De Dood / Verandering van Waarneming en Bewustzijn

Het eerste wat men in gedachten moet houden is dat de andere werelden niet in andere plaatsen zijn, maar dat ze om ons heen zijn net zoals de fysieke wereld en deze doordringen. Daarom gaat de mens na de dood ook niet naar andere plaatsen, alleen de soort en wijze van zijn waarneming en zijn bewustzijn verandert.

Net als bij een blindgeborene, die plotseling kan zien en die dan immers ook niet naar een andere wereld is verplaatst, maar dan slechts een nieuw zintuig heeft geopend, zo is het hetzelfde met mensen wanneer ze sterven of worden ingewijd. Dan is er geen nieuwe, totaal andere wereld om hem heen, alleen zijn dan de zintuigen voor de fysieke wereld uitgeschakeld; daarentegen ziet hij nu wat hem eerder ontging, wat tot dan verborgen was.

Bron: Rudolf Steiner – GA 94 – Populärer  Okkultismus – Leipzig,29 juni 1906 (bladzijde 134)

2-portrait-bust-of-rudolf-steiner-david-dozier

Borstbeeld van Steiner door Bernhard Hoetger

Eerder geplaatst op 11 juni 2020

Zintuiglijke waarneming / Bovenzintuiglijke waarneming

Het bewust zijn van de wereld om ons heen hangt af van welke capaciteiten en organen we hebben om ze waar te nemen. Als we andere organen zouden hebben, dan zou de wereld voor ons totaal anders zijn. Als de mens bijvoorbeeld geen ogen zou hebben om het licht te zien, maar een orgaan waardoor hij bijvoorbeeld de elektriciteit zou kunnen waarnemen, dan zou hij deze ruimte niet als helder en licht waarnemen, maar hij zou in de draden die in de kamer zijn de elektriciteit zien stromen; dan zou hij het overal zien trillen, flitsen en stromen. Wat we onze wereld noemen, is dus afhankelijk van onze zintuigen. 

Evenzo is de astrale wereld niets anders dan een som van verschijnselen die de mens om hem heen ervaart wanneer hij gescheiden is van zijn fysieke lichaam en etherlichaam, en hij de krachten in hem kan gebruiken om waar te nemen van wat hij anders niet kan zien. Dat is ook het geval wanneer hij het fysieke lichaam en het etherische lichaam heeft afgelegd (bij de dood). De waarnemingsorganen voor de astrale wereld zijn de organen van het astrale lichaam, analoog aan de zintuigen voor het fysieke lichaam.

Bron: Rudolf Steiner – GA 100 – Menschheitsentwickelung und Christus-Erkenntnis / Theosophie und Rosenkreuzertum – Kassel, 19 juni 1907 (bladzijde 48)

Eerder geplaatst op 25 september 2019  (9 reacties)

Wat de doden zien en niet zien

De uiterlijke omgeving van de doden is heel anders dan wat de mens gewoonlijk zijn uiterlijke wereld noemt, hier tussen geboorte en dood. Eén ding blijft echter altijd waarneembaar voor de doden – en juist dit is belangrijk om op te letten – dat is datgene waarin de menselijke gedachten en gevoelens zijn gevloeid; het zijn namelijk de menselijke gedachten die dan waarneembaar zijn.

Het zout als een natuurproduct neemt de dode dus niet waar zoals het in het zoutvat zit. Het zoutvat, dat misschien van glas of van een ander materiaal is gemaakt, neemt hij evenmin waar; maar voor zover er in het zoutvat, toen het gemaakt werd, menselijke gedachten zijn ingeweven, neemt de dode deze menselijke gedachten waar.

Als u zich voorstelt hoe in onze omgeving overal, waar we kijken naar iets wat niet alleen een natuurproduct is, menselijke gedachten als het ware de kenmerken moeten geven volgens welke deze dingen zich samenstellen (Duits: sich anordnen), dan krijgt u een voorstelling van wat de dode kan waarnemen. De doden nemen ook alle betrekkingen tussen wezens waar, dus de relaties tussen mensen enzovoort; dit alles is levendig voor hem.

Bron: Rudolf Steiner – GA 174 – Zeitgeschichtliche Betrachtungen / Das  Karma der Unwahrhaftigkeit – Dornach, 22 januari 1917 (blz. 226-227)

Rudolf-Steiner+Zeitgeschichtliche-Betrachtungen-Das-Karma-der-Unwahrhaftigkeit-Zweiter-Teil

Hoe dieren ons zien

Als dieren konden spreken, zouden ze alleen over zichtbare rijken spreken; het mineralen-, planten- en dierenrijk; ze zouden zichzelf als het hoogste zichtbare rijk beschouwen. Dat dieren de mens zien zoals de mensen de andere mensen zien, is slechts een vooroordeel. Voor dieren zijn wij mensen werkelijk van een bovenzinnelijk, schimachtig (gespensterhaften) bestaan;

en als de dieren alleen maar zulke waarnemingen hadden als wij ze hebben, zouden ze de mensen niet zien, maar ze zouden voor hen net zo onzichtbaar zijn als het rijk van engelen voor mensen. Alleen omdat ze een bepaald soort droomachtige helderziendheid hebben, zien de dieren de mens als een geest, als een bovennatuurlijk wezen. Van het beeld dat een dier van mensen heeft, kan de mens zich niet onmiddellijk een voorstelling maken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 159 – Das  Geheimnis  des  Todes – Praag, 13 mei 1915 (blz. 204-205)

Gezellige-dieren-groep-1

Bovenzinnelijke kennis is niet een speculatie of begripssysteem, maar waarneming

Datgene wat tot kennis van de hogere werelden heeft geleid, is niet een speculatie, is niet een systeem van begrippen, het is waarneming (Duits: Anschauung). Net zoals men door de ontwikkeling van het lichaam sinds het embryonale bestaan een waarneming van de uiterlijke zintuiglijke wereld verkrijgt, zo verkrijgt men door de oefeningen (Duits: Vornahmen), – waarvan ik u de beginselen beschreven heb, die u in de genoemde boeken (‘Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?’ en ‘Geheimwissenschaft’) in detail kunt vinden -, kennis van zielsprocessen en verwerft men de mogelijkheid omgeven te zijn door de bovenzinnelijke wereld, waarin we waren voor de geboorte en waarin we binnenkomen als we door de poort van de dood gaan. Door waarneming wordt de kennis van hogere werelden verworven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 79 – Die Wirklichkeit der höheren Welten – Kristiania (Oslo), 26 november 1921 (bladzijde 62)

Eerder geplaatst op 10 december 2017  (3 reacties)

1904-2