Gezond verstand en moraal

Evenals de natuur er voor moet waken dat het kind ter wereld komt met welgevormde ogen en oren, evenzo moeten de wetten der menselijke zelfontwikkeling zorg dragen dat ‘s mensen hoger Zelf met de vereiste vermogens in het leven treedt. Deze wetten nu, die de vorming van de hogere geestesorganen zelf regelen, zijn identiek met de wetten van gezond verstand en moraal in de stoffelijke wereld. Gelijk het kind in de schoot der moeder rijpt in het stoffelijke Zelf de geestelijke mens. De gezondheid van het kind is afhankelijk van een normale werking in het moederlijk lichaam. De gezondheid van de geestelijke mens is op dezelfde wijze gebonden aan de wetten van het gewone verstand en de in het fysieke leven heersende rede. Niemand kan een gezond hoger zelf het aanzijn schenken, tenzij hij gezond denkt in de stoffelijke wereld. Een leven, dat natuur en rede recht doet wedervaren, vormt de grondslag voor alle geestesontwikkeling.

Bron: Rudolf Steiner – GA 10 – WIE  ERLANGT  MAN  ERKENNTNISSE DER  HÖHEREN  WELTEN? (bladzijde 155)

Nederlandse vertaling uit Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden – vierde druk (bladzijde 133-134) – Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist

gezond-verstand

Eerder geplaatst op 6 december 2020

Niet een vlucht

We moeten spirituele wetenschap niet in ascetische zin opvatten, niet als een vlucht uit de fysieke wereld; maar alles, wat hier gebeurt, wordt meegenomen uit de fysieke wereld en het zou voor de geestelijke wereld verloren gaan, als het niet hier verzameld zou worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 102 – Das Hereinwirken geistiger Wesenheiten in den Menschen – Berlijn, 4 juni 1908 (bladzijde 210)

Eerder geplaatst op 4 oktober 2017  (2 reacties)

dded2bb2acc255e911c54aae3323efb5-1

Waartoe dit alles?

Waar dienen ze uiteindelijk voor, alle beschouwingen die wij houden over de hogere werelden? Als we het hebben over de astrale wereld, over de devachanische wereld, hoe praten we er dan over als deelgenoten (Duits: Angehörige) van de fysieke wereld?

We spreken over deze hogere werelden helemaal niet vanuit het bewustzijn alsof ze voor ons volkomen vreemde werelden zijn, die geen enkele connectie hebben met de fysieke wereld, maar we zijn ons ervan bewust dat wat we hogere werelden noemen om ons heen is, dat we daarin leven en dat deze hogere werelden inwerken op onze fysieke wereld, dat in de hogere werelden de basis en de oorzaken liggen voor feiten die hier plaatsvinden voor onze fysieke ogen, voor onze fysieke zintuigen.

Daarom leren we dit leven, zoals het om ons heen is, wat betreft de mens en natuurlijke verschijnselen pas kennen, wanneer we het onzichtbare dat zich openbaart in het zichtbare zien, wanneer we kijken naar wat tot andere werelden behoort, om te kunnen beoordelen hoe het onze fysieke wereld beïnvloedt. Normale en abnormale verschijnselen van het gewone fysieke leven worden ons pas duidelijk als we het geestelijke leven dat achter het fysieke is leren kennen, dit geestelijke leven dat veel rijker en uitgebreider is dan het fysieke leven, dat er maar een klein deel van is.

Source: Rudolf Steiner – GA 107 – Geisteswissenschaftliche Menschen- kunde: Die astralische Welt – Berlijn, 19 oktober 1908 (blz. 11)

Beeld en Wezen

Ons ware innerlijke zelf nemen we in feite helemaal niet vanuit de geestelijke wereld mee in deze fysieke aardse wereld. We laten het altijd achter in de geestelijke wereld. Het was in de geestelijke wereld voordat we afdaalden naar het aardse bestaan. Het is weer in de geestelijke wereld tussen in slaap vallen en wakker worden. Het blijft altijd in de geestelijke wereld. Als we overdag het huidige bewustzijn als mens hebben en onszelf een ‘ik’ noemen, is dit woord ‘ik’ een verwijzing naar iets wat niet aanwezig is in deze fysieke wereld, dat alleen zijn beeld heeft in deze fysieke wereld.

En we bekijken onszelf niet juist als we zeggen: Ik ben deze robuuste persoon op aarde, ik sta hier met mijn ware wezen, maar we bekijken ons pas juist als we zeggen: Ons ware wezen is in de geestelijke wereld. Wat hier op aarde van ons is, is een beeld, werkelijk een beeltenis van onze ware wezen. – Het meest juiste is dat wat hier op aarde is helemaal niet te zien als de werkelijke mens, maar als het beeld van de werkelijke mens.

Bron: Rudolf Steiner – GA 228 – Initiationswissenschaft und Sternenerkenntnis – Londen, 2 september 1923 (bladzijde 69)

Niet zo onpraktisch en wereldvreemd als het lijkt

Doordat de mens zich geheel op de fysieke wereld richtte, heeft deze zijn gehele interesse in beslag genomen. Dat was een noodzakelijke ontwikkelingsfase. Tegenwoordig meent de mens vaak: Als ik mij alleen maar inspan hier op aarde goed te leven, dan zal ik na mijn dood wel ervaren, wat er dan te beleven is (Duits: wie es dann beschaffen ist). – Dat lijkt heel logisch, is echter geheel en al onjuist. Doordat men hier voor het geestelijke onverschillig is, weeft men een sluier om zich heen, zodat men juist na de dood niets zal zien. Het denken over de bovenzinnelijke wereld is dus niet zo onpraktisch en wereldvreemd als het zou kunnen lijken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 266a – Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Stuttgart, 16 augustus 1908 (bladzijde 420)

Eerder geplaatst op 14 juli 2015 (8 reacties)

Zie ook: Blind na de dood-1  en  Blind na de dood-2