Beschermengel

De dichtsbijstaande leidende wezens die de mensen begeleiden om vanuit de krachten van het devachan aan de omvorming van de aarde mee te werken, die de overeenstemming scheppen tussen de afzonderlijke menselijke individualiteiten en de evolutie van de aarde, deze geestelijke wezens zijn de engelen. […]

Inderdaad is het zo, dat met iedere menselijke individualiteit zo’n engelwezen werkt, welke de mens stuurt en begeleidt. […] 

Daarom spreekt men in een deel van de christelijke leer van de menselijke beschermengelen. Dat is een voorstelling die volkomen overeenstemt met de werkelijkheid. Het zijn de wezens die de harmonie scheppen tussen de afzonderlijke menselijke individualiteit en de loop van de aardeontwikkeling, tot de mens zelf aan het einde van de aardeontwikkeling zo ver zal zijn dat hij zijn engel aflossen kan, omdat hij dan zelf een dergelijk bewustzijn zal hebben, als een engel het heeft.

Bron: Rudolf Steiner – GA 102 – Das Hereinwirken geistiger Wesenheiten in den Menschen – Berlijn, 20 april 1908 (bladzijde 141-142)

Eerder geplaatst op 20 juni 2015  (3 reacties)

Groepszielen

Uit de voordrachten die hier de afgelopen tijd zijn gehouden, kunt u opmaken dat wanneer we helderziend opklimmen van het fysieke plan naar de hogere werelden, we daar wezens aantreffen die weliswaar niet tot onze fysieke wereld behoren, maar die als wezens van de hogere werelden op zichzelf staande wezens zijn, zodat we ze voor die werelden kunnen kenschetsen als personen, evenzo als wij de mensen hier op het fysieke gebied personen noemen. 

U hebt gezien dat hele gelijk of gelijksoortige gevormde groepen van dieren bij elkaar behoren bij een groepsziel of een groeps-Ik, en dat we de leeuwenziel, de tijgerziel en andere groepszielen van dieren als op zichzelf staande (Duits: abgeschlossene) personen op het astrale gebied treffen, die we daar kunnen ontmoeten als we – triviaal gesproken – op het astrale gebied gaan wandelen, net zoals we hier de mensen van de fysieke wereld kunnen ontmoeten.

Eveneens vinden we in nog hogere regio’s, op het Devachan-plan, het Ik van hele plantengroepen, en in de hoogste delen van het Devachan vinden we het Ik van mineralen als gesloten persoonlijkheden, zoals het hier de mensen op het fysieke gebied zijn. Hieruit zien we dat we in deze hogere werelden bepaalde wezens vinden die, om zo te zeggen hun organen, hun individuele wezensdelen uitstrekken tot in de fysieke wereld.

Als de mens zijn vingers zou tonen door ze door een gordijn of door een papieren wand, waarin een gat is, te steken, dan zouden we alleen de tien vingers van de mens zien; hij zelf zou achter de muur zijn. Zo is het ook met het groeps-Ik van de dieren. We zien hier met de fysieke ogen wat zich door hogere wezens van het astrale plan als ledematen uitstrekt, en het echte Ik bevindt zich achter de wand – achter de wand die de fysieke wereld scheidt van het astrale.

meerdere-dieren-maanBron: Rudolf Steiner – GA 102 – Das Hereinwirken geistiger Wesenheiten in den Menschen – Berlijn, 6 januari 1908 (bladzijde 13-14)

Logisch denken

Parallel met de occulte scholing gaat een zekere scholing van het denken samen, zonder welke men zo’n spirituele scholing niet kan doormaken. Dat komt doordat het denken een eigenschap heeft, die de andere dingen niet hebben. Zijn we bijvoorbeeld op het fysiek-zintuiglijk gebied, dan nemen we met de fysieke zintuigen waar wat zich op het zintuiglijk gebied bevindt, niets anders. Op het zielsgebied (Astralplan) gelden de astrale waarnemingen, en het geestelijke (devachanische) horen geldt alleen in het geestesgebied (Devachan); kort gezegd, ieder gebied heeft zijn eigen waarnemingen. Maar een ding loopt door alle werelden heen en dat is het logisch denken. De logica is hetzelfde op alle drie gebieden. En dus kan men op het fysiek-zintuiglijk gebied iets leren, wat ook voor de hogere gebieden geldigheid heeft. […] In het eigen scherpe denken heeft men de zuiverste innerlijke gids. Dan is de goeroe alleen nog een vriend van de leerling, die raadgevingen geeft, want de beste goeroe vormt men in zichzelf met het eigen verstand.

Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor dem Tore der Theosophie – Stuttgart, 2 september 1906 (bladzijde 121-122)

Zie ook: Eén ding is hetzelfde voor alle werelden

Eerder geplaatst op 10 januari 2015

Hoe lang verblijven wij in het devachan?  

Niet voor alle mensen is de tijd gelijk, die ze in het devachan (hemelwereld, godenland) doorbrengen. De ongevormde wilde, die nog weinig van deze wereld ervaren heeft, die slechts weinig zijn geest en zijn zintuigen gebruikt heeft, zal slechts een kort verblijf in het devachan hebben. Het devachan is er in wezen voor om wat de mens in de materiële wereld heeft geleerd, uit te werken, vrij te ontplooien, het geschikt te maken voor nieuwe ervaringen. De mens die op een hogere trap van het bestaan staat, die rijke ervaringen opgedaan heeft, zal veel te verwerken hebben en daarom een lang verblijf in het devachan hebben. Pas later, als hij in deze toestanden kan schouwen (als ingewijde), worden de verblijven korter tot aan het punt waar het wezen direct na de dood naar een nieuwe belichaming kan gaan, omdat de mens dat wat in het devachan is uit te leven, al uitgeleefd heeft. […]

De tijd die de mens in de hemelwereld doorbrengt, kan men ongeveer vinden als men de aardse levensloop van de mens, dus de tijd tussen geboorte en dood, vermenigvuldigt met een getal, dat tussen de twintig en veertig ligt. Wie een lang leven heeft, heeft lange en belangrijke situaties in het devachan te doorlopen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 53 – Ursprung und Ziel des Menschen – Berlijn, 17 november 1904 (bladzijde 160-161 en 163)

 Eerder geplaatst op 31 december 2014

Zo gij niet wordt gelijk de kinderkens…

De mens doorloopt de tijd in het kamaloka – ongeveer een derde van de tijd in het afgelopen aardeleven neemt het in beslag – in teruggaande richting. Stel, een mens overlijdt in zijn veertigste jaar, dan doorloopt hij alle gebeurtenissen, die hij in zijn leven heeft doorgemaakt, in omgekeerde volgorde. Dus eerst beleeft hij de tijd van zijn negenendertigste jaar, dan komt het achtendertigste, zevenendertigste jaar en zo verder in de reeks. Het is dus werkelijk zo dat hij het leven omgekeerd doorloopt tot aan het moment van de geboorte. Daaraan ligt de mooie zin van de christelijke boodschap ten grondslag, die zegt wanneer eigenlijk de mens binnentreedt in de geestelijke wereld of in het hemelrijk: ‘Zo gij niet wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.’ (Matthéus 18:3) Dat betekent dat de mens terug leeft tot in de tijd van zijn kinderjaren, en dan kan hij, nadat hij alles in teruggaande volgorde heeft doorlopen, in het devachan of het hemelrijk binnengaan en zijn verdere tijd in de geestelijke wereld doorbrengen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 107 – Geisteswissenschaftliche Menschenkunde – Berlijn, 26 januari 1909 (Bladzijde 206)

Eerder geplaatst op 6 november 2014