De boer van tegenwoordig denkt meer dan de Griekse filosoof  

Iets komisch maar tegelijk iets groots ligt in wat Hebbel, de toneelschrijver, in zijn notitieboek schreef: Laten we aannemen, dat Plato zou worden wedergeboren; dan zou hij een gymnasiast worden en moest Plato in de Griekse taal lezen, en de gymnasium leraar is vreselijk ontevreden, omdat hij Plato niet begrijpt, zodat de leraar hem een pak op zijn donder geeft. – Daar wilde Hebbel een drama over schrijven. Nu, dat is aan de ene kant echt grappig, maar aan de andere kant heel begrijpelijk. Want het is waar dat een gymnasiumleraar van tegenwoordig veel meer denkt dan zelfs de grote Plato in zijn tijd. Men kijkt alleen op een bepaalde manier tegenwoordig kortzichtig naar de wereld. De boer van tegenwoordig denkt meer dan de Griekse filosoof ooit heeft gedacht. Daarentegen was het waarnemingsvermogen toentertijd veel meer ontwikkeld. De waarneming was toen hetzelfde als wat nu bij ons het denken is. Tegenwoordig wordt immers het waarnemen helemaal niet meer geleerd, alleen door degenen die een scholing doormaken. Het is volstrekt mogelijk dat iemand in wat hij in een laboratoriumopleiding leert, ver komt, en toch daarbuiten zeer onervaren is, de tarwe niet van de rogge onderscheiden kan. Zodat we kunnen zeggen dat de mensen tegenwoordig veel denkvermogen hebben, maar in de tijd van toen in het waarnemen werden geschoold. Daarom kunnen we twee tijdperken onderscheiden: een tijdperk van waarnemingen en een tijdperk van gedachten.

Bron: Rudolf Steiner – GA 143 – Erfahrungen des Übersinnlichen/Die drei Wege der Seele zu Christus – Winterthur, 14 januari 1912 (bladzijde 38)

Eerder geplaatst op 30 augustus 2012

Over slapen en denken

U weet allemaal dat een moeilijke berekening een andere werking op ons denken heeft dan een roman. Wij merken dat wij moe worden van ons denkleven, als het ons inspanning kost. Dit kan zelfs des te minder betwijfeld worden, aangezien het een middel is om gemakkelijker in te slapen. Het moeten echter geen voorstellingen zijn die ons bijzonder irriteren, ook niet gedachten die ons zorgen geven, maar gedachten die moeilijk zijn voor ons. Dit kan ieder mens hoe dan ook zelf ervaren: dat hij naar verhouding gemakkelijk inslaapt, als hij zich voor het inslapen doordringt met voorstellingen die hem aan een gevoel van plicht binden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 143 – Erfahrungen des Übersinnlichen/Die drei Wege der Seele zu Christus – Winterthur 14 januari 1912 (bladzijde 31)

Eerder geplaatst op 29 augustus 2012

Wij vormen onze kinderen tegenwoordig zo, dat wij niet die krachten in hen wekken die de mens geschikt maken om het leven aan te kunnen

Het opvallendste in het moderne leven is dat er zoveel verscheurde men­senzielen zijn. Mensenzielen die het moeilijk hebben, die zich met het leven geen raad weten, die zich steeds weer afvra­gen: wat moet ik nou doen, wat heeft het leven met mij voor? – die dit of dat beginnen maar daarin geen voldoening vinden. Er zijn steeds meer mensen die dit soort problemen hebben. Hoe komt dit? Dit komt door een gemis in de manier van op­voeden. Wij vormen onze kinderen tegenwoordig zo, dat wij niet die krachten in hen wekken die de mens geschikt maken om het leven aan te kunnen. Namelijk datgene wat de mens geschikt maakt doordat hij tot het zevende jaar een nabootser is; wat de mens geschikt maakt doordat hij tot het veertiende jaar een waardige autoriteit volgt; en dat hij tot aan het 21ste jaar de liefde op de juiste wijze kan ontwikkelen, want later kunnen deze krachten niet meer ontwikkeld worden. Datgene wat de mens mist omdat de krachten die in bepaalde jaren van de jeugd ontwikkeld dienen te worden, niet gewekt zijn, maakt hem tot een mens met problemen. Dat dienen wij te beseffen!

Bron: Rudolf Steiner – GA 296 – Die Erziehungsfrage als soziale Frage – Dornach, 10 augustus 1919 (bladzijde 49)

Ook te vinden in het boek Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave. Vertaling John Hogervorst en Hanneke Nelemans.

Cocaïne: nog veel schadelijker dan alcohol

Men kan de alcohol wel verbieden, maar ziet u, dan treden merkwaardige verschijnselen op. U weet immers bijvoorbeeld, dat vandaag de dag de mensen in vele delen van de aarde ertoe zijn gekomen de alcoholverkoop te beperken of geheel te verbieden; maar ik maak u erop opmerkzaam wat voor een kwaad er in de laatste tijd is opgekomen: het cocaïnegenot namelijk, dat ook door de mensen gebruikt wordt om zich te verdoven. En ten opzichte van wat cocaïneconsumptie teweegbrengt, vooral aan vernietiging van de menselijke voortplantingskrachten, is alcohol nog goud! […] Al aan de uiterlijke symptomen kunt u zien hoeveel schadelijker het cocaïnegebruik is dan het alcoholgebruik. Als iemand door alcohol delirium tremens krijgt, dan uit zich dit door een soort vervolgingswaan. Hij ziet overal muizen, die hem achtervolgen. Als iemand echter cocaïne gebruikt, dan komen overal slangen uit zijn lichaam! […] Eerst verdooft hij zichzelf – dat is aangenaam, dat is een soort van wellust -, maar als hij dan langere tijd cocaïne geconsumeerd heeft, dan ziet het eruit alsof er overal slangen uit zijn lichaam komen, en hij loopt nu snel om weer cocaïne te genieten, zodat de slangen voor een tijdje stoppen. Want de angst die hij voor de slangen heeft, is nog veel groter dan de angst die hij voor de muizen heeft bij het delirium tremens.

Bron: Rudolf Steiner – GA 348 - Über Gesundheit und Krankheit – Dornach, 8 januari 1923 (bladzijde 225-226)

Eerder geplaatst op 25 augustus 2012

En zo verwoest men voor lange tijdperioden de mensen door de alcohol

Men moet weten dat alcohol geleidelijk aan tot in het beenmerg gaat en meer en meer het bloed ruïneert. Doordat de alcohol dan de nakomelingen ruïneert, is de gehele nakomende familie geruïneerd! Als een mens dus, laten we zeggen, drie kinderen heeft, dan zijn die kinderen allereerst een beetje geruïneerd; maar degenen die weer van deze drie afstammen, die zijn sterk geruïneerd. En zo verwoest men voor lange tijdperioden de mensen door de alcohol. En veel van wat tegenwoordig aan zwakte in de mensheid aanwezig is, komt eenvoudig doordat de voorouders te veel gedronken hebben.

Bron: Rudolf Steiner – GA 348 – Über Gesundheit und Krankheit – Dornach, 8 januari 1923 (bladzijde 224)

Eerder geplaatst op 24 augustus 2012