Rudolf Steiner – Goedwillendheid is mooi, maar zonder inzicht pakt het toch verkeerd uit (1)

Nietwaar, het is heel gemakkelijk om te zeggen: ‘Welwillendheid is een deugd, dus moeten we ons welwillendheid eigenmaken; recht is een moreel goede zaak, dus moeten we het recht grondvesten.’ Dan kan men wetgever zijn en inrichtingen maken, waardoor deugd en recht geregeld wordt. Men kan ook parlementen kiezen, waar schrandere mensen bij elkaar komen om allerlei maatregelen in de zin van een deugdelijke en rechtvaardige orde en dergelijke te treffen. Maar daaruit kan, als de dingen in stand worden gehouden zoals ze tot nu toe behandeld werden, slechts voortkomen wat we nu zich nu over de aarde zien uitbreiden. (Deze tekst stamt uit 1917, ten tijde van de eerste wereldoorlog dus.) Als de mensen toch de moed zouden hebben de samenhang in te zien tussen hun gedachten en voorstellingen, die zich meer en meer ontwikkeld hebben, en de vreselijke gebeurtenissen in het heden! Welwillendheid is een deugd en men kan zich er zeer wel bij voelen de welwillendheid na te leven, bij wijze van spreken in een catechismus schrijven: Jij zult welwillend zijn, jij zult rechtvaardig zijn enzovoort; – dan heeft men dat, maar men heeft geen kennis!

Wordt vervolgd

Bron: GA 176 – Berlijn, 25 september 1917 (bladzijde 357-358)

Rudolf Steiner – Antroposofie en socialisme (3) – Zie toch eens die kinderen, voor wie de ouders geen ontbijt hebben, die zwak, hongerig en half bevroren van de kou uitgeblust op school komen.

Men zou van antroposofische zijde zulke nobele mensenvrienden niet  moeten antwoorden door eenvoudig te zeggen, dat de antroposofie met de strijd der partijen, met de alledaagse belangen niets van doen heeft. Zeker, het kan niet de taak van de antroposofen zijn in de politieke partijstrijd direct in te grijpen. Langs andere wegen moet hij nastreven de mensheid te dienen en te helpen dan de partijen en wetgevingen het doen kunnen. Maar hij moet er ook rekening mee houden, dat hij met een wereldvreemd, voor duizenden en duizenden mensen waardeloos streven ernstig voorbij zou gaan aan de werkelijke noden.

De antroposoof spreekt van de noodzaak de edele geestelijke krachten in de kinderziel niet te laten verkommeren; hij spreekt erover dat in ieder mens de kiem van het goddelijke verborgen ligt, en dat leerkrachten en opvoeders thuis en op school het als hun taak moeten zien voor deze kiem van het goddelijke te zorgen, dat zij de ziel van het kind tot een burger in het rijk van het eeuwige moeten maken. En de sociaal voelende mensenvriend antwoordt hem: ‘Jij kunt lang praten; zie toch eens die kinderen, voor wie de ouders geen ontbijt hebben, die zwak, hongerig en half bevroren van de kou met uitgebluste zielenkrachten op school komen. Is ten opzichte van hen vóór alles niet iets geheel anders noodzakelijk als te denken aan de eeuwigheid van de ziel?’

Wordt vervolgd

Bron: GA 034 –  GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis»  (bladzijde 432)