Herinneringen verdwijnen, de vruchten blijven als vermogens en bekwaamheden

De indrukken, welke een mens uit ondervonden belevenissen verkrijgt, verdwijnen geleidelijk uit zijn geheugen, echter niet de vruchten ervan. Men behoudt geen herinnering aan alle ervaringen die men als kind heeft gehad bij het leren lezen en schrijven. Maar men zou in het geheel niet kunnen lezen en schrijven als men deze ervaringen niet zou hebben gehad en als haar resultaten niet behouden zouden zijn gebleven in de vorm v.an bekwaamheden. 

En dat is de omvorming welke de geest met de schatten van het geheugen bewerkstelligt. Hij laat alles wat kan leiden tot het vormen van beelden van op zichzelf staande gebeurtenissen aan zijn eigen lot over en put er slechts de kracht uit om zijn bekwaamheden te vergroten. Daarom is het zeker dat geen enkele belevenis onbenut voorbij gaat: de ziel behoudt de herinnering er aan en de geest en de geest onttrekt er datgene aan wat kan dienen om zijn capaciteiten te vergroten, zijn levensinhoud te verrijken. De menselijke geest groeit door het verwerken van hetgeen beleefd wordt.

Al kan men dus de ervaringen uit het verleden in de geest niet, gelijk in een schatkamer, terugvinden, men bespeurt hun uitwerking in de vermogens welke een mens zich heeft eigen gemaakt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 9 – THEOSOPHIE – Einführung in  übersinnliche  Welterkenntnis und  Menschenbestimmung (blz. 30-31)

Uit de vijfde druk van THEOSOFIE (blz. 64-65). Vertaling H.G.J. de Leeuw

528x840

Ervaringen en genietingen

Wanneer de mens afdaalt om zich op de aarde te incarneren, wordt hij gedreven door zijn eigen verlangen en dit verlangen heeft een goede reden. Het is de bedoeling om te leren. We leren door al onze ervaringen en we verrijken onze schat aan ervaringen. Maar opdat de mens op de aarde leren kan, wordt hij noodzakelijkerwijs door het zintuiglijk genieten aangetrokken.

Wanneer nu de ziel, na de dood op het astrale gebied aangekomen, haar leven in teruggaande volgorde doorleeft, gaat het er integendeel om het zintuiglijk genot achter zich te laten en enkel de ervaringen te verwerken. Haar doorgang door het astrale gebied is dus een zuivering, door welke zij de hang naar fysiek-zintuiglijke genietingen verliest.

Bron: Rudolf Steiner – GA 94 – Kosmonogie – Parijs, 2 juni 1906 (bladzijde 63)

Anna_Eunike

Anna Eunike (1853 – 1911) eerste echtgenote van Rudolf Steiner.

Eerder geplaatst op 21 februari 2017

Mannelijk en vrouwelijk

Talloze verschijnselen van het leven zullen ons duidelijk worden, als we het menselijk wezen uit twee samenwerkende polen denken, de mannelijke pool naar buiten, de vrouwelijke naar binnen bij de man, bij de vrouw de vrouwelijke pool naar buiten, de mannelijke naar binnen. 

De geesteswetenschap toont ons echter ook de diepere reden, waarom zich in het mannelijke het vrouwelijke en in het vrouwelijke het mannelijke bevindt. Geesteswetenschap spreekt ervan dat de mens door vele levens gaat naar steeds hogere volkomenheid. Het huidige leven is altijd het resultaat van vorige levens. En doordat de mens door vele levens schrijdt, gaat hij ook door mannelijke en vrouwelijke belichamingen. Zo drukt zich dus wat zo gebeurt de werking uit van wat we aan ervaringen, belevenissen vanuit beide kanten als mensen op aarde meemaken kunnen. 

Wie zoals het hier beschreven is, naar het mannelijk en het vrouwelijk wezen kan zien, weet dat de fijnere belevenissen van de beide geslachten heel anders, zeer verschillend zijn moeten. Ons hele leven op aarde is een verzameling van de meest uiteenlopende gebeurtenissen en ervaringen. Alzijdig kunnen deze belevenissen en ervaringen alleen worden doordat de mens deze belevenissen en ervaringen van beide geslachten uit meemaakt. […] Zolang men echter alleen het fysieke lichaam erkent, kan iets zinnigs niet voor de dag komen. Men moet het geestelijke kennen dat er achter is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – Die Erkenntnis der Seele und des Geistes – München, 18 maart 1908 (bladzijde 94-95)

Eerder geplaatst op 25 maart 2015

Hoe lang is het verblijf in het devachan?

De tijd die mensen in het devachan (Geisterland, woonplaats der goden) verblijven is niet voor iedereen gelijk. De onontwikkelde inboorling die nog weinig van deze wereld heeft ervaren, die slechts weinig zijn geest en zijn gevoel heeft gebruikt, zal een kort verblijf in het devachan hebben. Het devachan is immers in wezen ervoor om wat een mens in de aardse wereld geleerd heeft, uit te werken, vrij te ontplooien, het geschikt te maken voor een nieuw leven. De mens die op een hogere trap van het bestaan staat, die rijke ervaringen heeft verzameld, die zal veel te verwerken hebben en daarom een langer verblijf in het devachan hebben. Pas later, als hij in deze toestand kan zien (hineinschauen), zullen de verblijftijden weer korter zijn tot het punt, waar het wezen meteen na de dood weer naar een nieuwe belichaming kan overgaan, omdat de mens datgene wat hij in het devachan heeft te beleven, al uitgeleefd heeft.

Bron: Rudolf Steiner – GA 53 – Ursprung und Ziel des Menschen – Grundbegriffe der Geisteswissenschaft – Berlijn, 17 november 1904 (bladzijde 160-161)

Eerder geplaatst op 17 juni 2014