Interesse en erotiek

Als men ziet dat de erotiek in een bijzonder schrikbarende mate op deze leeftijd (Steiner spreekt hierover de leeftijd van ongeveer 14 tot 18 jaar) naar voren komt, dan hebben de leraren daaraan schuld, doordat ze oersaai zijn en geen interesse wekken. En wanneer de kinderen geen interesse in de wereld hebben, ja, waaraan zullen ze dan denken? Aan niets anders dan wat in hun lichaam, in hun hart, hun buik, in hun longen werkt, als er op een vervelende wijze over wiskunde, geschiedenis enzovoort gesproken wordt. Door de afleiding naar interesse in de wereld is dit enkel en alleen te voorkomen, en daarop komt het ontzettend veel aan. In feite heeft bij het overheersen van de erotiek, bij dit te veel aandacht voor de erotiek van de kinderen in deze leeftijdsgroep, als ze nog op school zitten, dan altijd de school daaraan schuld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 302a – Erziehung und Unterricht aus Menschenerkenntnis – Stuttgart, 21 juni 1922 (bladzijde 85-86)

Eerder geplaatst op 28 september 2016  (2 reacties)

Wat het oog ziet, is van groot gewicht

Veel mensen geloven dat het materialisme van onze moderne tijd voortkomt uit het feit dat zo veel materialistische geschriften gelezen worden. Maar de occultist weet dat dit slechts een geringe invloed heeft. Wat het oog ziet, is van veel groter gewicht, want het heeft invloed op processen in de ziel, die min of meer in het onbewuste verlopen. Dit heeft een bij uitstek praktisch belang. […]  Waar in de uiterlijke vorm ziel is, daar stromen ook de zielekrachten over op wie het ziet en bekijkt. […] De antroposofische opvoedkunst zal er opmerkzaam op maken dat wat het oog ziet, de mensen diep beïnvloedt. […] De geesteswetenschapper weet hoeveel ervan afhangt in wat voor vormenwereld de mens leeft. […]

Rondom het midden van de Middeleeuwen ontstond langs de Rijn die merkwaardige religieuze beweging die men de Duitse Mystiek noemt. Een ontzaglijke verdieping en verinnerlijking ging van de leidende geesten van de christelijke mystiek uit, van Meester Eckhart, Tauler, Suso, Ruysbroek en anderen, die men “papen” noemde. In de dertiende en veertiende eeuw had de naam “paap” nog niet de betekenis van tegenwoordig, het was nog iets eerbiedwaardigs. Men noemde de Rijn in die tijd de “grote papensteeg van Europa”. En weet u waar deze grote verdieping en verinnerlijking van het menselijk gemoed, deze vrome gevoelens, die een innige vereniging met de goddelijke wezenskrachten zochten, opgewekt zijn? Ze zijn opgewekt in de gotische kathedralen met hun spitse gewelven, pilaren en zuilen. Dat heeft deze zielen opgevoed. Zo sterk werkt het wat wordt gezien. Wat de mens ziet, wat in zijn ziel gegoten is vanuit zijn omgeving, dat wordt in hem een kracht. Daarnaar vormt hij zichzelf – tot in zijn volgende incarnatie. […]

Een bouwstijl wordt niet uitgevonden, hij wordt in een tijd geboren vanuit de grote gedachten van de ingewijden; zij laten het instromen in de wereld. De bouwwerken ontstaan, ze werken op de mensen; de menselijke zielen nemen in zich iets op van de in deze vormen levende spirituele kracht. Dat wat de ziel opgenomen heeft door het aanschouwen van de bouwvormen – bijvoorbeeld de gotiek – dat treedt naar voren in de stemming van de zielen: innige zielen ontstaan, die naar het hogere opkijken. Een paar eeuwen geleden hebben mensen wat in de gotische stijl leefde, in zich opgenomen.

En nu volgen we deze mensen enige eeuwen verder, die in de ziel de kracht van deze bouwkundige vormen opgenomen hebben – ze tonen nu in hun volgende incarnatie de uitdrukking van deze innerlijke gemoedstoestand in hun fysionomie, in hun gezichten. De zielen van de mensen hebben de gezichten gevormd. Zo ziet men waarom zulke kunsten beoefend worden. Ver, ver vooruit in de verre toekomst zien de ingewijden. Daarom vormen ze in een bepaalde tijd uiterlijke kunstvormen, architectonische stijlen in het groot. Zo wordt in de mensenzielen de kiem voor toekomstige mensheidstijdperken gelegd.

Bron: Rudolf Steiner – GA 101 – Mythen und Sagen/Okkulte Zeichen und Symbole – Stuttgart, 14 september 1907 (bladzijde 158-160)

Eerder geplaatst op 27 september 2016 (4 reacties)

Liefde gaat boven mening

Liefde gaat boven mening. De meest verschillende meningen kunnen worden verdragen als mensen liefde voor elkaar hebben. Daarom is het logisch dat in het antroposofische wereldbeeld geen religie wordt aangevallen en op geen enkele religie bijzondere nadruk wordt gelegd, maar ze worden alle begrepen en er kan zich broederschap ontwikkelen ​​omdat de leden van de verschillende religies elkaar begrijpen.

Dit is een van de belangrijkste taken van de mensheid tegenwoordig en in de toekomst: dat mensen leren met elkaar te leven en elkaar te begrijpen. En zolang deze menselijke sociale gezindheid zich niet ontwikkelt, kan er geen sprake zijn van een occulte ontwikkeling.

Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor  dem  Tore  der  Theosophie – Stuttgart, 1 september 1906 (bladzijde 109-110)

Geen mens zal meer zijn geluk rustig kunnen genieten, als naast hem anderen ongelukkig zijn  

De mensen kunnen zich tegen de gedachte verzetten, dat de engelen in hen toekomstidealen willen opwekken, maar toch is het zo. En hieraan ligt een heel bepaalde impuls ten grondslag, namelijk de impuls dat in de toekomst geen mens meer zijn geluk rustig zal kunnen genieten, als naast hem anderen ongelukkig zijn. Dit is een impuls van absolute broederlijkheid, absolute eenwording van het mensengeslacht; op de juiste wijze opgevatte broederlijkheid met betrekking tot de sociale omstandigheden in het fysieke leven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 182 – Der Tod als Lebenswandlung – Zürich, 9 oktober 1918 (bladzijde 145)

Vertaling Martien Ockeloen: Hoe werken de engelen in ons astrale lichaam? (bladzijde 6)

Dwaling

Zoals de individuele mens een heel bepaalde ontwikkeling doormaakt, zoals hij als het ware heel andere krachten heeft als kind, in de kracht van zijn leven, en als grijsaard zo heeft de mensheid in de loop van haar ontwikkeling ook steeds weer andere krachten, en men slaapt om zo te zeggen ten aanzien van de wereldontwikkeling, als men niet onderkent, dat de mensheid wezenlijk anders is in de twintigste eeuw, dan ze was in de vijftiende eeuw, laat staan in de tijd van het Mysterie van Golgotha of nog eerder.

Het behoort tot de grootste gebreken en dwalingen juist van onze tijd, dat men dat wat ik zojuist gezegd heb niet wil onderkennen; dat men van mening is, dat je over de mens of over de mensheid in het algemeen geheel abstract kunt spreken, zonder te weten dat deze mensheid een ontwikkeling doormaakt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 182 – Der Tod als Lebenswandlung – Zürich, 9 oktober 1918 (bladzijde 139)

Vertaling Martien Ockeloen: Hoe werken de engelen in ons astrale lichaam? (bladzijde 2)

Eerder geplaatst op 24 augustus 2014 (7 reacties)