Een zekere angst: ‘Het zou toch beter zijn van al deze dingen niets te weten.’

Zo heeft u door de uiteenzettingen van vandaag weer andere soorten wezens leren kennen, die innig met ons leven verbonden zijn. Als u ten dele een zekere angst zou hebben voor al de werelden waarvan u hier gehoord heeft, als u wellicht denkt: ‘Het zou toch beter zijn van al deze dingen niets te weten’, bedenk dan dat dit hetzelfde is als wanneer een struisvogel de kop in het zand steekt, want die zaken zijn er nu eenmaal! En bevrijden kunt u zich nooit door de ogen te sluiten, maar alleen door de dingen te leren kennen. Als u uw leven zo inricht dat u steeds meer heerser over uw leven wordt, dan drijft u al deze wezens uit uw leven. Kennis en waarheid zijn de middelen om vrij te worden. En waar is het wat in een religieus document staat: “U zult de waarheid kennen en de waarheid zal u bevrijden.”

Bron: Rudolf Steiner – GA 98 – Natur- und Geistwesen – ihr Wirken in unserer sichtbaren Welt – Stuttgart 11 februari 1908 (bladzijde 210)

Eerder geplaatst op 17 juni 2012

Geen mens zal meer zijn geluk rustig kunnen genieten, als naast hem anderen ongelukkig zijn  

De mensen kunnen zich tegen de gedachte verzetten, dat de engelen in hen toekomstidealen willen opwekken, maar toch is het zo. En hieraan ligt een heel bepaalde impuls ten grondslag, namelijk de impuls dat in de toekomst geen mens meer zijn geluk rustig zal kunnen genieten, als naast hem anderen ongelukkig zijn. Dit is een impuls van absolute broederlijkheid, absolute eenwording van het mensengeslacht; op de juiste wijze opgevatte broederlijkheid met betrekking tot de sociale omstandigheden in het fysieke leven.

 Hoe werken de engelen in ons astrale lichaam? (bladzijde 6) – Vertaling Martien Ockeloen

Bron: Rudolf Steiner – GA 182 – Der Tod als Lebenswandlung – Zürich, 9 oktober 1918 (bladzijde 145)

Tweespalt

Als de mens de geesteswetenschap nader komt, raakt hij gemakkelijk in een tweespalt. Deze tweespalt moet u duidelijk zien (Duits: sich klar vor Die Seele stellen). Van tweeërlei soort zijn veel mensen, die tot de antroposofie komen. De ene soort zegt: Ik wil helpen, ik wil een waardevol lid van de gemeenschap zijn – en ze verstaan daaronder: de antroposofische beweging zal hen de middelen geven om daar meteen morgen mee te beginnen. De anderen maken zich misschien alleen de illusie te willen helpen. In werkelijkheid willen ze alleen hun nieuwsgierigheid bevredigen, iets sensationeels meemaken.

Beide groepen zullen niet de juiste leden in de antroposofische vereniging worden. Want degenen, die meteen morgen willen helpen, bedenken niet dat men eerst leren en iets kunnen moet om te helpen. Hen moet gezegd worden: U moet geduld hebben om in u zelf de krachten en mogelijkheden te ontwikkelen, om rijp te worden als helper van uw medemensen. […] De anderen echter die alleen hun nieuwsgierigheid willen bevredigen, moeten zich realiseren dat geen enkele van de middelen en vaardigheden die hen gegeven worden, vanuit een ander gezichtspunt genomen moeten worden dan met de bedoeling een dienstbaar lid van de gehele mensheidsontwikkeling te worden. […] En men mag niet slechts naar het ene kijken, maar moet beide in acht nemen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 96 – Ursprungsimpulse der Geisteswissenschaft – Berlijn, 8 oktober 1906 (bladzijde 89-90)

Eerder geplaatst op 15 juni 2012

In feite eist de mens juist het meeste, wat hem het allermeeste ontbreekt

Wij gaan vandaag de dag van mens tot mens aan elkaar voorbij en hebben onder invloed van de moderne opvoeding niet het vermogen verkregen om onze medemensen innerlijk te begrijpen, de vaardigheid met een soort helderziend medegevoel, zoals het in vele oudere culturen aanwezig was, te zien in wat in de mensenziel leeft. Wij stellen veel eisen voor het leven op, maar we gaan in de regel van mens tot mens aan elkaar voorbij. […] In feite eist de mens altijd juist het meeste, wat hem het allermeeste ontbreekt, en de luide roep om socialisme verkondigt eigenlijk voor de oren die onbevooroordeeld kunnen luisteren, dat wij onsociale mensen geworden zijn, dat wij elkaar niet begrijpen, dat wij niet in staat zijn een sociale samenleving te vormen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 79 – Die Wirklichkeit der höheren Welten – Kristiania (Oslo) 2 december 1921 (bladzijde 180-181)

Eerder geplaatst op 14 juni 2012

Drie zielen wonen, ach! in de ziener zijn borst  

Bij een ingewijde is het contact tussen denken, voelen en willen verbroken. De ingewijde zou in staat zijn iemand diep te zien lijden, zonder dat er een gevoel in hem wordt gewekt, koud zou hij kunnen blijven staan en het aanzien. Waarom is dat zo? Er mag bij een ingewijde niets onbewust in elkaar werken (Duits: ineinandergliedren), hij is uit vrijheid een mens met medegevoel en niet omdat iets uiterlijks daartoe dwingt. Dat is het verschil tussen een ingewijde en een niet-ingewijde. Een dergelijk hoger bewustzijn schept als het ware een hogere substantie, en de mens splitst zich in een gevoels-, een wils- en een denkmens. Over deze drie heerst dan de hogere, nieuw geboren mens, en vanuit deze trap van hoger bewustzijn worden dan die drie in harmonie (Duits: Einklang) gebracht. […] Zou deze verstoring (van de samenhang tussen denken, voelen en willen) optreden, zonder dat ook tegelijkertijd een nieuw bewustzijn zou ontkiemen, dan zou waanzin ontstaan. Waanzin zou niets anders zijn dan de toestand, waarbij het menselijke wezen gespleten is, zonder dat de hogere, bewuste beheersing (Duits: Instanz) tot stand gebracht is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 55 –  Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit und deren Bedeutung für das heutige Leben – Berlijn 8 november 1906 (bladzijde 86)

Eerder geplaatst op 13 juni 2012

Bezoek Steiner aan Friedrich Nietzsche

Kort voordat ik dit boek (Friedrich Nietzsche, ein Kämpfer gegen Seine Zeit) begon te schrijven, verscheen op een goede dag Nietzsches zuster, Elisabeth Förster-Nietzsche, in het Goethe- en Schillerarchief en wilde te weten komen hoe het Goethe- en Schillerarchief ingericht was. Spoedig daarna verscheen de uitgever van Nietzsches werken, Fritz Koegel, ook in Weimar en ik leerde hem kennen.

Later zijn er ernstige conflicten ontstaan met mevrouw Elisabeth Förster-Nietzsche. Maar in deze tijd koesterde ik een diepe sympathie voor haar levendige, beminnelijke wezen. Ik heb onnoemelijk geleden onder de conflicten die het gevolg waren van een ingewikkelde situatie; ik werd genoodzaakt mij tegen beschuldigingen te verdedigen. Ik weet dat het allemaal zo moest gebeuren, en dat daardoor ook de mooie uren, die ik in Weimar en in het Nietzsche-archief in Naumburg mocht doorbrengen, in mijn herinnering omfloerst zijn met een waas van bitterheid. Maar ik ben er mevrouw Förster-Nietzsche toch dankbaar voor dat ze mij, bij het eerste van de vele bezoeken die ik haar mocht brengen, in de kamer van Friedrich Nietzsche bracht. Daar lag de man met het verduisterde bewustzijn op een rustbed, met het prachtige voorhoofd, dat tegelijkertijd aan een kunstenaar en aan een geleerde deed denken. Het was in het begin van de middag. Deze ogen, met een uitgebluste blik, die toch nog doorzield werkten, namen alleen nog maar een beeld uit de omgeving op, dat geen toegang meer tot de ziel vond. Terwijl men daar stond, besefte Nietzsche daar niets van. En toch zou men nog kunnen menen dat het doorgeestelijkte gelaat een ziel weerspiegelde die de hele ochtend met gedachten was bezig geweest en nu een poosje wilde uitrusten. Het was of mijn ziel door een innerlijke schok de genius schouwde, die zijn blik op mij richtte zonder mij te zien. Door de passiviteit van deze langdurige blik werd begrip opgewekt in mijn eigen blik, die de zielekracht van het oog mocht laten werken, zonder dat hij werd beantwoord.

Friedrich Nietzsche 1844-1900

En zo stond dit beeld voor mijn ziel: de ziel van Nietzsche als het ware zwevend boven zijn hoofd, grenzeloos schoon in het licht van haar geest; in vrijheid overgegeven aan geestelijke werelden waarnaar ze vóór de verduistering verlangde, maar die ze niet had gevonden; nog gebonden aan het lichaam, waarvan ze zich nog bewust was, zo lang de wereld nog een object van verlangen was. Nietzsches ziel was nog aanwezig, maar ze kon alleen nog maar van buitenaf het lichaam vasthouden, dat – zo lang de ziel in zijn innerlijk aanwezig was – haar tegenhield zich ten volle te ontplooien.

Voordien had ik de Nietzsche gelezen die geschreven had, nu schouwde ik de Nietzsche die in zich ideeën droeg die stamden uit ver verwijderde geestelijke gebieden en die nog een glimp van schoonheid uitstraalden, hoewel ze onderweg hun oorspronkelijke lichtkracht hadden verloren. Een ziel die uit vroegere aardelevens een rijkdom van stralend goud meebracht, dat hij echter in dit leven niet helemaal tot lichtkracht kon brengen. Ik bewonderde wat Nietzsche had geschreven, maar achter mijn bewondering schouwde ik nu een helder stralend beeld.

In mijn gedachten kon ik slechts stamelen over hetgeen ik geschouwd had; en dit stamelen is de inhoud geworden van mijn boek Nietzsche, ein Kämpfer gegen Seine Zeit. Dat het in dit boek slechts bij een dergelijk stamelen is gebleven, verbergt het echter toch ware feit dat het geïnspireerd is door het beeld van Nietzsche.

Bron: Rudolf Steiner – Mijn Levensweg – 1981 Uitgeverij Vrij Geestesleven – Vertaling: W.A.C. Labberté

Eerder geplaatst op 11 juni 2012

Geestelijke fijnproevers

We moeten niet vragen: Hoe kan ik snel allerlei occulte krachten in mij ontwikkelen? – of: Hoe kan ik mij afsluiten om maar niet met de werkelijkheid in aanraking te komen? – Wie zo vraagt, is een egoïst en niets anders als een geestelijke fijnproever. Als men alles wat geestelijk bevalt enkel wil genieten, dan gedraagt men zich alleen wat verfijnder dan een ander die met het fijnproeven bij het ontbijt begint. Bij wie de fysieke lust vergaan is, komen menigmaal de meer geraffineerde geestelijke gerechten. Men is op de juiste manier antroposoof als men zich moeite geeft het leven te begrijpen en te dienen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 96 – Ursprungsimpulse der Geisteswissenschaft – Berlijn 14 mei 1906 (bladzijde 68)

Eerder geplaatst op 12 juni 2012