Continuïteit van het bewustzijn 

In het huidige stadium van de ontwikkeling verlaat de mens in de slaap zijn lichaam. Hij wandelt, soms ver verwijderd van zijn fysieke lichaam, in de astrale wereld en komt daar met andere wezens van de astrale wereld samen en wisselt gedachten met hen uit. Wanneer de mens echter ontwaakt, herinnert hij zich dat niet. Dat hangt samen met zijn huidige stadium van ontwikkeling. De ontwikkeling kan echter steeds hoger en hoger worden.

De leerling, die onder leiding van een zogenaamde meester leert, kan langzamerhand zijn bewustzijn tot een continu, tot een voortdurend bewustzijn maken. Dan zal hij de ervaringen van de nacht zich tijdens zijn waaktoestand als herinnering in zijn bewustzijn kunnen brengen. Als de leerling deze continuïteit van het bewustzijn bereikt heeft, dan herinnert hij zich wat hij in de astrale wereld heeft ontvangen. Deze bevindingen van de leerling zijn niet in de fysiek-zintuiglijke wereld geleerd,  maar ze zijn in de astrale wereld ervaren en overgebracht in zijn fysieke leven. Dit is wat Plato bedoelde als hij over de herinnering aan hogere zielstoestanden spreekt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 88 – Über die astrale Welt und das Devachan – Berlijn, 18 november 1903 (bladzijde 62-63)

Eerder geplaatst op 31 december 2017  (2 reacties)

41gWzxHeOQL._SY264_BO1,204,203,200_QL40_ML2_

Karma en keuze

Ik heb in een openbare voordracht aangeduid hoe het kind geheel en al zintuigorgaan is, hoe het ieder gebaar, iedere beweging van de mensen om hem heen beleeft. Maar het beleeft ieder gebaar, iedere beweging in zijn morele betekenis, zodat het kind aan een driftige, opvliegende vader het immorele beleeft dat met de opvliegendheid verbonden kan zijn. En het kind beleeft in de fijnste bewegingen, die de mens in zijn omgeving maakt, de gedachten die deze mens heeft. We zouden onszelf daarom nooit moeten toestaan onzuivere, immorele gedachten in de omgeving van een kind te hebben en zeggen: In gedachten kunnen we dat toelaten, het kind weet toch niets daarvan. – Dat is niet waar. Als we denken, bewegen zich altijd op een bepaalde manier op zijn minst onze innerlijke zenuwstrengen. Deze neemt ook het kind waar, vooral in de allereerste jaren. Het kind is een subtiele waarnemer en nabootser van zijn omgeving. Maar het merkwaardige, ik zou willen zeggen, het in verheven zin interessante is dat het kind niet alles nabootst, maar dat het een keuze maakt. En deze keuze gebeurt eigenlijk op een zeer gecompliceerde wijze.

Bedenkt u dus eens, in de omgeving van het kind handelt een ondoordachte, opvliegende vader, die allerlei dingen doet die eigenlijk niet goed zijn. Omdat het kind geheel zintuigorgaan is, moet het al deze dingen opnemen, omdat het oog zich niet verweren kan, het moet dat zien, wat in zijn omgeving is. Maar het kind neemt wat het daar ontvangt, alleen in waaktoestand op. Nu begint het kind te slapen. Kinderen slapen veel. En tijdens de slaap maakt nu het kind de keuze. Datgene wat hij wil opnemen, stuurt het vanuit zijn ziel in zijn lichaam. Wat het niet opnemen wil, stoot hij gedurende de slaap naar buiten in de etherische wereld, zodat het kind alleen dat in zijn lichamelijkheid absorbeert, waartoe het is bestemd door zijn karma, door zijn lot. De werkingen van het lot ziet men in het bijzonder levendig in de allereerste kinderjaren.

 Bron: Rudolf Steiner – GA 226 – Menschenwesen, Menschenschicksal und Welt-Entwickelung – Kristiana (Oslo), 19 mei 1923 (bladzijde 66)

Eerder geplaatst op 23 april 2015

’s Nachts beleven we van alles, alleen we weten het niet

De mens herinnert zich wat hij in waaktoestand beleefd heeft. Maar van iets anders herinnert hij zich bijna niets hier op aarde. Dat is wat hij in de slaaptoestand beleeft. En in de slaaptoestand beleven we namelijk ontzettend veel meer dan we in waaktoestand beleven, alleen kan de mens met het hedendaagse bewustzijn die slaapervaringen nog niet bevatten. Als eenmaal de vaardigheid daartoe bereikt is – dat is iets wat verworven kan worden door de mensen -, dan weet men dat in de slaap ontzaglijk veel beleefd wordt. Maar de mens weet het in het algemeen nog niet. Nu overlijdt de mens en wat hij in waaktoestand beleefd heeft, gaat na twee, drie dagen weg. Het komt iemand zo voor alsof alle gedachten die men in waaktoestand heeft beleefd, na twee, drie, vier dagen eenvoudig zijn weggegaan. En dan duiken al die dingen op die men in de slaap beleefd heeft. Die duren dan, zoals ik u gezegd heb, een derde deel van het afgelopen aardeleven. Dus datgene wat door de mensen geheel innerlijk beleefd wordt, dat weet hij ook nu nog niet hier op aarde. Hij zal het weten als hij zich meer en meer geesteswetenschappelijk verdiept.

Daarom hoeft het ons ook niet te verwonderen dat in het huidige leven de dingen nog onbewust zijn, die zich in voorgaande aardelevens hebben afgespeeld. Ik heb u onlangs nog gezegd wat voor een verschil het maakt wanneer ik een manchetknoop neergelegd heb, zonder met het bewustzijn erbij te zijn – dan kan ik ’s morgens heen en weer lopen en steeds moeten zoeken – of wanneer ik mij uitdrukkelijk herinner: Je hebt deze knoop hier neergelegd. Dan zal ik niet op en neer lopen maar juist er recht op afgaan. Het hangt ervan af, of men aan het een en ander denkt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 350 – Rhythmen im Kosmos und im Menschenwesen – Dornach, 30 mei 1923 (bladzijde 22)

Eerder geplaatst op 1 september 2014

Continuïteit van het bewustzijn

In het huidige stadium van de ontwikkeling verlaat de mens in de slaap zijn lichaam. Hij wandelt, soms ver verwijderd van zijn fysieke lichaam, in de astrale wereld en komt daar met andere wezens van de astrale wereld samen en wisselt gedachten met hen uit. Wanneer de mens echter ontwaakt, herinnert hij zich dat niet. Dat hangt samen met zijn huidige stadium van ontwikkeling. De ontwikkeling kan echter steeds hoger en hoger worden.

De leerling, die onder leiding van een zogenaamde meester leert, kan langzamerhand zijn bewustzijn tot een continu, tot een voortdurend bewustzijn maken. Dan zal hij de ervaringen van de nacht zich tijdens zijn waaktoestand als herinnering in zijn bewustzijn kunnen brengen. Als de leerling deze continuïteit van het bewustzijn bereikt heeft, dan herinnert hij zich wat hij in de astrale wereld heeft ontvangen. Deze bevindingen van de leerling zijn niet in de fysiek-zintuiglijke wereld geleerd,  maar ze zijn in de astrale wereld ervaren en overgebracht in zijn fysieke leven. Dit is wat Plato bedoelde als hij over de herinnering aan hogere zielstoestanden spreekt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 88 – Über die astrale Welt und das Devachan – Berlijn, 18 november 1903 (bladzijde 62-63)

’s Nachts beleven wij van alles, alleen we weten het niet  

De mens herinnert zich wat hij in waaktoestand beleefd heeft. Maar van iets anders herinnert hij zich bijna niets hier op aarde. Dat is wat hij in de slaaptoestand beleeft. En in de slaaptoestand beleven wij namelijk ontzettend veel meer dan we in waaktoestand beleven, alleen kan de mens met het hedendaagse bewustzijn die slaapervaringen nog niet bevatten. Als eenmaal de vaardigheid daartoe bereikt is – dat is iets wat verworven kan worden door de mensen -, dan weet men dat in de slaap ontzaglijk veel beleefd wordt. Maar de mens weet het in het algemeen nog niet. Nu overlijdt de mens en wat hij in waaktoestand beleefd heeft, gaat na twee, drie dagen weg. Het komt iemand zo voor alsof alle gedachten die men in waaktoestand heeft beleefd, na twee, drie, vier dagen eenvoudig weg zijn weg gegaan. En dan duiken al die dingen op die men in de slaap beleefd heeft. Die duren dan, zoals ik u gezegd heb, een derde deel van het afgelopen aardeleven. Dus datgene wat door de mensen geheel innerlijk beleefd wordt, dat weet hij ook nu nog niet hier op aarde. Hij zal het weten als hij zich meer en meer geesteswetenschappelijk verdiept.

Daarom hoeft het ons ook niet te verwonderen, dat in het huidige leven de dingen nog onbewust zijn, die zich in voorgaande aardelevens hebben afgespeeld. Ik heb u onlangs nog gezegd wat voor een verschil het maakt wanneer ik een manchetknoop neergelegd heb, zonder met het bewustzijn erbij te zijn – dan kan ik ’s morgens heen weer lopen en steeds moeten zoeken – of wanneer ik mij uitdrukkelijk herinner: Je hebt deze knoop hier neergelegd. Dan zal ik niet op en neer lopen maar juist er recht op afgaan. Het hangt ervan af, of men aan het een en ander denkt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 350 – Rhythmen im Kosmos und im Menschenwesen – Dornach 30 mei 1923 (bladzijde 22)

Eerder geplaatst op 27 juli 2012