Wat men wetenschap noemt is in feite geloof

We zijn eraan gewend geraakt om dat wat in de loop der eeuwen is ontstaan als de op uiterlijke zintuigen gebaseerde natuurwetenschappen, zoals astronomie, biologie, zoölogie of de medische wetenschap, zo te nemen als het ons in de gevestigde opleidingsinstituten en in de erkende instellingen wordt voorgeschoteld. Daar zijn we in de loop der eeuwen aan gewend geraakt en tegenwoordig klampen we ons daar op een verschrikkelijke wijze aan vast. En hoewel men er geen flauw benul van heeft hoe een chemicus in zijn laboratorium eigenlijk onderzoek doet en hoe het resultaat dat hij presenteert eigenlijk tot stand komt, roept men toch dat dat waarheid is, dat dat kennis is. Men beweert dat dat geen geloof is, maar wetenschap. Het is natuurlijk puur geloof! Maar men zegt dat het kennis is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 243 – Het bewustzijn van de ingewijde – Torquai, 22 augustus 1924 (blz. 223)

Vertaling Hans Schenkels

Duitstalige link: GA 243 (blz. 222-223)  

geloof-en-wetenschap-als-verschillende-keuzes-het-leven-gezien-woorden-verkeersborden-die-op-tegengestelde-manieren-wijzen-187479983

Alles ontstaat vanzelf, niet zo’n slimme gedachte  

Wat de uiterlijke fysieke wetenschap tegenwoordig weet over de bouw van de schedel, de hersenen, is veel, zo veel dat er nogal wat mensen zijn voor wie het te veel is om het te weten. Maar als men met deze kennis van de materiële wetenschap zou willen nagaan hoe de schedel met de hersenen, deze wonderbaarlijke structuur, tot in de kleinste delen zou moeten worden gevormd, dan zou er met deze wetenschap zeer weinig van terecht komen om het werkelijk te vormen! Dit is toch een belangrijk geheim. Met dit geheim zijn een bepaald soort mensen snel klaar door te zeggen: Wat er met mensen gebeurt in de opeenvolgende generaties, dat gaat helemaal vanzelf. Dat zo’n menselijk hoofd zich vormt in het lichaam van de moeder, dat gaat dus helemaal van nature.

Het is begrijpelijk dat mensen dat zeggen, maar hoe slim dit is wil ik door een vergelijking duidelijk maken. We kunnen hypothetisch aannemen dat er wezens in München zijn die veel zouden kunnen zien, maar juist niet de mens, noch de mens in zijn activiteit zouden kunnen zien. Het zou toch denkbaar zijn dat zulke wezens München bevolken die de mens en zijn activiteiten niet konden zien.

Dergelijke wezens, die de mens en zijn werkzaamheden niet zouden kunnen zien, zouden bijvoorbeeld wel horloges kunnen zien. Dus ze zouden zien dat er horloges zijn en hoe de horloges worden gemaakt, maar ze zouden niet de mens zien, de horlogemaker die het horloge monteert. Ze zien niet de handen die de afzonderlijke onderdelen samenvoegen, ze zien alleen hoe het horloge wordt gevormd uit de afzonderlijke onderdelen. Ze zouden misschien nog wel de verschillende pincetten en tangen enzovoort zien, waarmee de onderdelen worden aangevat, maar voor hen worden als het ware vanuit de lucht de afzonderlijke onderdelen van het horloge samengevoegd. Wat zouden deze wezens dan voor gedachte over het horloge hebben? Ze zouden niet zeggen: er zijn horlogemakers in München -, dat zouden ze helemaal ontkennen. Ze zouden zeggen: Oh, het is een vreselijk bijgeloof om aan te nemen dat er horlogemakers zijn, want de horloges ontstaan geheel vanzelf, men ziet immers hoe ze zich vanzelf samenvoegen. 

Net zoals deze wezens zouden oordelen, zo oordelen de mensen die aannemen dat wat zich nu geleidelijk op het fysieke gebied vormt, vanzelf ontstaat. Alles wat hier ontstaat, komt voort uit de werkzaamheden van de spirituele wezens van de hogere hiërarchieën. Waarachtig niet alleen door de interactie van vader en moeder en door wat zich dan in het lichaam van de moeder ontwikkelt, vormt de mens zich ‘vanzelf’, maar de hele wereld werkt erin, hier is de hele kosmos met de wezens van de hogere hiërarchieën bij betrokken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 174a – Mitteleuropa zwischen Ost und West – Kosmische und menschliche Geschichte – Sechster  Band – München, 20 maart 1916 (bladzijde 138,139,140)

horlogemaker-hersteller

Eerder geplaatst op 13 mei 2020

Geen tegenstrijdigheid

Naar de geest en naar de ware zin van de zaak zal ook geen echte wetenschapper een tegenspraak (in de oude vertaling van F. Wilmar staat hier het woord tegenstrijdigheid) kunnen ontdekken tussen zijn wetenschap, die is gebouwd op de feiten van de zintuiglijke wereld, en de wijze waarop de bovenzinnelijke wereld wordt onderzocht. De wetenschapper bedient zich van bepaalde instrumenten en methoden. Die instrumenten vervaardigt hij door verwerking van wat de ‘natuur’ hem biedt. Het bovenzinnelijk onderzoek bedient zich ook van een instrument. Alleen is de mens zelf dit instrument. En ook dit instrument moet eerst voor het hogere onderzoek geschikt worden gemaakt. De mogelijkheden en krachten die de mens zonder zijn toedoen van de ‘natuur’ heeft gekregen, moeten in hogere worden omgevormd. Zodoende kan de mens zichzelf tot instrument maken voor het onderzoeken van de bovenzinnelijke wereld.

Duitstalige bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS (bladzijde 51)

Nederlandstalige bron: De wetenschap van de geheimen der ziel / Karakter van de occulte wetenschap (blz. 25)

Vertaald door Wijnand Mees

Rudolf Steiner / Werken en voordrachten

© 1998 Stichting Rudolf Steiner Vertalingen

Tweede druk 2004 / Derde druk 2011 / Vierde druk 2019

748x1200

Eerder geplaatst op 22 februari 2020

Antroposofie wil geen nieuwe religie zijn

Dat religie er alleen maar bij kan winnen als het wetenschappelijk wordt verdiept, dat kan door het waarlijk religieuze gemoed worden begrepen. En spirituele wetenschap wil niet iets zijn dat te maken heeft met een stichting van een nieuwe religie. Ze wil geen nieuwe sekte vestigen. Ze wil geen profeten of religieuze grondleggers voortbrengen. De tijd van de stichting van religies is voorbij, de tijd van de profeten is voorbij. De mensheid is zelfstandig (Duits: reif) geworden. En mensen die in de toekomst op de manier van een profeet voor de mensheid zouden willen optreden, zullen een ander lot hebben dan de oude profeten. De oude profeten, ze zijn terecht volgens de geaardheid van hun eigen tijd vereerd als uitzonderlijke mensen. Profeten van de huidige tijd, die het op de oude wijze zouden willen zijn, zullen hun lot ervaren: ze zullen worden uitgelachen! 

Geesteswetenschap heeft geen profeten nodig, want de geesteswetenschap gaat er in de basis geheel en al vanuit dat wat zij te zeggen heeft, eigendom is van de diepten van de menselijke ziel, die diepten waar de menselijke ziel gewoon niet altijd helder kan oplichten (Duits: nicht immer hineinleuchten kann). En wat de spirituele onderzoeker zegt, wil hij zeggen als een gewone onderzoeker. Hij wil de aandacht vestigen op wat noodzakelijk is. De spirituele onderzoeker zegt: ik heb het gevonden; als je zoekt, zul je het zelf vinden! En meer en meer zullen de tijden naderen waarin de spirituele wetenschapper zal worden erkend als een gewone onderzoeker, zoals de chemicus, de bioloog als onderzoeker worden erkend in hun vakgebied; alleen de spirituele onderzoeker onderzoekt in het gebied dat elke menselijke ziel aangaat.

Bron: Rudolf Steiner – GA 155 – ANTHROPOSOPHIE UND CHRISTENTUM – Norrköping, 13 juli 1914 (bladzijde 231-232)

Eerder geplaatst op 24 oktober 2018

Anna_Eunike1_WEB

Anna Eunike (1853 – 1911) eerste echtgenote van Rudolf Steiner

Onze tijd heeft de wetenschap van het bovenzinnelijke nodig  

Wie tegenwoordig een beschrijving van bovenzinnelijke realiteiten geeft, moet twee dingen goed beseffen. Ten eerste dat onze tijd de wetenschap van het bovenzinnelijke nodig heeft; ten tweede echter dat er in het culturele leven een overvloed van voorstellingen en gevoelens bestaat waardoor zo’n beschrijving op velen als wild gefantaseer en gedroom overkomt. 

De tegenwoordige tijd heeft bovenzinnelijke inzichten nodig, omdat al datgene wat de mens op de gebruikelijke wijze over de wereld en het leven te horen krijgt, ontelbare vragen bij hem wakker roept die alleen door de bovenzinnelijke waarheden beantwoord kunnen worden. Want hierin moet men zich niet vergissen: wat in de heersende geestesrichting over de wortels van het bestaan wordt meegedeeld, zijn voor de dieper voelende mens geen antwoorden, maar vragen  met betrekking tot de grote raadsels van wereld en leven. Een tijdlang kan iemand wel de mening zijn toegedaan dat hij in de ‘resultaten van streng wetenschappelijk onderzoek’ en in de eindconclusies van bepaalde moderne denkers een oplossing van het raadsel van het bestaan vindt. 

Maar als de ziel afdaalt in die diepten waarin ze moet afdalen als ze zichzelf  werkelijk begrijpt, dan blijkt wat haar aanvankelijk was voorgekomen als een oplossing niet meer dan een aanzet tot de ware vraag te zijn. En een antwoord op  die  vraag moet niet alleen tegemoetkomen aan de menselijke nieuwsgierigheid – de innerlijke rust en de harmonie van het zielsleven hangen ervan af. De verovering van zo’n antwoord bevredigt niet alleen het verlangen naar inzicht, maar het maakt de mens geschikt voor zijn werk en doet hem opgewassen zijn tegen de eisen die het leven stelt, terwijl het ontbreken van een antwoord op de desbetreffende vragen hem geestelijk en tenslotte ook lichamelijk verlamt. Inzicht in de bovenzinnelijke werkelijkheid dient ook niet alleen maar ter bevrediging van theoretische behoeften, maar staat in dienst van een ware levenspraktijk. Daarom is juist wegens de aard van het hedendaagse culturele leven de wetenschap van de geest een voor onze tijd onontbeerlijke tak van wetenschap.

Bron (Duits): Rudolf Steiner – GA 9 – THEOSOPHIE / VORREDE ZUR DRITTEN  AUFLAGE (blz. 3)

Nederlands: Theosofie – Over de wetenschap van het bovenzinnelijke en het wezen van de mens (blz. 17-18)

Vertaald door Huib van Krimpen met een nawoord van Roel Munniks 

Rudolf  Steiner / Werken en voordrachten © 1994 Stichting Rudolf  Steiner Vertalingen Tweede druk 1998 Derde druk 2005 Vierde druk 2014 (oplage februari 2018)

528x840