Karma – Vreugde – Verdriet

Als we langs occulte weg het karma onderzoeken, ontdekken we inderdaad dat we de vreugde die we ervaren niet hebben verdiend, en dat de vreugde iets is wat dankbaar moet aanvaard worden als een godsgeschenk, in het besef dat wat we vandaag aan vreugde ontmoeten ons tot werken moet aanvuren, zodat we de kracht die ons door vreugde toestroomt, in ons opnemen en productief gebruiken. We moeten vreugde zien als een soort voorschot op de toekomst.

Daarentegen hebben we verdriet meestal zelf verdiend, door onze eigen daden; de oorzaak ervan kunnen we altijd in onze tegenwoordige levensloop of in vroegere levens vinden. En dan moet het ons tot diep in onze ziel duidelijk zijn dat we ons in het concrete leven vaak niet volgens deze karmische levenshouding hebben gedragen. In het uiterlijke leven lukt het niet altijd om wat ons verdriet berokkent met berusting te aanvaarden. We zien het meestal niet direct in, dat de wet van het lot aan het werk is. En ook al kunnen we naar buiten toe geen berusting opbrengen, de hoofdzaak is dat we het innerlijk wel doen.

En al hebben we uiterlijk niet met gelatenheid ons karma gedragen, in het diepst van onze eigen ziel moeten we toch beseffen dat wijzelf in wezen de oorzaak van al deze dingen zijn. Laten we een voorbeeld nemen. Iemand slaat ons, iemand ranselt ons af met een stok. Dan is het de mens eigen om te vragen: wie heeft me geslagen ? Geen mens zegt dan: ikzelf heb mij geslagen. Zelden zullen mensen het antwoord geven dat zij zichzelf straffen. En toch is het zo dat wij in vervlogen dagen de stok hebben opgeheven tegen een ander. Ja, u bent het zelf die de stok vasthoudt. Als we een hindernis uit de weg moeten ruimen dan is dat karma. Het is karma als een ander iets tegen ons heeft. Wijzelf zijn het die ons iets aandoen als vereffening voor wat wij in het verleden hebben gedaan. Zo komen we tot een juiste opvatting van ons leven, tot een verruiming van ons zelfbeeld, als we tot onszelf zeggen: alles wat mij overkomt, komt van mijzelf. Het is mijn eigen daad die van buiten op mij afkomt, ook al lijkt het of een ander het doet.

Bron: Rudolf Steiner – GA 130 – Das esoterische Christentum und die geistige Führung der Menschheit – Leipzig, 5 november 1911 (bladzijde 124-125)

karma

Eerder geplaatst op 19 oktober 2015  (4 reacties)

De eerste zeven levensjaren / Vreugde en welbehagen

Een ding moet men bij deze leeftijd (Steiner spreekt hier over de eerste zeven levensjaren) streng in acht nemen; namelijk, dat het fysieke lichaam zelf de maatstaf levert voor hetgeen gunstig voor het organisme is. Dit gebeurt, als er verlangens aangekweekt worden, die overeenstemmen met gezonde behoeften. In het algemeen kan men zeggen, dat het gezonde fysieke lichaam datgene voor zich verlangt wat ook goed ervoor is. Zolang het bij de ontwikkeling van de mens aankomt op het fysieke lichaam, moet men zorgvuldig acht geven op alles, waarnaar het gezonde verlangen, de begeerte en de vreugde uitgaan. Vreugde en welbehagen zijn krachten, die op de allerbeste wijze de stoffelijke orgaanvormen tot ontplooiing brengen. 

In dit opzicht kan men werkelijk zwaar zondigen door het kind in omstandigheden te plaatsen, waarin het niet de juiste verhouding tot zijn stoffelijke omgeving vindt. Dit gebeurt in het bijzonder met betrekking tot het voedingsinstinct. Men kan het kind met zodanige spijzen overladen, dat het zijn gezonde voedingsinstincten totaal verliest, terwijl men deze door de juiste voeding zo levend kan houden, dat het kind nauwkeurig tot op een glas water toe, verlangt wat onder bepaalde omstandigheden goed voor hem is en afwijst wat schadelijk kan zijn. Wanneer op de geesteswetenschap een beroep zal worden gedaan om een opvoedkunst tot stand te brengen, zal zij tot in details kunnen aangeven hoe de voedings- en genotmiddelen in de praktijk van de opvoeding te gebruiken zijn. Want zij is concreet op het leven gericht en geen grauwe theorie, waarvoor men haar tegenwoordig zeer zeker nog zou kunnen houden, als men zou oordelen naar de onjuiste denkbeelden van sommige theosofen.

Tot de krachten die vormend inwerken op de stoffelijke organen, behoort dus de vreugde, die aan de dingen van de omgeving en met deze omgeving samen beleefd wordt. Opgewekte gezichten van de opvoeders en bovenal natuurlijke, geen geforceerde liefde. Een liefde die het kind met een atmosfeer van warmte omgeeft, broedt in de ware zin van het woord de vormen van de organen uit.

Bron: Rudolf Steiner – GA 34 – Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaf (bladzijde 327-328)

Vertaling W.F. Veltman

Zie ook: Enkele fragmenten uit De Opvoeding van het Kind in het Licht va de Antroposofie

rudolf-steiner-de-opvoeding-van-het-kind

Eerder geplaatst op 4 oktober 2020

 

Geen vreugde en snel moe

Men ziet vaak mensen in het leven, en tegenwoordig zijn ze echt talrijker dan je denkt, die aan niets echt vreugde beleven, die vreselijk snel moe worden, die vroeg verouderen, in ieder geval psychisch verouderen, enzovoort. Men ziet niet duidelijk waar dit uit voortkomt. Het komt voort uit het feit dat het kind in het zesde, zevende, achtste jaar niet op de juiste wijze in schrijven en lezen onderwezen is. 

Wie de mensennatuur kent, weet dat een kind dat op de juiste manier heeft leren lezen, bij wie het niet is ingepropt (Duits: nicht eingepaukt, eingetrichtert worden ist) tot het zevende en achtste jaar, maar die op een juiste, natuurlijke manier heeft leren lezen en schrijven, en het daarom misschien wat later gedaan krijgt, die heeft door deze manier van leren lezen en schrijven een werkelijk goede gift voor het hele leven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 298 – Rudolf Steiner in der Waldorfschule – Vorträge und Ansprachen für die Kinder, Eltern und Lehrer in der Waldorfschule Stuttgart 1919-1924 – Stuttgart, 13 januari 1921 (bladzijde 74)

rudolf-steiner-in-der-waldorfschule-155083602

Eerder geplaatst op 7 september 2019  (37 reacties)

Over lijden en het lot

De grote vraag van het lot komt bij de ene mens vaak intensiever naar voren dan bij de andere: Hoe vindt de ziel zijn weg in dit bestaan? (Duits: Wie findet die Seele sich zurecht in diesem Dasein?) – in dit bestaan, dat ons in eerste instantie omringt als de aardse-fysieke wereld, waarin voor het zielsoog oplicht dat wat geestelijk deze aardse-fysieke wereld doordringen kan. Wat het leven aan vreugde, aan verheffends, kan bieden, is sterk in het leven. De mens blijft gemakkelijk in dit fysieke leven steken. Dan komen de lotsvragen vanuit de genoegens, vanuit de vreugden van het leven, niet met alle intensiteit naar boven! De grote vraagstukken van het lot, de grote wereldraadsels, ze komen bij de mens op wanneer er pijn is, wanneer het lijden de mens treft. 

Degene, beste vrienden, die zich iets heeft verworven als wereldkennis, die zal vanuit zijn diepste ervaringen, vanuit zijn diepste belevenissen nooit zeggen: ‘Uit mijn vreugden, uit  mijn genoegens van het leven, heb ik inzicht verkregen’ (Duits: ist mir Erkenntnis geworden). – Diegene zal zeggen dat het juist het lijden en de pijnen zijn, die ontspruiten als het licht van kennis van de ziel. En het lijden en de smarten die in het leven komen, zij wijzen sterker naar het eeuwige dan de vreugden. En toen onze vriendin al – zoals haar zoektocht naar het licht van de geest toont – een van die diepere zielen was die haar eigen licht met het goddelijke licht van de wereld wilde verenigen, werd ze nog meer verdiept in het leven door ernstig lijden, door pijn.

Bron: Rudolf Steiner – GA 261 – Unsere Toten / Ansprachen, Gedenkworte und Meditationssprüche 1906-1924 – Bazel, 27 oktober 1920 (bladzijde 251)

PS Deze tekst komt uit een toespraak die Steiner hield bij de crematie van Caroline Wilhelm, een lid van de antroposofische vereniging.

Eerder geplaatst op 14 maart 2019  (2 reacties)

steiner

Over de zin van lijden

Lijden is een begeleidend verschijnsel van de hogere ontwikkeling. Het is onontbeerlijk voor kennis. Eens zal de mens zich zeggen: Ik ben dankbaar voor wat de wereld mij geeft aan vreugde. Maar als ik echter voor de keuze gesteld zou worden, of ik mijn vreugde of mijn lijden wil behouden, zal ik het lijden willen behouden; ik kan haar niet ontberen voor kennis. Elk leed ziet er na een bepaalde tijd uit als iets dat men niet kan missen, want we moeten het beschouwen als iets dat inbegrepen is in de ontwikkeling. Er is geen ontwikkeling zonder lijden, zoals er geen driehoek zonder hoek is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 110 – Geistige Hierarchien und ihre Widerspiegelung in der physischen Welt – Düsseldorf, 21 april 1909 (bladzijde 182)

Eerder geplaatst op 20 mei 2018  (7 reacties)

SteinerRudolf_midlife