Vriendschappen in het Devachan

Het is niet juist als in theosofische boeken wordt gezegd dat de mens in het Devachan slaapt, en het is ook niet juist dat hij alleen met zichzelf bezig is of dat de relaties die op aarde zijn geweven niet voortgezet worden; integendeel, een echte vriendschap gebaseerd op een geestelijke verbondenheid gaat daar met grotere intensiteit door.

De intimiteit van vriendschap voedt de geestelijke gemeenschap in het Devachan en verrijkt haar met nieuwe vormen. Dit is wat de ziel in het Devachan voeding geeft. Ook de verhouding van de mens tot de natuur, een nobel, esthetisch genot van de natuur, is voeding voor het leven van de ziel in het Devachan. Daar leeft de mens van, zoals ik al zei.

De vriendschapsrelaties zijn als het ware de optooiingen (Einrichtungsstücke) waarmee hij zich omringt. De fysieke omstandigheden op aarde dwarsbomen deze relaties vaak genoeg. In Devachan wordt de manier waarop twee vrienden samen zijn alleen bepaald door de intensiteit van de vriendschap. Dus zulke verhoudingen op aarde scheppen, betekent ervaringen verschaffen voor het leven in het Devachan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor  dem  Tore  der  Theosophie – Stuttgart, 25 augustus 1906 (blz. 45-46)

Dag-van-de-vriendschap

Ik voelde mijn vriendin als iets zonnigs in mijn leven

Tussen  de jongste dochter  en  mij  groeide geleidelijk een mooie vriendschap (In ongeveer de jaren 1879-1884 had Steiner in Wenen een vriend waar hij vaak bij de familie over de vloer kwam.Deze jongste dochter was een zus van die vriend. RvD). Ze  had werkelijk iets  van het  prototype  van een Duits meisje.  Het  ontbrak  haar  aan  iedere vorm  van  gemaaktheid,  maar  zij verenigde  in  zich een oorspronkelijke, lieflijke  natuurlijkheid met een  eerzame  gereserveerdheid.  En  die reserve van  haar  wekte in  mij een even grote  terughoudendheid.  We  hielden van elkaar  en wisten dat  beiden ook wel  heel  goed;  maar  we  konden  ook  geen van beiden onze  schroom  overwinnen  en uitspreken dat  we  elkaar  liefhadden. 

En zo  leefde onze liefde tussen  de woorden  die we wisselden,  niet  erin. Onze zielerelatie was naar  mijn  gevoel  allerinnigst;  maar  de mogelijkheid ontbrak  om  ook maar  één stap verder  te  gaan. Ik was  gelukkig met  deze  vriendschap;  ik voelde  mijn vriendin als iets zonnigs in  mijn  leven.  Maar  het  leven  heeft  ons later gescheiden.  Van  uren  van  genoeglijk  samenzijn  bleef  eerst  nog  een korte briefwisseling  over,  later  de weemoedige herinnering  aan  een gelukkige levensperiode.  Maar  het  was  wel  een  herinnering  die heel mijn  latere leven  telkens weer  uit  de  diepten van mijn ziel  oprees.

Bron (Duits): Rudolf Steiner – GA 28 – Mein Lebensgang (blz. 120) 

Nederlands: Rudolf Steiner – Mijn Levensweg (blz. 65-66 in PDF, in de papieren uitgave zijn de bladnummers anders)

Vertaald door Pim Lukkenaer Met een nawoord van Christoph Lindenberg

Rudolf  Steiner / Werken en voordrachten © 1994 Stichting Rudolf  Steiner Vertalingen 

bff4d95fd780687c2e123260ba3d55be