Onheil voor de mensheid

Het komt erop aan dat men ervoor zorgt dat een bepaalde kennis niet in dienst van een deel van de mensheid gesteld wordt, maar in dienst van de mensheid als geheel. Zodra men ook het beste weten niet met deze gezindheid doordringt, zal het beste weten tot onheil voor de mensheid worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 181 – ANTHROPOSOPHISCHE LEBENSGABEN – Berlijn, 9 april 1918 (bladzijde 216)

Eerder geplaatst op 23 januari 2018

eNbtQQiY_400x400

Als er gezegd wordt: ‘Ook de geesteswetenschap moet men geloven’, dan berust dit op een volkomen misverstand.

Ik heb het al vaak benadrukt: Als er gezegd wordt: ‘Ook de geesteswetenschap moet men geloven’, dan berust dit op een volkomen misverstand. Dat de mensen zeggen dat men de geesteswetenschap ook maar moet geloven, komt doordat ze zo volgepropt zijn met materialistische vooroordelen dat ze niet ingaan op wat deze wetenschap werkelijk geven kan. Als men er eenmaal op ingaat, kan men alles bevatten en begrijpelijk vinden. Het is niet alleen de helderziendheid dat toereikend is, het gewone begripsvermogen is voldoende om alles langzamerhand – hoewel menigeen “langzamerhand” ongemakkelijk zal vinden – te bevatten en te begrijpen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 154 – Wie erwirbt man sich Verständnis für die geistige Welt? – Berlijn, 18 april 1914 (bladzijde 19)

Eerder geplaatst op 1 October 2017  (2 reacties)

geloven-weten-wegwijzer-beeld_csp19824076

Er zijn mensen die zeggen: Waarom moet ik dat allemaal weten?

Steeds meer kan de mens hier op aarde leren hoe zijn leven zal zijn als hij door de poort van de dood is gegaan. Er zijn mensen die zeggen: Waarom moet ik dat allemaal weten? Ik zie het wel na de dood! –

Ja, dat is ongeveer alsof de mens de waarde van zijn gezichtsvermogen in twijfel trok. Want de mens gaat in de loop van de aardse ontwikkeling steeds meer een leven binnen waarin hij de ervaring van wat ik heb beschreven voor de tijd na de dood moet verwerven door het eerst hier op aarde in gedachten op te nemen.

De kennis van de geestelijke werelden op aarde buitensluiten, betekent zichzelf in geest en ziel blind maken voor zijn leven na de dood. En men komt eenvoudig als een kreupele in de geestelijke wereld wanneer men door de poort van de dood gaat, als men het hier op deze wereld afwijst om iets te weten van de geestelijke wereld. Dit is iets dat de mensheid steeds duidelijker en duidelijker zou moeten worden en waaruit zij de noodzaak van kennis van de spirituele wereld zou moeten inzien. 

Bron: Rudolf Steiner – GA 219 – Das  Verhältnis  der  Sternenwelt zum  Menschen und  des  Menschen  zur  Sternenwelt – Dornach, 1 december 1922 (bladzijde 42-43)

rudolf-steiner-portrait-moscow-russia-february-watercolor-vector-ink-contours-austrian-philosopher-social-reformer-architect-175801882-1

Weten en gevoel voor het leven tussen dood en nieuwe geboorte

Het is werkelijk even noodzakelijk dat de mens een weten, een gewaarwording en een gevoel heeft voor het leven tussen dood en nieuwe geboorte als voor het aardse leven zelf, omdat, wanneer in hij dit aardse leven komt, gezondheid, vertrouwen, kracht en hoop in dit leven afhangen van welke krachten hij meebrengt uit het leven tussen de laatste dood en de huidige geboorte.

Welke krachten we daar echter verkrijgen kunnen, dat hangt er weer vanaf hoe we ons in de vroegere incarnatie gedragen hebben; wat voor een morele instelling, wat voor een religieuze gezindheid of wat voor een algemene menselijke zielenhouding we ons eigengemaakt hebben. Zo kunnen we ons indenken dat we met het bovenzinnelijke, waarin we leven tussen dood en nieuwe geboorte, scheppend meewerken hetzij aan de voortgaande ontwikkeling van de gehele mensheid dan wel aan de verwoesting van de mensheid.

wat-u-moet-weten-43285367

Bron: Rudolf Steiner – GA 141 – Das Leben zwischen dem Tode und der neuen Geburt im Verhältnis zu den kosmischen Tatsachen – Berlijn, 20 november 1912 (bladzijde 53)

Eerder geplaatst op 4 januari 2017

Weten en Geloven

De ware ingewijde zal de wetenschappelijk onderzochte feiten nooit miskennen, maar welwillend de waarheden en de verdienste van de wetenschap erkennen. Echter moet hij het afwijzen om toe te geven dat de wetenschappelijke dogmatici de grenzen van de kennis vast zouden kunnen stellen. De wetenschapper is trots op het weten, in tegenstelling tot het geloven. Maar als er sprake is van geloven en niet geloven en de wetenschapper van mening is dat zijn onderzoeksresultaten vrij van geloven zijn, dan vergist hij zich. Het is eenvoudig onmogelijk om iets te onderzoeken en te leren zonder te geloven.

Neem bijvoorbeeld de theorie van cellen. We hebben in de boeken de mooie afbeeldingen van cellen, cellendeling, cellenleven enzovoort, helder en duidelijk, met alle details. Maar wie van ons heeft dat zo duidelijk zelf al gezien? We geloven allemaal dat het zo is. Zelfs de hoogleraren, die zulke dingen onderwijzen, hebben in  de zeldzaamste gevallen dit alles zelf gezien , maar evengoed onderwijzen ze het. Ze hebben het niet zelf kunnen zien om de reden dat het zo moeilijk en zeldzaam te observeren is, dat maar weinigen er in slagen om het te zien, en het dan in werkelijkheid helemaal niet zo helder en duidelijk is, zoals het er op de afbeeldingen uitziet(1909!). […] Hoeveel van deze onderzoekers hebben nooit gezien wat ze onderwijzen. Tot de tijd dat hij het zelf voor het eerst zag, moest hij het geloven en anderen met hem. En toch eist hij van de geesteswetenschap dat men niet mag geloven, en dat niemand meer zal kunnen weten dan hij zelf.

Bron: Rudolf Steiner – GA 109 – Zur Einweihung des Zweiges Breslau – Breslau, 15 juni 1909 (bladzijde 278-279)

Eerder geplaatst op 1 november 2015  (1 reactie)