Illusie/Werkelijkheid/Gevaren

Aan de grens van de fysieke en de bovenfysieke wereld is het uiterst moeilijk om illusie van werkelijkheid, dromen van realiteit, visioen van echte waarneming te onderscheiden. Op dit gebied is het zeer gemakkelijk om de eigen fantastische voortbrengselen van de ziel te verwarren met wat echt, objectief, werkelijk is. Het vereist verscheidene eigenschappen om aan de grens koelbloedigheid, zekerheid van de ziel, moed, uithoudingsvermogen en energie te behouden, want als de mens aan deze grens de helderheid en duidelijkheid over wat schijn en werkelijkheid is, zou verliezen, dan zou hij zijn verstand hebben verloren, dan zou hij een gek zijn in plaats van een ingewijde.

Nu is er bij de meeste mensen, als zij van zulke dingen horen, zeker een geweldige nieuwsgierigheid, een ware zucht om toch wat te zien van de hogere werelden. Er is echter niet op dezelfde wijze bij de meeste mensen het uithoudingsvermogen en de wil, en voor alles ook niet de kracht, om alles te overwinnen wat nodig is, om de aangeduide gevaren uit te schakelen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – Die Erkenntnis der Seele und des Geistes – Berlijn, 28 november 1907 (bladzijde 108)

Eerder geplaatst op 2 mei 2016

Advertenties

Juist denken en juist oordelen is niet bepalend voor de werkelijkheid

In de buitenwereld, voor zover deze wereld vandaag wordt gedomineerd door de uiterlijke wetenschap, zal men, wanneer iemand spreekt over weten, over kennis, ongetwijfeld altijd zeggen: Ja, kennis, het moet altijd in de waarheid resulteren als men juiste oordelen heeft, als men het juiste gedacht heeft. Ik heb de laatste tijd, om te karakteriseren wat er grondig fout is in deze veronderstelling, – dat het altijd in kennis, in waarheid moet uitkomen, wanneer men juiste oordelen maakt -, een zeer eenvoudige vergelijking gebruikt, die ik hier opnieuw wil vertellen, waaruit blijkt dat het juiste niet hoeft te leiden naar de werkelijkheid.

Er was eens in een dorp een jongetje dat altijd door zijn ouders werd gestuurd om broodjes te halen. Hij kreeg altijd tien Kreuzer (vroegere munt) mee en hij  kreeg daar zes broodjes voor. Als je één broodje kocht, kostte het twee Kreuzer. Maar hij bracht dus altijd zes broodjes mee naar huis voor tien Kreuzer. De kleine jongen was niet erg goed in rekenen en hij bekommerde er zich niet om of het wel klopt dat hij altijd tien Kreuzer meekrijgt, hoewel een broodje twee Kreuzer kost en hij toch voor zijn tien Kreuzer zes broodjes mee naar huis krijgt.

Maar toen kreeg hij een soort pleegbroer. Vanuit een andere plaats werd een jongen in hetzelfde huis ondergebracht, een knaap van ongeveer dezelfde leeftijd,die echter een goede rekenaar was. Die zag nu dat zijn nieuwe kameraad naar de bakker ging, dat hij tien Kreuzer meekreeg; zijn pleegbroer wist dat een broodje twee Kreuzer kost en hij zei: Dus moet je vijf broodjes mee naar huis krijgen. Hij kon goed rekenen en hij dacht het juiste: Eén broodje kost twee Kreuzer, tien Kreuzer krijgt hij mee, dus zal hij zeer zeker vijf broodjes mee naar huis nemen. Maar zie, hij kwam met zes. Daarop zei de goede rekenaar: Maar dat is helemaal verkeerd, je kunt, omdat een broodje twee Kreuzer kost en je tien Kreuzer heb meegekregen, onmogelijk zes broodjes meekrijgen, want voor 10 Kreuzer krijg je maar vijf broodjes van twee Kreuzer. Men moet zich vergist hebben of je hebt een broodje gejat – dat wil zeggen gestolen. Maar zie, op de tweede dag bracht de jongen opnieuw zes broodjes mee voor tien Kreuzer. Het was namelijk in die plaats gebruikelijk dat men bij vijf altijd één er bij kreeg, zodat men inderdaad, wanneer men vijf broodjes kocht voor tien Kreuzer, er zes kreeg. Het was een zeer aangename gewoonte voor de klanten.

Welnu, de goede rekenaar heeft zeer juist gedacht, hij heeft helemaal geen fout gemaakt in zijn denken, maar met de werkelijkheid kwam dit juiste denken niet overeen. We moeten toegeven dat het juiste denken de werkelijkheid niet bereikt, omdat de werkelijkheid zich nu eenmaal niet richt naar het juiste denken. Ziet u, zoals het in dit geval is, zo kan worden aangetoond dat in feite bij de meest gewetensvolle, complexe ideeën, die alleen logisch kunnen worden uitgedacht, het juiste naar buiten kan komen, maar afgemeten aan de werkelijkheid kan het geheel en al fout zijn. Dat kan altijd het geval zijn. Daarom is nooit enig vanuit het denken gewonnen bewijs bepalend voor de werkelijkheid, nooit.

Bron: Rudolf Steiner – GA 134 – Die Welt der Sinne und die Welt des Geistes – Hannover, 27 december 1911 (bladzijde 16-17)

Praktische werkelijkheid is de beste spirituele voorbereiding

Ik heb in mijn boek “Vom Menschenrätsel” erop gewezen dat men zeggen kan: Zoals de mens uit zijn slaap, waarin hij slechts een zeer dof bewustzijn heeft, ontwaakt tot het gewone waakbewustzijn, zo kan hij ontwaken uit dit gewone bewustzijn, waarin hij zich in het leven gewoonlijk bevindt, tot het geestelijk waarnemen. Het is een ontwaken in een bovenzinnelijke wereld, dat men zich verwerft door de geesteswetenschappelijke methode. Maar zoals het normale dagelijkse leven nooit gezond kan zijn, als men niet regelt dat de slaap gezond is, zo kan de entree in de geestelijke wereld niet gezond zijn, als men niet eerst een gezond, op de bodem van echte werkelijkheid en praktische levenswijsheid staand gewoon leven kan ontwikkelen; als men zich niet eerst discipline heeft geleerd, zodat men in het uiterlijke leven een mens is die tegen de werkelijkheid is opgewassen.

Het ontwaken tot spirituele waarneming kan alleen volgen vanuit een gezond leven overdag, zoals het ontwaken tot een gezond leven overdag alleen uit een gezonde, niet door ziekte gestoorde slaap kan voortkomen. Alles waardoor de mens zich op een of andere wijze van het leven en de werkelijkheid vervreemdt, alles wat de mensen zoeken vanuit dwaasheid, vanuit vooroordelen, in een valse ascese, in een verkeerde afkeer van het leven, in een mystieke schemering of ook wel mystieke duisternis, dat alles moet de geesteswetenschap uit haar activiteiten verbannen. Het op de juiste wijze midden in het leven staan, het oog in oog staan met de praktische werkelijkheid, dat is de beste voorbereiding om de geestelijke wereld in te gaan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 072 – Freiheit/Unsterblichkeit/Soziales Leben – Bazel, 19 oktober 1917 (bladzijde 78-79)

Eerder geplaatst op 16 januari 2014

Niet enkel wat ogen zien en handen pakken kunnen is werkelijkheid

Het komt er op aan de geest te vinden binnen de werkelijkheid, welke de mensen omringt. Niet de werkelijkheid is geestloos, maar de mens die de geest niet vinden kan. Zoals men de elektriciteit, het licht en andere natuurkrachten niet buiten de wereld zoekt, net zomin doet men dit bij de ware antroposofische gezindheid met de geestelijke krachten. Goed begrepen is antroposofie de erkenning van zulke spirituele krachten en wetten binnen de wereld. Niet enkel wat ogen zien en handen pakken kunnen is een kracht in de wereld, maar ook wat slechts voor de ogen van de ziel toegankelijk is en wat geen instrument, wel echter de macht van de geest kan beheersen en in werkelijkheid kan omzetten, als deze daar kennis van heeft.

De techniek is erop gebaseerd dat de mens de zintuiglijk waarneembare krachten aan zijn inzicht onderwerpt; en de antroposofie kan tot een geestelijke techniek leiden die de hogere krachten in dienst van de mensheid stelt. Vanuit dit gezichtspunt zal de antroposofische gezindheid niet tot wereldvreemdheid, maar tot een actieve rol in het leven, ja tot de edelste, begripvolste praktijk leiden. Want haar toneel is niet een werkplaats waar materiële producten worden geleverd, maar het leven zelf zoals het zich tussen mens en mens afspeelt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 034 –  GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis»  (bladzijde 170)

Eerder geplaatst op 15 februari 2016

Zin voor werkelijkheid

Als we ons in de fysieke wereld geen zin voor werkelijkheid eigen maken, dan zullen we het niet kunnen vinden voor de spirituele wereld. Zich op de juiste manier in de spirituele wereld te kunnen inleven, moet hier in de fysieke wereld worden eigengemaakt. Dat is de reden waarom we zijn geplaatst in de fysieke wereld, waar we erop aangewezen zijn om de overeenstemming van de gedachten met de objectiviteit te zoeken, zodat we dit kunnen verwerven en het een gewoonte laten worden, en we het kunnen binnendragen in de geestelijke wereld.

Maar hoeveel mensen doen tegenwoordig beweringen alleen vanuit de emoties, waarbij het hen niets uitmaakt of ze met de objectiviteit overeenstemmen. Dit gaat juist in de tegenovergestelde richting van waar de wereld heen moet, als de mensheid vooruit wil gaan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 170 – Das Rätsel des Menschen/Die geistigen Hintergründe der menschlichen Geschichte – Dornach, 28 augustus 1916 (bladzijde 236)