Honderd keer meer haat dan liefde

Als er sprake is van haat, dan zegt de mens zichzelf zo gemakkelijk: Ik haat niet, ik hou van iedereen. Hij zou slechts een keer bij zichzelf moeten nagaan, hoeveel verborgen haat er op de bodem van de menselijke ziel ligt. Ja, deze verhoudingen worden iemand pas echt duidelijk, als men de mensen over elkaar hoort praten. Er wordt werkelijk – stelt u zich een dergelijke statistiek voor – veel meer slechts over een mens gezegd dan woorden van lof en waardering. En als men eens echt een dergelijke statistiek zou opnemen, dan zou men zien dat onder de mensen honderd maal – men kan dit getal werkelijk aangeven – meer gehaat dan geliefd wordt. Ja, het is zo, alleen merken de mensen het gewoonlijk niet, omdat ze immers geloven altijd gerechtigd zijn te haten, en het geweldig te verontschuldigen vinden, wanneer ze haten. Maar deze haat ontwikkelt zich tot smartgevoelens, tot leed in het volgende leven, en in gebrek aan begrip, in een verstoktheid in het derde aardeleven, die nergens aan wil, zich in niets verdiepen kan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 239 – Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhänge – Fünfter Band – Praag, 30 maart 1924 (bladzijde 36-37)

Eerder geplaatst op 25 juli 2015  (6 reacties)

Gebrek aan achting, antipathie, onderschatting van het waardeerbare brengen het kennend vermogen tot verlamming en verval

Het valt de mens aanvankelijk niet licht aan te nemen dat gevoelens als eerbied, achting enz. van betekenis zijn voor zijn kenvermogen. De reden daarvan ligt in ’s mensen geneigdheid om zich dit laatste als een op zichzelf staand vermogen voor te stellen, geen verband houdende met het overige zielengebeuren. Men vergeet daarbij dat het de ziel is, die de gave van het kennen bezit. En voor de ziel zijn gevoelens hetzelfde wat voor het lichaam de voedingsstoffen zijn. Geeft men het lichaam stenen in plaats van brood, dan komt zijn werkzaamheid tot stilstand. Zo is het ook met de ziel. Voor haar zijn gevoelens van verering, van achting en devotie voedende stoffen, die haar sterk en gezond maken, bovenal haar kracht geven om tot inzicht te komen. Gebrek aan achting, antipathie, onderschatting van het waardeerbare brengen het kennend vermogen tot verlamming en verval. […] De verering wekt in de ziel een kracht van sympathie, waardoor eigenschappen van het ons omringende die anders verborgen blijven tot ons worden getrokken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 10 – Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten? (bladzijde 25)

Vertaling overgenomen uit de vierde druk van de Nederlandstalige uitgave (bladzijde 21-22).

Eerder geplaatst op 1 april 2013

Honderd keer meer haat dan liefde

Als er sprake is van haat, dan zegt de mens zichzelf zo gemakkelijk: Ik haat niet, ik hou van iedereen. Hij zou slechts een keer bij zichzelf moeten nagaan, hoeveel verborgen haat er op de bodem van de menselijke ziel ligt. Ja, deze verhoudingen worden iemand pas echt duidelijk, als men de mensen over elkaar hoort praten. Er wordt werkelijk – stelt u zich een dergelijke statistiek voor – veel meer slechts over een mens gezegd dan woorden van lof en waardering. En als men eens echt een dergelijke statistiek zou opnemen, dan zou men zien, dat onder de mensen honderd maal – men kan dit getal werkelijk aangeven – meer gehaat dan geliefd wordt. Ja, het is zo, alleen merken de mensen het gewoonlijk niet, omdat ze immers geloven altijd gerechtigd zijn te haten, en het geweldig te verontschuldigen vinden, wanneer ze haten. Maar deze haat ontwikkelt zich tot smartgevoelens, tot leed in het volgende leven, en in gebrek aan begrip, in een verstoktheid in het derde aardeleven, die nergens aanwil, zich in niets verdiepen kan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 239 – Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhänge – Fünfter Band – Praag 30 maart 1924 (bladzijde 36-37)

Gebrek aan achting, antipathie, onderschatting van het waardeerbare brengen het kennend vermogen tot verlamming en verval

Het valt de mens aanvankelijk niet licht aan te nemen dat gevoelens als eerbied, achting enz. van betekenis zijn voor zijn kenvermogen. De reden daarvan ligt in ’s mensen geneigdheid om zich dit laatste als een op zichzelf staand vermogen voor te stellen, geen verband houdende met het overige zielengebeuren. Men vergeet daarbij dat het de ziel is, die de gave van het kennen bezit. En voor de ziel zijn gevoelens hetzelfde wat voor het lichaam de voedingsstoffen zijn. Geeft men het lichaam stenen in plaats van brood, dan komt zijn werkzaamheid tot stilstand. Zo is het ook met de ziel. Voor haar zijn gevoelens van verering, van achting en devotie voedende stoffen, die haar sterk en gezond maken, bovenal haar kracht geven om tot inzicht te komen. Gebrek aan achting, antipathie, onderschatting van het waardeerbare brengen het kennend vermogen tot verlamming en verval. […] De verering wekt in de ziel een kracht van sympathie, waardoor eigenschappen van het ons omringende die anders verborgen blijven tot ons worden getrokken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 10 – Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten? (bladzijde 25)

Vertaling overgenomen uit de vierde druk van de Nederlandse uitgave (bladzijde 21-22).

Antipathie en karma (1)

Laten we eens aannemen, dat iemand uit haat of antipathie zijn medemensen kwaad doet, men kan zich dat in allerlei graden voorstellen. Iemand kan uit een misdadig gevoel van haat zijn medemensen kwaad doen. Hij kan ook een criticus zijn – ik laat nu de tussenliggende graden weg -, om dat te zijn moet men altijd een beetje haten, als men tenminste geen prijzende criticus is – dat komt namelijk tegenwoordig zelden voor, omdat het niet interessant is de dingen te waarderen. Het wordt pas interessant, als men grappen over de dingen maakt, er zijn natuurlijk allerlei tussenvormen, maar het gaat hier om daden die uit koude antipathie – die zelfs tot haat kan worden – worden bedreven. Men is het zich zelfs vaak niet bewust, dat men het daarom doet. Alles wat tegen mensen of zelfs lagere wezens wordt gedaan, verandert in zielstoestanden, die ook gespiegeld worden tussen dood en volgende geboorte.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – Geesteswetenschappelijke beschouwingen van het karma (bladzijde 68) – Uitgeverij Vrij Geestesleven 1976

GA 235 – Dornach 24 februari 1924 (bladzijde 72)