Vrees en angst voor het onbekende

Wie angstig en bevreesd vooruit kijkt naar wat de toekomst hem brengen kan, die belemmert zijn ontwikkeling, remt de vrije ontplooiing van zijn zielekrachten. Niets is eigenlijk zo belemmerend voor deze vrije ontplooiing van de zielekrachten als de vrees en angst voor het onbekende, dat uit de stroom van de toekomst de ziel nadert (Duits: in die Seele hereintritt). Wat de overgave (Duits: Ergebenheit) aan de toekomst kan brengen, daarover kan eigenlijk alleen de ervaring oordelen. Wat is overgave aan de toekomstige gebeurtenissen? 

In zijn ideale vorm zou deze overgave de zielestemming zijn die zich altijd zou kunnen zeggen: Wat ook komt, wat me ook het volgende uur, de volgende morgen brengen mag, ik kan het vooreerst, als het mij geheel onbekend is, door geen vrees en angst veranderen. Ik wacht het met volkomen innerlijke rust, met volkomen gemoedskalmte af!

De ervaring die uit een dergelijk gevoel van overgave aan de toekomstige gebeurtenissen volgt, is dat degene die zo gelaten, met volmaakte stilte van het gemoed de toekomst tegemoet gaan kan en toch zijn energie, zijn daadkracht op geen enkele manier eronder lijden laat, de krachten van zijn ziel op de meest intensieve wijze, op de meest vrije wijze kan ontplooien. Het is alsof als het ware hindernis na hindernis van de ziel valt, als ze steeds meer en meer in die stemming komt, die nu als “overgave” aan de ons uit de toekomst toestromende gebeurtenissen gekarakteriseerd is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 59 – Metamorphosen des Seelenlebens / Pfade der Seelenerlebnisse: Zweiter Teil – Berlijn, 17 februari 1910 (bladzijde 114-115)

Eerder geplaatst op 3 januari 2018  (1 reactie)

faith-4932875_1920-1030x687

Egoïsme / Zielekracht

Een mens kan niet sterk en krachtig worden wanneer hij van de morgen tot de avond zit te piekeren: Wat moet ik nu denken? Wat moet ik nu doen? Wat doet mij nu weer pijn? enzovoort, maar wel wanneer hij op zijn hart laat inwerken wat er in zijn omgeving aanwezig is aan schoonheid en grootsheid, wanneer hij begrip en belangstelling heeft voor alles wat andere harten in gloed zet of wat andere mensen moeten ontberen. Wanneer we die gevoelens in  ons laten opstijgen, waardoor wij komen tot begrip voor en deelname aan de wereld om ons heen, brengen wij in onszelf levenskrachten in de gevoelswereld tot ontwikkeling. Dan overwinnen wij het kleinzielige egoïsme en verhogen en verrijken ons ik, doordat we het in harmonie brengen met onze omgeving. […] 

Zolang de mens alleen voor zichzelf kan willen, zolang zijn wilsimpulsen alleen nastreven wat bevorderlijk is voor zijn eigen wezen, zal hij zich steeds onbevredigd voelen. Pas wanneer hij in de buitenwereld het spiegelbeeld van zijn wilsimpulsen ziet, wanneer zich daar de verwerkelijking van zijn wilsimpulsen afspeelt, kan hij zeggen dat hij zijn willen in harmonie heeft gebracht met wat er in zijn omgeving gebeurt. Dan is het inderdaad zo, dat onze eigen sterkte en kracht niet tot ontwikkeling gebracht worden door wat wij voor onszelf willen, maar dat wij willen voor de omgeving, voor de andere mensen; dat onze wil zich verwerkelijkt en als spiegelbeeld weer tot ons terugkeert. Zoals het licht het oog in ons tevoorschijn heeft geroepen, zo doet onze zielekracht zich in ons ontstaan uit de wereld van onze daden, van ons werken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 58 – Metamorphosen des Seelenlebens/Pfade der Seelenerlebnisse – Erster Teil – Berlijn, 25 november 1909 (bladzijde 235-236)

Vertaling door Margreet Meijer-Kouwe, overgenomen uit Metamorfosen van het zieleleven – Uitgeverij Vrij Geestesleven / Tweede druk 1985 (bladzijde 136-137)

Eerder geplaatst op 27 december 2017

Metamorfosen-van-de-ziel

Door alleen maar aanschouwelijk onderwijs worden de zielekrachten vaak dodelijk verminkt

Men behoeft slechts met een beetje gezond verstand enkele details in het moderne onder­wijs te bekijken en men zal in beeld krijgen waardoor een vrucht­bare ontwikkeling wordt verhinderd. Bedenkt u maar eens dat juist de mensen die menen recht van spreken te hebben als het over opvoedingsvraagstukken gaat, steeds opnieuw her­halen dat al het onderwijs, vanaf de laagste klassen, aanschou­welijk moet zijn, of wat men aanschouwelijk noemt. Ik heb u al vaker verteld hoe men bijvoorbeeld het rekenonderwijs aan­schouwelijk wil maken: door rekenmachines te gebruiken!

Men vindt het van groot belang dat het kind in zekere zin alles al kan bekijken en zich daarna vanuit dit zien voorstellingen van­uit het eigen innerlijk van de ziel vormt. Deze nadruk op aan­schouwelijkheid in de opvoeding is in zeer veel gebieden van de pedagogie terecht maar dwingt ons toch om de vraag te stellen: wat komt er van een mens terecht wanneer hij alleen maar aanschouwelijk onderwijs krijgt? Dan verdort zijn ziel, dan sterven de innerlijke impulsen van de ziel en verbindt de gehele mens zich met de zichtbare menselijke omgeving.

En datgene wat vanuit het innerlijk van de ziel zou moeten ontspruiten, wordt geleidelijk gedood. Juist vanwege de aan­schouwelijkheid van het tegenwoordige onderwijs worden de zielekrachten vaak dodelijk verminkt. Men weet natuurlijk niet dat men de ziel doodt maar men doodt haar werkelijk. De ge­volgen daarvan zijn – ik heb dat vanuit andere gezichtspunten al genoemd – aan de mensen van onze tijd te ervaren. Hoe­veel moderne mensen zijn niet eigenlijk probleemmensen? Hoe­veel mensen uit onze tijd blijken op latere leeftijd onmachtig om datgene uit hun innerlijk te halen wat hen in moeilijke tij­den troost en hoop zou kunnen bieden en wat hen in staat zou stellen de verschillende situaties in het leven aan te kunnen? Wij zien in deze tijd veel mensen die gebroken zijn en ook zelf hebben wij het bij tijd en wijle niet al te makkelijk. Dat hangt allemaal samen met de gebreken van onze manier van opvoeden en vooral met de gebreken van de leraren­opleiding.

Bron: Rudolf Steiner – GA 296 – Die Erziehungsfrage als soziale Frage – Dornach, 15 augustus 1919 (bladzijde 68-70)

Eerder geplaatst op 7 oktober 2016  (3 reacties)

Ook te vinden in het boek Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave (bladzijde 79-80). Vertaling John Hogervorst en Hanneke Nelemans.

Wat het oog ziet, is van groot gewicht

Veel mensen geloven dat het materialisme van onze moderne tijd voortkomt uit het feit dat zo veel materialistische geschriften gelezen worden. Maar de occultist weet dat dit slechts een geringe invloed heeft. Wat het oog ziet, is van veel groter gewicht, want het heeft invloed op processen in de ziel, die min of meer in het onbewuste verlopen. Dit heeft een bij uitstek praktisch belang. […]  Waar in de uiterlijke vorm ziel is, daar stromen ook de zielekrachten over op wie het ziet en bekijkt. […] De antroposofische opvoedkunst zal er opmerkzaam op maken dat wat het oog ziet, de mensen diep beïnvloedt. […] De geesteswetenschapper weet hoeveel ervan afhangt in wat voor vormenwereld de mens leeft. […]

Rondom het midden van de Middeleeuwen ontstond langs de Rijn die merkwaardige religieuze beweging die men de Duitse Mystiek noemt. Een ontzaglijke verdieping en verinnerlijking ging van de leidende geesten van de christelijke mystiek uit, van Meester Eckhart, Tauler, Suso, Ruysbroek en anderen, die men “papen” noemde. In de dertiende en veertiende eeuw had de naam “paap” nog niet de betekenis van tegenwoordig, het was nog iets eerbiedwaardigs. Men noemde de Rijn in die tijd de “grote papensteeg van Europa”. En weet u waar deze grote verdieping en verinnerlijking van het menselijk gemoed, deze vrome gevoelens, die een innige vereniging met de goddelijke wezenskrachten zochten, opgewekt zijn? Ze zijn opgewekt in de gotische kathedralen met hun spitse gewelven, pilaren en zuilen. Dat heeft deze zielen opgevoed. Zo sterk werkt het wat wordt gezien. Wat de mens ziet, wat in zijn ziel gegoten is vanuit zijn omgeving, dat wordt in hem een kracht. Daarnaar vormt hij zichzelf – tot in zijn volgende incarnatie. […]

Een bouwstijl wordt niet uitgevonden, hij wordt in een tijd geboren vanuit de grote gedachten van de ingewijden; zij laten het instromen in de wereld. De bouwwerken ontstaan, ze werken op de mensen; de menselijke zielen nemen in zich iets op van de in deze vormen levende spirituele kracht. Dat wat de ziel opgenomen heeft door het aanschouwen van de bouwvormen – bijvoorbeeld de gotiek – dat treedt naar voren in de stemming van de zielen: innige zielen ontstaan, die naar het hogere opkijken. Een paar eeuwen geleden hebben mensen wat in de gotische stijl leefde, in zich opgenomen.

En nu volgen we deze mensen enige eeuwen verder, die in de ziel de kracht van deze bouwkundige vormen opgenomen hebben – ze tonen nu in hun volgende incarnatie de uitdrukking van deze innerlijke gemoedstoestand in hun fysionomie, in hun gezichten. De zielen van de mensen hebben de gezichten gevormd. Zo ziet men waarom zulke kunsten beoefend worden. Ver, ver vooruit in de verre toekomst zien de ingewijden. Daarom vormen ze in een bepaalde tijd uiterlijke kunstvormen, architectonische stijlen in het groot. Zo wordt in de mensenzielen de kiem voor toekomstige mensheidstijdperken gelegd.

Bron: Rudolf Steiner – GA 101 – Mythen und Sagen/Okkulte Zeichen und Symbole – Stuttgart, 14 september 1907 (bladzijde 158-160)

Eerder geplaatst op 27 september 2016 (4 reacties)

Voorbereiding/Oefening/Zelfopvoeding

In de fysiek-zintuiglijke wereld dient ons wat we doen in denken, voelen en willen om direct iets te weten over de fysieke wereld, of om iets te doen voor de fysieke wereld; voor de hogere werelden dient ons alles, wat ons rechtstreeks voor de fysieke wereld dient, alleen als voorbereiding. Wat we met betrekking tot de fysieke wereld kunnen denken, zelfs als we nog zo scherpzinnig denken, geeft ons geen kennis over de hogere werelden. Echter wordt onze ziel zelf als het ware door het denken zo voorbereid, zo opgevoed, dat ze geleidelijk in staat is om op de juiste wijze in de geestelijke wereld door te dringen.

Wat we kunnen willen en voelen voor de fysieke wereld is alleen van toepassing op de zelfopvoeding van de ziel, als voorbereiding voor het intreden van de ziel in de geestelijke werelden. Dus ik zou willen zeggen, om mij duidelijk uit te drukken: Een geleerde onderzoeker ervaart door zijn wetenschappelijke methode iets voor de uiterlijke wereld, en hij is gewend om, als hij het heeft onderzocht, te zeggen: Ik weet dit of dat van de uiterlijke wereld.

Maar deze soort van onderzoeken, van denken helpt hem echter helemaal niet om in de geestelijke wereld te komen; maar hoe hij denkt en onderzoekt, dat heeft betekenis als oefening van de zielekrachten. Hoe de ziel door denken en onderzoeken meer bekwaam wordt om in zichzelf te leven, om haar kracht in activiteit te brengen, alleen dat is effectief voor het ingaan in de hogere werelden. Alleen als cultuur van de eigen ziel zijn voor de geestesonderzoeker de activiteiten bruikbaar, die men anders in de fysieke wereld gewoonlijk uitvoert.

Bron: Rudolf Steiner – GA 156 – Okkultes Lesen und okkultes Hören – Dornach, 3 oktober 1914 (bladzijde 18-19)