De Bijbel en reïncarnatie

Ik zal me er nu niet mee bezighouden misverstanden te weerleggen, die gemakkelijk weerlegd zouden kunnen worden. Ik wil alleen nog over die ene tegenwerping spreken, die bijvoorbeeld heel gemakkelijk gemaakt zou kunnen worden: Ja, hoe verklaar je het dat men in de bijbel niets vindt over reïncarnatie? Het zou kunnen zijn dat iemand zegt: Hij kan niet aan herhaalde aardelevens geloven om de eenvoudige reden dat naar zijn overtuiging er een tegenspraak is tussen het aannemen van deze herhaalde aardelevens, waartoe ook bijvoorbeeld geesten als Lessing zich bekend hebben, en wat in de Bijbel staat.

Nu, reïncarnatie zal worden erkend als een wetenschappelijk, een geesteswetenschappelijk feit, en over de verhouding van een dergelijk feit, dat eens gevonden moest worden, tot de Bijbel zal men kunnen leren op de volgende wijze te denken. Zou iemand het voor mogelijk kunnen houden dat iemand zou zeggen dat hij niet gelooft dat Amerika bestaat, omdat in de Bijbel niet staat dat Amerika bestaat? Of gelooft iemand dat men op een of andere wijze afbreuk zou doen aan de Bijbel, als men zegt: Ik vind het volkomen met mijn Bijbelverering in overeenstemming dat Amerika bestaat, ondanks dat het niet in de Bijbel wordt gevonden?

Of staat er in de Bijbel iets over dat het copernicaanse wereldbeeld juist is? Er zijn mensen geweest die om deze reden de copernicaanse wereldbeschouwing als iets fouts, als iets verbodens hebben aangezien. Vandaag de dag zal er niemand zijn, die – op het onderwijsniveau van zijn tijd staand – zou kunnen zeggen dat hij een tegenstrijdigheid vindt tussen de leer van Copernicus en de Bijbel, – hoewel de leer van Copernicus toch niet in de Bijbel staat.

Bron: Rudolf Steiner – GA 35 – PHILOSOPHIE UND ANTHROPOSOPHIE/ GESAMMELTE AUFSÄTZE 1904-1923 – Liestal/Zwitserland, 11 Januari 1916 (bladzijde 204-205)

Eerder geplaatst op 2 oktober 2016

Innerlijke wereld/Uiterlijke wereld

Er zijn spirituele bewegingen die de mensen van de uiterlijke wereld wegvoeren (hinwegweisen); men zou het hoger zelf alleen in zichzelf moeten zoeken. Dit standpunt kan nooit tot een werkelijke kennis voeren; [….] Alleen in de gerichtheid (Hinkehr) op de wereld, die ons omringt, vinden we ons hoger zelf. Wij moeten de God zoeken in de onzichtbare werelden en in alle uiterlijke wezens, feiten en gebeurtenissen. Als iemand ons zegt: Verloochen de uiterlijke wereld, de uiterlijke materie schenkt ons niets -, dan ontkent zo iemand de goddelijke wereld; en er is voor grote perspectieven niets ergers als het zich afkeren van de zichtbare wereld. Juist de verdieping in de buitenwereld voert naar hogere kennis.

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 – Die Welträtsel und die Anthroposophie – Berlijn, 19 april 1906 (bladzijde 467)

Eerder geplaatst op 13 februari 2012

Het is niet bijzonder moeilijk om veel op dit gebied te bespotten

Men hoeft werkelijk zijn verstand niet bijzonder in te spannen om schijnbare weerleggingen te vinden voor verklaringen die de spirituele onderzoeker geeft over speciale samenhangen tussen de afzonderlijke aardelevens van mensen. Ja, het is niet bijzonder moeilijk om veel op dit gebied te bespotten, omdat het toch tot “de verborgen diepten van het bestaan” behoort en dit er op het gebied van het gewone denken vreemd uit kan zien.

Als de spirituele onderzoeker bijvoorbeeld zegt: Het komt voor dat een mens in een aardeleven achterlijk (Duits: idiotisch) was, zich echter door zijn ervaringen als achterlijke, waarop hij na de dood terugziet, voor een volgend aardeleven de krachten voor een filantropisch genie eigenmaakt. Dan zullen mensen met een bepaalde gezindheid tegenover zo’n opmerking vanzelfsprekend lachen en spotten; wie door een inzicht in het ware geesteswetenschappelijk onderzoek en de daarmee samenhangende gevoelsstemming van de onderzoeker een begrip verkrijgt voor de diepe ernst, die aan zo’n uitspraak ten grondslag moet liggen, van de geestelijke arbeid waardoor men zo’n uitspraak aan de ziel ontworstelt, die zal het lachen en de spot vergaan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 35 – PHILOSOPHIE UND ANTHROPOSOPHIE/ GESAMMELTE AUFSÄTZE 1904-1923 (bladzijde 165)

Eerder geplaatst op 1 oktober 2016 

Twijfel/Waarheid/Dwaling

Als u soms ook twijfel zou kunnen overvallen bij de gedachte: Er is wel een sterk licht aanwezig, maar ook een grote kans op vergissingen, hoe zal jij zwakke mens daarin de goede weg vinden? Hoe zul je kunnen onderscheiden, wat van de waarheid stamt en wat dwaling is? – Als zulk een gedachte in u opstijgt (Duits: in der Brust aufsteigt), kunt u versterking en kracht voelen door het devies: De waarheid zal het zijn dat de hoogste impuls voor de mensheidsontwikkeling zal geven, en de waarheid zal mij nader staan dan mijzelf. Stel ik mij zo in op waarheid en vergis ik mij hier in deze incarnatie, dan zal de waarheid de kracht hebben mij tot zich te trekken in de volgende incarnatie. Als ik mij eerlijk vergis in deze incarnatie, zal zich deze dwaling compenseren in de volgende. Het is beter zich eerlijk te vergissen dan oneerlijk dogma’s aan te hangen. En het woord zal voor ons oplichten: Niet door onze wil, wel echter door de goddelijke kracht van de waarheid zelf zal deze waarheid zegevieren.

Bron: Rudolf Steiner – GA 127 – Die Mission der neuen Geistesoffenbarung – Kopenhagen 5 juni 1911 (bladzijde 180)

Eerder geplaatst op 25 augustus 2013 

Wat er ook altijd voor lelijkheid in de wereld is, er is altijd nog wel iets moois

Wat er ook altijd voor lelijkheid in de wereld is, er is altijd nog wel iets moois in het lelijke, in al het onware een korreltje waarheid, in al het slechte iets goeds. U hoeft helemaal niet kritiekloos te worden! Men vat het vaak enkel zo op, dat men niets meer slecht zou mogen vinden enzovoort; het is echter zo bedoeld dat in al het lelijke altijd nog een korreltje schoonheid is en in iedere slechts iets goeds ligt. Dat stuurt de hogere krachten van de ziel opwaarts.

Bron: Rudolf Steiner – GA 100 – Menschheitsentwickelung und Christus-Erkenntnis/Theosophie und Rosenkreuzertum – Kassel, 29 juni 1907 (bladzijde 191)

Eerder geplaatst op 24 september 2016