Goedwillendheid is mooi, maar zonder inzicht pakt het toch verkeerd uit (2 – slot)

Als de mens welwillendheid ontwikkelt, dan is dat zeker goed. Maar precies zo als een slinger bij het naar omlaag vallen de kracht voor het omhoog gaan ontwikkelt, zo ontwikkelt zich onder de kracht van de welwillendheid de kracht van vooroordelen, de kracht van ongepaste voorkeuren voor dit en alle mogelijke dingen. Geen deugd kan zich ontwikkelen zonder dat onder de ontwikkeling van de deugd de aanleg voor de tegenovergestelde ondeugd in de menselijke ziel als neiging ontstaat. Ziet u, deze waarheden zijn ongemakkelijk, maar het zijn nu eenmaal waarheden. De individuele mens zal het minder merken, maar in de sociale orde komt als feit aan de dag wat hier zojuist aangegeven is. Als de mensen zich er te zeer aan tegoed doen een tijdlang een of andere deugd eenzijdig te ontplooien, dan moet het volgende tijdperk noodzakelijk de overeenkomende ondeugd tevoorschijn brengen, als de samenhang niet wordt herkend.

Bron: Rudolf Steiner – GA 176 – Menschliche und menschheitliche Entwicklungs- wahrheiten/Das Karma des Materialismus – Berlijn, 25 september 1917 (bladzijde 358)

Eerder geplaatst op 5 november 2011

Goedwillendheid is mooi, maar zonder inzicht pakt het toch verkeerd uit (1 van 2)

Nietwaar, het is heel gemakkelijk om te zeggen: ‘Welwillendheid is een deugd, dus moeten we ons welwillendheid eigen maken; recht is een moreel goede zaak, dus moeten we het recht grondvesten.’ Dan kan men wetgever zijn en inrichtingen maken, waardoor deugd en recht geregeld wordt. Men kan ook parlementen kiezen, waar schrandere mensen bij elkaar komen om allerlei maatregelen in de zin van een deugdelijke en rechtvaardige orde en dergelijke te treffen. Maar daaruit kan, als de dingen in stand worden gehouden zoals ze tot nu toe behandeld werden, slechts voortkomen wat we nu zich nu over de aarde zien uitbreiden. (Deze tekst stamt uit 1917, ten tijde van de eerste wereldoorlog dus.)

Als de mensen toch de moed zouden hebben de samenhang in te zien tussen hun gedachten en voorstellingen, die zich meer en meer ontwikkeld hebben, en de vreselijke gebeurtenissen nu! Welwillendheid is een deugd en men kan zich er zeer wel bij voelen de welwillendheid na te leven, bij wijze van spreken in een catechismus schrijven: Je zult welwillend zijn, je zult rechtvaardig zijn enzovoort; – dan heeft men dat, maar men heeft geen inzicht!

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 176 – Menschliche und menschheitliche Entwicklungs- wahrheiten/Das Karma des Materialismus – Berlijn, 25 september 1917 (bladzijde 357-358)

Eerder geplaatst op 4 november 2011 

Rudolf Steiner – Goedwillendheid is mooi, maar zonder inzicht pakt het toch verkeerd uit (2 – slot)

Als de mens welwillendheid ontwikkelt, dan is dat zeker goed. Maar precies zo als een slinger bij het naar omlaag vallen de kracht voor het omhoog gaan ontwikkelt, zo ontwikkelt zich onder de kracht van de welwillendheid de kracht van vooroordelen, de kracht van ongepaste voorkeuren voor das und alles mögliche (?). Geen deugd kan zich ontwikkelen zonder dat onder de ontwikkeling van de deugd de aanleg voor de tegenovergestelde ondeugd in de menselijke ziel als neiging ontstaat. Ziet u, deze waarheden zijn ongemakkelijk, maar het zijn nu eenmaal waarheden. De individuele mens zal het minder merken, maar in de sociale orde komt als feit aan de dag wat hier zojuist aangegeven is. Als de mensen sich gar zu sehr darauf zugute tun (?) een tijdlang een of andere deugd eenzijdig te ontplooien, dan moet het volgende tijdperk noodzakelijk de overeenkomende ondeugd te voorschijn brengen, als de samenhang niet wordt herkend.

Bron: GA 176 – Berlijn, 25 september 1917 (bladzijde 358)

Rudolf Steiner – Goedwillendheid is mooi, maar zonder inzicht pakt het toch verkeerd uit (1)

Nietwaar, het is heel gemakkelijk om te zeggen: ‘Welwillendheid is een deugd, dus moeten we ons welwillendheid eigenmaken; recht is een moreel goede zaak, dus moeten we het recht grondvesten.’ Dan kan men wetgever zijn en inrichtingen maken, waardoor deugd en recht geregeld wordt. Men kan ook parlementen kiezen, waar schrandere mensen bij elkaar komen om allerlei maatregelen in de zin van een deugdelijke en rechtvaardige orde en dergelijke te treffen. Maar daaruit kan, als de dingen in stand worden gehouden zoals ze tot nu toe behandeld werden, slechts voortkomen wat we nu zich nu over de aarde zien uitbreiden. (Deze tekst stamt uit 1917, ten tijde van de eerste wereldoorlog dus.) Als de mensen toch de moed zouden hebben de samenhang in te zien tussen hun gedachten en voorstellingen, die zich meer en meer ontwikkeld hebben, en de vreselijke gebeurtenissen in het heden! Welwillendheid is een deugd en men kan zich er zeer wel bij voelen de welwillendheid na te leven, bij wijze van spreken in een catechismus schrijven: Jij zult welwillend zijn, jij zult rechtvaardig zijn enzovoort; – dan heeft men dat, maar men heeft geen kennis!

Wordt vervolgd

Bron: GA 176 – Berlijn, 25 september 1917 (bladzijde 357-358)