Zintuiglijke waarneming / Bovenzintuiglijke waarneming

Het bewust zijn van de wereld om ons heen hangt af van welke capaciteiten en organen we hebben om ze waar te nemen. Als we andere organen zouden hebben, dan zou de wereld voor ons totaal anders zijn. Als de mens bijvoorbeeld geen ogen zou hebben om het licht te zien, maar een orgaan waardoor hij bijvoorbeeld de elektriciteit zou kunnen waarnemen, dan zou hij deze ruimte niet als helder en licht waarnemen, maar hij zou in de draden die in de kamer zijn de elektriciteit zien stromen; dan zou hij het overal zien trillen, flitsen en stromen. Wat we onze wereld noemen, is dus afhankelijk van onze zintuigen. 

Evenzo is de astrale wereld niets anders dan een som van verschijnselen die de mens om hem heen ervaart wanneer hij gescheiden is van zijn fysieke lichaam en etherlichaam, en hij de krachten in hem kan gebruiken om waar te nemen van wat hij anders niet kan zien. Dat is ook het geval wanneer hij het fysieke lichaam en het etherische lichaam heeft afgelegd (bij de dood). De waarnemingsorganen voor de astrale wereld zijn de organen van het astrale lichaam, analoog aan de zintuigen voor het fysieke lichaam.

Bron: Rudolf Steiner – GA 100 – Menschheitsentwickelung und Christus-Erkenntnis / Theosophie und Rosenkreuzertum – Kassel, 19 juni 1907 (bladzijde 48)

Over opvoeding in de eerste zeven levensjaren

Hoe werkt men in de eerste zeven levensjaren het beste op een mens in? Doordat men de zintuigen vormt. Alles wat van buiten op de zintuigen inwerkt, is van belang. Alles wat de mens in de eerste zeven jaren ziet en hoort, werkt op hem door de zintuigen. Maar niet door leerstof of mondelinge belering werkt men op de zintuigen, maar door het voorbeeld. Men moet het kind iets bieden voor zijn zintuigen; dat is belangrijker dan al het andere in de eerste zeven jaar. Het kind ziet hoe de mensen in zijn omgeving zich gedragen, dat ziet het met zijn ogen. Aristoteles zegt terecht: De mens is de meest imiterende van de levende wezens. – Vooral de eerste zeven jaar is dat het geval. Nooit meer is de mens zo zeer toegankelijk voor nabootsing als in de eerste zeven jaar. […]

Zeer belangrijk is het, dat de mens juist in deze tijd door edele, grootmoedige en hartelijke mensen met goede gedachten is omgeven. Deze vormen de in het innerlijk werkende wezensdelen. Het voorbeeld dus, ook in gevoelens en gedachten, is het belangrijkste opvoedingsmiddel. Niet wat men zegt, maar hoe men is, werkt in de eerste zeven jaren op het kind in. Wegens de ongemene subtiliteit van deze wezensdelen moet de omgeving van het kind zich van alle onreine, immorele gedachten en gevoelens onthouden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor dem Tore der Theosophie – Stuttgart, 27 augustus 1906 (bladzijde 55-56)

Eerder geplaatst op 9 februari 2015

Hier in de fysiek-zintuiglijke wereld is de vervolmakingplaats (2 van 3)

De mens moet steeds opnieuw door geboorte en dood gaan tot hij zijn volle mate van rijpheid heeft bereikt om dan zijn entree te verkrijgen in het geestelijke rijk zelf, zodat hij geen fysieke organen meer behoeft. Daarom moeten we inzien dat alles wat onze ogen en oren en de andere zintuigen hier verrichten, bekwaamheden zijn voor het hogere leven. Zeker, we hebben er vaak over gesproken dat de mens de hogere zintuigen moet ontwikkelen, dat hij de chakra’s of hogere organen moet vormen, die hem in staat stellen in de geestelijke wereld te komen en te zien. Maar waardoor verkrijgt hij deze hogere vermogens? Door zijn werk hier op het aardse plan. Hier is de voorbereidingsplaats daartoe. Wat wij hier werken, dat bereidt ons de organen voor een hogere wereld voor.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 94 – Das Johannes-Evangelium – Berlijn, 5 maart 1906 (bladzijde 213)

Eerder geplaatst op 12 januari 2016

Helderziend verleden/Duister heden/Helderziende toekomst

Het vermogen tot kennis-opnemen heeft zich in de mensheid geleidelijk ontwikkeld. We hebben er steeds weer op gewezen, dat in de Atlantische tijden een groot deel der mensen helderziende was en waar kon nemen in de geestelijke wereld en dat er nog resten van die helderziendheid in later tijden bewaard zijn gebleven. Als we zouden onderzoeken in de oud-Indische, oud-Perzische, Egyptisch-Chaldeïsche tijden, ja, zelfs in de Grieks-Romeinse tijd, dan zouden we vele mensen vinden –véél meer, dan men nu zou denken- die nog erfelijk helderziend waren en die in de astrale wereld konden waarnemen, die de geheimen van het bestaan konden schouwen.

De mens moest echter leren kennis te vergaren, die voerde tot uitsluitend zintuigelijke kennis, die dus wordt verworven door de zintuigen en de vermogens, die daarmee samenhangen. De mens moest, om zo te zeggen, volkomen loskomen van de geestelijke wereld en komen tot waarneming door de zintuigen en tot logisch denken. De mens moest opstijgen tot niet-helderziend waarnemen, omdat hij pas na het volledig beheersen hiervan, in de toekomst weer tot helderziendheid moest worden gebracht, maar dan zo, dat zich de zintuiglijk-verstandelijke verworvenheden combineerden met deze nieuwe helderziendheid.

In die tijd leven we nu. We zien terug op een verleden, waarin de mens helderziend was en we hebben voor ons een toekomst, waarin hij weer helderziend zal worden. In deze tussentijd is het merendeel der mensen aangewezen op wat ze met hun zintuigen waarnemen en met hun verstand en hun denken begrijpen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 114 – Das Lukas-Evangelium – Bazel, 16 september 1909 (bladzijde 39-40)

Eerder geplaatst op 1 juli 2013

Weten na de dood

Er zijn velen die geloven dat men slechts door de poort van de dood hoeft te gaan om alles te ervaren wat op de aarde met grote moeite door geesteswetenschap bereikt kan worden. Deze mensen geloven ook dat iemand alleen maar hoeft te sterven om na de dood het gehele occulte weten te kunnen verwerven, omdat hij dan in de geestelijke wereld zal zijn. Maar dit is niet het geval.

Net zoals er hier op aarde andere wezens dan de mensen zijn, zoals het bijvoorbeeld met dieren het geval is, die alles zien wat de mens door zijn zintuigen kan zien, terwijl het hen niet mogelijk is zich daarover ideeën en begrippen te vormen, zo is het met de zielen die in de bovenzinnelijke werelden leven, die – hoewel ze de wezens en feiten van de hogere geestelijke wereld zien -, zich geen begrippen en ideeën daarover kunnen vormen, als de mensen hier op aarde niet zulke begrippen en ideeën in de Akashakroniek inschrijven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 152 – Vorstufen zum Mysterium von Golgatha – Londen, 1 mei 1913 (bladzijde 14)

Eerder geplaatst op 31 december 2016