengt. Het is niet zo. Klinisch onderzoek, astronomisch onderzoek moet men tot in detail leren. Het is moeilijk. Maar wat op deze wijze innerlijk, ik zou willen zeggen, innerlijk experimenterend veroverd wordt om tot de waarneming van hogere werelden te komen, dat is nog moeilijker. Het vereist nog meer toewijding, meer zorgvuldigheid, meer innerlijke gewetensvolheid en methodiek.

En wat hier in ernstige en eerlijke zin als geesteswetenschap wordt beschreven, is heel verschillend van wat doorgaans als occultisme, als mystiek en dergelijke optreedt. Zoals de wetenschap zich verhoudt tot bijgeloof, zo verhoudt deze spirituele wetenschap zich tot het populaire occultisme, dat door allerlei mediums of door het amateuristisch vergaren van uiterlijke, verrassende feiten tot zijn inzichten wil komen. Deze bijzondere vorm van modern bijgeloof wordt door niets zekerder overwonnen dan door ernstig en eerlijk geestelijk onderzoek, dat door uiterst nauwgezette methoden wordt ontwikkelt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 79 – Die Wirklichkeit der höheren Welten – Kristiania (Oslo), 25 november 1921 (bladzijde 31-32)

Eerder geplaatst op 5 maart 2017