Mediteren / Bidden

Mediteren wordt gewoonlijk als een meer Oosterse manier beschouwd om zich tot zijn god te verheffen. In het Westen, vooral in de christelijke gemeenschap, kent men daarvoor in de plaats het gebed, waardoor de christen zich tot zijn god richt, waardoor de christen poogt op zijn manier toegang te winnen in de hogere werelden. Nu moet het vóór alles duidelijk zijn dat wat tegenwoordig vaak als gebed wordt gezien in geen geval in christelijke zin en het allerminst in de zin van de stichter van de christelijke godsdienst, de Christus Jezus zelf, als gebed zou kunnen gelden.

In werkelijk christelijke zin is het nooit een gebed wanneer een individuele mens tot zijn god om iets bidt dat aan zijn eigen persoonlijke en egoïstische wensen moet voldoen. Als iemand om de vervulling van persoonlijke wensen vraagt of bidt, dan komt hij natuurlijk zeer gauw ertoe om geheel te veronachtzamen de universaliteit en het alomvattende in de erkenning van wat door het gebed nagestreefd wordt. Hij gaat er vanuit dat de godheid aan juist zijn wensen in het bijzonder zal voldoen.

Een boer die een of andere groente verbouwd heeft, kan misschien regen nodig hebben, een ander naast hem heeft zonneschijn nodig. Wat moet de goddelijke voorzienigheid dan doen? Er valt helemaal niet aan te denken wat de goddelijke wereldorde moet doen, als twee legers tegenover elkaar staan en elk van hen bidt om hem de overwinning te verlenen, en ieder zijn overwinning als de enige juiste ziet.

Zo zal men meteen inzien hoe weinig zo’n uit de persoonlijke wensen voortkomend gebed aan universaliteit en algemene menselijkheid in zich heeft en hoe zelfs de toekenning van een god alleen aan de ene partij van de biddenden kan voldoen. Men negeert, als men op zo’n manier bidt, het soort gebed waarmee de Christus Jezus de stemming aangegeven heeft, die in elk gebed zou moeten heersen, het gebed dat zegt: ‘Heer laat deze beker aan mij voorbijgaan, maar niet mijn, doch uw wil geschiede.’ Dit is de christelijke grondstemming van het gebed.

Bron: Rudolf Steiner – GA 96 – Ursprungsimpulse der Geisteswissenschaft/ Christliche Esoterik im Lichte neuer Geist-Erkenntnis – Berlijn, 28 januari 1907 (bladzijde 203-204)

Eerder geplaatst op 24 december 2017

Beautiful young indian woman praying in the park.
Beautiful young indian woman praying and meditating in the park. Hinduism religion. Radja Yoga practice

Kamaloka (vagevuur, louteringsvuur) – deel 1 van 5

In al wat de zintuigen waarnemen, ontvangen zij tevens iets geestelijks. Dit geestelijke is na de dood aanwezig, zij het dan ook in andere vorm. Al het geestelijke, dat het Ik in de zintuiglijke wereld begeert, heeft het ook, wanneer de zintuigen  er niet meer zijn. Kwam er nu bij deze twee soorten van wensen niet nog een derde, dan zou de dood slechts een overgang betekenen van begeerten, die door middel van de fysieke zintuigen kunnen worden bevredigd, naar begeerten, die in de openbaring van de geestelijke wereld hun vervulling vinden. 

Deze derde soort van wensen zijn die, welke het Ik tijdens zijn leven in de zintuiglijke wereld schept, omdat het ook in die wereld welgevallen heeft, voor zover het geestelijke zich daar niet in openbaart. – De laagste genietingen kunnen openbaringen van de geest zijn. De bevrediging, die de voedselopname een hongerig wezen biedt,is een openbaring van de geest. Want door het gebruik van voedsel wordt iets tot stand gebracht, wat het geestelijke in zeker opzicht niet voor zijn ontwikkeling kan missen. Het Ik kan echter verder gaan dan het genot, dat in verband met dit feit onontbeerlijk is. Het kan verlangens koesteren naar smakelijke spijzen, geheel afgezien van de dienst, die door het opnemen van voedsel aan de geest wordt bewezen. Hetzelfde geschiedt met betrekking tot andere dingen van de zintuiglijke wereld. 

Zodoende worden verlangens aangekweekt, die in de zintuiglijke wereld nooit te voorschijn zouden gekomen, wanneer het menselijke Ik daar niet in was geplaatst. Maar dergelijke verlangens vinden hun oorsprong ook niet in het geestelijke wezen van het Ik. Het Ik moet zintuiglijke genietingen hebben, zolang het in het lichaam leeft, ook voor zover het van geestelijke aard is. Want in het zintuiglijke openbaart zich de geest; en het Ik geniet niets anders dan de geest, wanneer het zich overgeeft aan datgene, waar het licht van de geest doorheen straalt. En het zal dat licht blijven genieten, ook wanneer de zintuiglijkheid niet meer het middel is, waar  de stralen van de geest doorheen gaan.

Wordt vervolgd 

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS: – Schlaf und Tod (bladzijde 100-101)

Deze vertaling is van F. Wilmar

Morele preken helpen niet

Al kunnen de mensen er nog zoveel over praten dat er een nieuw tijdperk moet komen van ethiek, van de heropleving van religiositeit enzovoort – daarmee kan in werkelijkheid niets worden bereikt; daarmee laat men zich alleen maar voeden door de leugenachtigheid van deze tijd. […]

Net zomin als men iets in de uiterlijke wereld kan opbouwen met alleen maar wensen, al zijn deze wensen ook nog zo goed, net zomin kan men iets in de sociale wereld opbouwen met alleen maar vrome preken, met alleen maar aansporingen aan mensen om goed te zijn, met alleen maar erover spreken dat men zo of zo moet zijn.

Wat er vandaag de dag in de wereld vernietigend werkt, is niet tot stand gekomen door de willekeurige wil van de mens, maar is ontstaan als gevolg van wat er sinds het begin van de 15e eeuw als een wereldbeschouwing is opgekomen. De tegenovergestelde pool die de geslagen wonden zal helen, zal weer en moet weer een wereldbeschouwing zijn. En men moet er niet voor terugschrikken om een wereldbeschouwing met zijn morele en religieuze impulserende kracht te vertegenwoordigen, want deze alleen kan genezen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 206 – Menschenwerden, Weltenseele  und Weltengeist – Dornach, 6 augustus 1921 (bladzijde 93)

Over willen en niet willen en het onderdrukken van wensen

Met name datgene wat we zouden kunnen aanduiden met het woord wilscultuur is van groot belang. We hebben immers al naar voren gebracht dat nervositeit juist vaak tot uitdrukking komt in het feit dat de mensen tegenwoordig vaak niet goed weten hoe ze er toe moeten komen om dat te doen wat ze nu eigenlijk werkelijk willen of zouden moeten willen. Ze schrikken ervoor terug om te doen wat ze zich voorgenomen hebben, ze komen tot niets, enz., enz. […]

Nu is er een eenvoudig middel om de wil te sterken voor het uiterlijke leven en dat middel is: wensen, die ongetwijfeld aanwezig zijn, te onderdrukken, ze niet ten uitvoer te brengen wanneer men daarvan geen nadeel ondervindt. Wanneer men dit aan de praktijk toetst, zal men zien dat er van de vroege ochtend tot de late avond talloze wensen in de mens opkomen, waarvan het wel prettig zou zijn als ze inderdaad in vervulling zouden gaan. Men zal echter ook merken dat er even zovele wensen zijn, die men niet in vervulling hoeft te laten gaan, dat niemand daaronder lijdt en dat men dan ook zijn plichten niet hoeft te verzaken: wensen waarvan het wel plezierig is als ze vervuld worden, maar die evengoed onvervuld kunnen blijven. Men moet er steeds op uit zijn om onder al die wensen diegenen te vinden waarvan men kan zeggen: ‘Nee, deze wens hoeft niet in vervulling te gaan.’ (We moeten de zaak niet verkeerd aanpakken –het gaat hier om wensen waarvan de verwerkelijking alleen maar behaaglijkheid, plezier, genot opleveren en waarbij men geen schade ondervindt wanneer ze onvervuld blijven).

Wanneer men een bepaalde soort van wensen op een dergelijke wijze stelselmatig onderdrukt, dan werkt dat stimulerend in op de wilskracht. […] En wanneer wij ons in ons latere leven aan een dergelijke procedure onderwerpen, zullen wij wat dit betreft veel kunnen inhalen van wat tegenwoordig in de opvoeding verwaarloosd wordt.

 Bron: Rudolf Steiner – GA 143 – Erfahrungen des Übersinnlichen/Die drei Wege der Seele zu Christus – München, 11 januari 1912 (bladzijde 21-22)

Vertaling: Margreet Meijer-Kouwe – door mij overgenomen uit het boekje Nervositeit-Wijsheid-Liefde (bladzijde 28-29) – Uitgeverij Vrij Geestesleven 1976

Eerder geplaatst op 29 januari 2015

Het Ik: Een scherp, tweesnijdend zwaard (1 van 2)

We zijn nu in onze beschouwingen zo ver gekomen dat we hebben gezien welk een scherp, tweesnijdend zwaard het Ik van de mensen is. Wie niet begrijpt dat dit Ik een tweesnijdend zwaard is, die zal nauwelijks de gehele zin van de mensheid- en wereldontwikkeling inzien. Aan de ene kant is dit Ik er de oorzaak van dat de mensen in zichzelf verharden, dat ze alles wat tot hun beschikking kan staan aan uiterlijke dingen en innerlijke zaken in dienst van hun eigen Ik willen stellen. Dit Ik is er de oorzaak van dat alle wensen van de mens zich erop richten dit Ik als zodanig te bevredigen. Hoe dit Ik ernaar streeft een deel van het gemeenschappelijk aardebezit voor zichzelf te verkrijgen als zijn eigendom, hoe dit Ik ernaar streeft alle anderen Ikken te verdrijven, ze te bestrijden, oorlog te voeren: dat is de ene kant van het Ik.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 104 – Die Apokalypse des Johannes – Neurenberg, 25 juni 1908 (bladzijde 156)

Eerder geplaatst op 23 september 2014