Grausamkeit

Een menselijke eigenschap die met name in het gedachteleven van tegenwoordig wijd, wijd verspreid is, die in het onderbewuste wortelt, waarvan de mensen zich dus niet bewust zijn: dat is de Grausamkeit (onmenselijkheid, wreedheid, barbarij). En omdat de mensen in de hedendaagse tijd niet bepaald de moed hebben deze onmenselijkheid uiterlijk te bedrijven, zijn ze het in begrippen en ideeën. In veel werken van tegenwoordig merkt men de barbarij aan de wijze van de weergave, in de manier van de beschrijving, en in veel wat vandaag de dag wordt gedaan en gezegd, merkt men de onmenselijkheid op, die in de grond van de menselijke ziel in veel wijdere verbreiding aanwezig is dan men denkt.

Bron: Rudolf  Steiner – GA 172 – Das Karma des Berufes des Menschen in Anknüpfung an Goethes Leben – Dornach, 18 november 1916 (bladzijde 114-115)

Eerder geplaatst op 9 januari 2012 

Over kinderen met slechte eigenschappen

Men heeft natuurlijk niet alleen voorbeeldige kinderen, maar ook kinderen, die onder bepaalde omstandigheden, zoals men het beoordeelt, slechte eigenschappen in zich hebben, daarover zou ik het volgende willen opmerken. […] U moet wel bedenken, dat een zogenaamd slechte eigenschap van een kind, dat zich gevormd heeft, laten we zeggen tot het zevende jaar, niet altijd in absolute zin een slechte eigenschap is. Menig misschien zelfs tot aan genialiteit reikend vermogen op latere leeftijd voert geheel organisch terug naar een zogenaamd slechte eigenschap, die men had op twee-, drie-, vierjarige leeftijd. Een eigenschap, ik noem meteen een der slechtste eigenschappen, de wreedheid die bij een kind kan voorkomen, deze wreedheid kan men inderdaad tussen het zevende en veertiende jaar in de ene of de andere richting overwinnen, als men daarvoor pedagogisch bekwaam genoeg is. De impulsen van de mens die in de wreedheid liggen, kunnen onder bepaalde omstandigheden zo omgebogen worden, dat ze de aandrift tot iets van het allerbeste worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 307 – Gegenwärtiges Geistesleben und Erziehung – Ilkley (Yorkshire), 7 augustus 1923 (bladzijde 260)

Eerder geplaatst op 1 maart 2014

Over kinderen met slechte eigenschappen

Men heeft natuurlijk niet alleen voorbeeldige kinderen, maar ook kinderen, die onder bepaalde omstandigheden, zoals men het beoordeelt, slechte eigenschappen in zich hebben, daarover zou ik het volgende willen opmerken. […] U moet wel bedenken, dat een zogenaamd slechte eigenschap van een kind, dat zich gevormd heeft, laten we zeggen tot het zevende jaar, niet altijd in absolute zin een slechte eigenschap is. Menig misschien zelfs tot aan genialiteit reikend vermogen op latere leeftijd voert geheel organisch terug naar een zogenaamd slechte eigenschap, die men had op twee-, drie-, vierjarige leeftijd. Een eigenschap, ik noem meteen een der slechtste eigenschappen, de wreedheid die bij een kind kan voorkomen, deze wreedheid kan men inderdaad tussen het zevende en veertiende jaar in de ene of de andere richting overwinnen, als men daarvoor pedagogisch bekwaam genoeg is. De impulsen van de mens die in de wreedheid liggen, kunnen onder bepaalde omstandigheden zo omgebogen worden, dat ze de aandrift tot iets van het allerbeste worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 307 – Gegenwärtiges Geistesleben und Erziehung – Ilkley (Yorkshire), 7 augustus 1923 (bladzijde 260)

Waardoor komt het kwaad in de wereld?

Waardoor komt het kwaad in de wereld? Waardoor is de zogenaamde misdaad in de wereld? Dat bestaat doordat de mens zijn betere natuur, niet de slechtere, onderduiken laat in het fysiek-lichamelijke, dat als zodanig niet slecht kan zijn, en daar de eigenschappen ontwikkelt die niet in het fysiek-lichamelijke thuishoren, maar die juist in het geestelijke thuishoren. Waarom kunnen wij mensen slecht zijn? Omdat we geestelijke wezens zijn kunnen! Omdat wij in de situatie moeten komen, zodra wij ons in de geestelijke wereld inleven, die eigenschappen te ontwikkelen, die tot slechtheid worden als we ze in het fysiek-zintuiglijke leven gebruiken. Laat u de eigenschappen die zich in wreedheid, in valsheid of nog andere in de zintuiglijke wereld uitleven, laat u de ziel zich van hen doordringen en ze in plaats van in de fysiek-zintuiglijke wereld zich uitleven in de geestelijke wereld, dan zijn ze daar de ons verder brengende, de ons vervolmakende eigenschappen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 63 – Berlijn 15 januari 1914 (bladzijde 247)

Rudolf Steiner – Grausamkeit

Een menselijke eigenschap die met name in het gedachteleven van tegenwoordig wijd, wijd verspreid is, die in het onderbewuste wortelt, waarvan de mensen zich dus niet bewust zijn: dat is de Grausamkeit (onmenselijkheid, wreedheid, barbarij). En omdat de mensen in de hedendaagse tijd niet bepaald de moed hebben deze onmenselijkheid uiterlijk te bedrijven, zijn ze het in begrippen en ideeën. In veel werken van tegenwoordig merkt men de barbarij aan de wijze van de weergave, in de manier van de beschrijving, en in veel wat vandaag de dag wordt gedaan en gezegd, merkt men de onmenselijkheid op, die in de grond van de menselijke ziel in veel wijdere verbreiding aanwezig is dan men denkt.

Bron: Rudolf  Steiner – GA 172 – Dornach 18 november 1916 (bladzijde 114-115)