Antipathie en karma (2) – De mensen gaan met veel meer haat door de wereld dan ze denken

In het volgende leven komt dan uit die haatgevoelens terug: het bedroevende gedrag van de omringende wereld, de onlust die daarvan het gevolg is, dus het tegendeel van vreugde. U zult zeggen: ‘We beleven zo veel verdriet, zou dat nu alles afkomstig zijn van grotere of minder grote haat uit een vorig leven? Ik kan me niet voorstellen, dat ik zo’n slecht mens ben geweest, dat ik zo veel gevoelens van onlust moet hebben, omdat ik zo veel gehaat heb.’ Zoiets kan men stellig zeggen. Als men op dit gebied onbevangen denken wil, moet men zich duidelijk voor ogen houden, hoe groot de illusie is, die men graag heeft en waar men zich ook snel aan overgeeft door zich wijs te maken, dat men geen antipathie voor andere mensen voelt. De mensen gaan met veel meer haat door de wereld dan ze denken of tenminste met veel meer antipathie. Het is nu eenmaal zo dat men zich van die haat niet bewust is, omdat hij een zekere bevrediging geeft; die bevrediging bedekt de haat. Pas als het leed van buitenaf op ons toekomt, wordt het als leed ervaren.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 235 – Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhänge – Erster Band – Dornach, 24 februari 1924 (bladzijde 73)

Nederlandse uitgave: Rudolf Steiner – GA 235 – Geesteswetenschappelijke beschouwingen van het karma (bladzijde 68-69) – Uitgeverij Vrij Geestesleven 1976 – Vertaald door A. Goedheer-de Keizer en H.L. Veltman-Arntzenius

Eerder geplaatst op 23 mei 2012

Antipathie en karma (1)

Laten we eens aannemen, dat iemand uit haat of antipathie zijn medemensen kwaad doet, men kan zich dat in allerlei graden voorstellen. Iemand kan uit een misdadig gevoel van haat zijn medemensen kwaad doen. Hij kan ook een criticus zijn – ik laat nu de tussenliggende graden weg -, om dat te zijn moet men altijd een beetje haten, als men tenminste geen prijzende criticus is – dat komt namelijk tegenwoordig zelden voor, omdat het niet interessant is de dingen te waarderen. Het wordt pas interessant, als men grappen over de dingen maakt, er zijn natuurlijk allerlei tussenvormen, maar het gaat hier om daden die uit koude antipathie – die zelfs tot haat kan worden – worden bedreven. Men is het zich zelfs vaak niet bewust, dat men het daarom doet. Alles wat tegen mensen of zelfs lagere wezens wordt gedaan, verandert in zielstoestanden, die ook gespiegeld worden tussen dood en volgende geboorte.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 235 – Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhänge – Erster Band – Dornach, 24 februari 1924 (bladzijde 72)

Nederlandse uitgave: Rudolf Steiner – GA 235 – Geesteswetenschappelijke beschouwingen van het karma (bladzijde 68) – Uitgeverij Vrij Geestesleven 1976 – Vertaald door A. Goedheer-de Keizer en H.L. Veltman-Arntzenius

Eerder geplaatst op 22 mei 2012

Er zijn zo veel gezondheden als er mensen zijn: voor ieder mens zijn individuele gezondheid

Een eeuwenoud gezegde is tot vandaag de dag vooral bij het gewone volk bewaard gebleven. Men zegt zo dikwijls dat wat de eenvoudige mens aan zulke gezegdes behouden heeft, heel vaak iets goeds bevat. – Ja, maar even vaak is het iets dat niet juist is! En zo is het ook met dit gezegde: Er zijn zo veel ziekten, maar slechts één gezondheid. – Dat is echter toch een dwaasheid. Er zijn zo veel gezondheden als er mensen zijn: voor ieder mens zijn individuele gezondheid. – Hiermee is al uitgesproken, dat alle algemene, stereotiepe regels, dit en dat is gezond voor de mensen, een onding is. Juist het deel der mensheid dat in de ban is van de gezondheidsmanie, lijdt het allermeeste onder de algemene voorschriften voor de gezondheid en onder het geloof dat er überhaupt iets zou zijn wat men algemeen als gezondheid zou kunnen aangeven en de mening, dit en dat moet men doen, dat is gezond. Het is ongelooflijk, dat niet wordt ingezien dat voor de ene mens zonnebaden gezond kan zijn, maar dat het echter niet gegeneraliseerd mag worden; het kan voor een ander zeer schadelijk zijn. In het algemeen geeft men dat toe, maar in de praktijk handelt men er niet naar. We moeten duidelijk inzien: Gezondheid is een relatief begrip, het is iets dat voortdurend verandering ondergaat, in het bijzonder voor de mens, die het gecompliceerdste wezen op de aardbol is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – Die Erkenntnis der Seele und des Geistes – München, 5 december 1907 (bladzijde 212-213)

Eerder geplaatst op 4 maart 2012

Charlatanerie, kwakzalverij

We zien hoe de lichtgelovigheid, zowel als het meest krasse bijgeloof zeer wijdverbreid is. Daarom zijn er wel nauwelijks twee andere dingen ter wereld die zo verbroederd zijn als geesteswetenschap en kwakzalverij. Als men die twee richtingen niet onderscheiden kan, als men alles op blind autoriteitsgeloof aanneemt, zoals al vele zaken naar hun aard op gezag moeten worden aangenomen, wat in de tegenwoordige tijd vaak het geval is, dan bevordert men wat terecht door serieuze waarheidszoekers wordt bekritiseerd: de charlatanerie, die zo zeer met de geesteswetenschap geassocieerd wordt. Men kan het begrijpelijk vinden dat iemand die niet in de positie is om de kwakzalver van de echte spirituele kenner te onderscheiden, dan de bedenking heeft dat alles charlatanerie is.

Bron: Rudolf Steiner:  GA 62 – Ergebnisse der Geistesforschung – Berlijn 31 oktober 1912 (bladzijde 34)

Eerder geplaatst op 20 mei 2012

In de lucht zwevende nonsens

De dwingende macht van vele meningen, welke men op grond van “vaststaande wetenschappelijke ervaringen” heeft opgebouwd, is voor menigeen zo groot dat hij totaal niet anders kan dan het in een boek als dit weergegevene voor in de lucht zwevende nonsens te houden. De schrijver hoeft zich hierover geen enkele illusie te maken. Het is immers begrijpelijk dat men er gemakkelijk toe zal komen om van iemand die spreekt over bovenzintuiglijke kennis, onweerlegbare bewijzen te verlangen voor wat hij aanvoert. Men vergeet echter daarbij te bedenken, dat men zich daarmee overlevert aan misleiding. Want men verlangt dan – weliswaar zonder er zich bewust van te zijn – niet de op de zaak zelf betrekking hebbende bewijzen, maar bewijzen welke men zelf als juist erkennen wil of tot het erkennen waarvan men in staat is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 9 – Theosophie (bladzijde 4)

Nederlandse uitgave: Theosofie (bladzijde 15) – Vertaling H.G.J. de Leeuw

Eerder geplaatst op 19 mei 2012

Illusies en Waanvoorstellingen

Dat is de karakteristieke eigenschap van waanvoorstellingen, van illusies, dat de erdoor getroffenen (Duits: Befallenen) er een overweldigend geloof aan ontwikkelen. Er is niets moeilijker dan iemand, die illusies heeft – het hoeven niet eens hallucinaties, maar enkel gewone waanvoorstellingen, paradoxale ideeën te zijn -, zulke voorstellingen uit het hoofd te praten. Als bijvoorbeeld een mens op ziekelijke wijze het idee in zich ontwikkelt dat hij door andere mensen achtervolgd wordt, dan is het geweldig moeilijk door louter overreding hem van dit idee af te helpen en het komt voor, dat zo iemand de meest wonderlijke, logische gedachtenconstructies opbouwt om te bewijzen hoe juist het is wat hij aan dergelijke waanideeën heeft. De mens kan bezeten raken van wat zo over hem komt, en rotsvast gelooft hij aan de objectieve werkelijkheid van zulke ideeën.

Bron: Rudolf Steiner – GA 62 – Ergebnisse der Geistesforschung – Berlijn, 21 november 1912 (bladzijde 127-128)

Eerder geplaatst op 18 mei 2012

Feiten kan men niet bewijzen  

Feiten kan men niet bewijzen, men kan ze slechts beleven. Daarmee is iets buitengewoon belangrijks gezegd over de logica, maar men moet zich eerst van dit belangrijke overtuigen. Als het nooit ter wereld zou zijn gebeurd, dat iemand een walvis gezien zou hebben, dan zou niemand kunnen bewijzen dat een walvis bestaat. Uit alle kennis die hij heeft zou hij nooit het bestaan van een walvis kunnen bewijzen, want een walvis is een feit en feiten kan men niet bewijzen, maar kan men alleen ervaren.

Bron: Rudolf Steiner – GA 62 – Ergebnisse der Geistesforschung – Berlijn, 7 november 1912 (bladzijde 64)

Eerder geplaatst op 17 mei 2012