Herinnering aan vorige levens

Binnen het fysiek-zintuigelijk beleven kan nooit een herinnering aan voorafgaande aardelevens optreden, indien niet binnen die aardelevens de voorstellingen gericht zijn geweest op de geestelijke wereld. Men moet immers steeds al eerder van iets geweten hebben, wil later een duidelijk herkenbare herinnering daaraan opduiken. Zo moet men ook in het ene aardeleven besef krijgen van zichzelf als een geestelijk wezen, indien men met recht wil verwachten, dat men zich in een volgend aardeleven aan een voorafgaand zal kunnen herinneren.

Toch hoeft dit weten niet door helderziendheid te zijn verworven. Wie zich door helderziendheid een direct weten omtrent de geestelijke wereld verwerft, in diens ziel kan in de aardelevens, die volgen op het aardeleven waarin hij dat weten verkrijgt, een herinnering aan het vorige zo optreden, als in het zintuiglijk leven zich de herinnering voordoet aan iets wat men zelf beleefd heeft. Wie zich met begrip in de geesteswetenschap verdiept, ook zonder geestelijk te kunnen schouwen, voor hem treedt deze herinnering zo op, dat deze te vergelijken valt met een in het zintuiglijk leven optredende herinnering aan een gebeurtenis, die men alleen heeft horen beschrijven.

Source: Rudolf Steiner – GA 17 – DIE  SCHWELLE DER  GEISTIGEN  WELT/ APHORISTISCHE  AUSFÜHRUNGEN (bladzijde 88-89)

Vertaling M. Macintosh uit De drempel van de geestelijke wereld – 1975 Uitgeverij Vrij Geestesleven – Zeist (bladzijde 109-110)

db21bf73268843.5c0c523fb7df9

Eerder geplaatst op 13 december 2020

Als er reïncarnatie is, waarom herinnert de mens zich dan zijn eerdere incarnaties niet?

De vraag wordt vaak gesteld: ‘Ja, als er reïncarnatie is, waarom herinnert de mens zich dan zijn eerdere incarnaties niet?’ – Dit is een vraag die al vaker door mij is beantwoord, en een dergelijke vraag ziet eruit alsof iemand een vierjarig kind voor zich heeft dat niet rekenen kan en dan zou willen zeggen: Dit is een mens, dus de mens kan niet rekenen. – Laat het tien jaar oud zijn, dan kan het wel rekenen.

Zo is het met de menselijke ziel. Als ze zich vandaag de dag nog niet kan herinneren, de tijd zal komen dat ze zich kan herinneren, de tijd waarin ze dezelfde vaardigheden heeft als nu een ingewijde in de huidige tijd heeft. Maar juist in deze tijd voltrekt zich deze ommekeer. Er zijn tegenwoordig een aantal zielen die in onze tijd zo ver zijn dat ze vlak voor het moment staan waarop ze van hun vorige incarnaties herinneringen zullen hebben, op zijn minst van de laatste. Een heel aantal mensen staan vandaag de dag om zo te zeggen vlak voor het openen van de poort naar het uitgebreide geheugen dat niet alleen het leven tussen geboorte en dood omvat, maar ook van de voorgaande incarnaties, in ieder geval vooreerst de laatste. En als na de huidige incarnatie een aantal mensen wedergeboren zijn, zullen ze zich de huidige incarnatie herinneren. Het gaat er wel om hoe ze zich herinneren. Om op de juiste manier te onthouden, daar moet de antroposofische ontwikkeling de aanwijzingen en aanleiding toe geven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 117 – Die tieferen Geheimnisse des Menschheitswerdens im Lichte der Evangelien – München, 4 december 1909 (bladzijde 153)

Eerder geplaatst op 16 februari 2018  (3 reacties)

Zie ook: Waarom herinnert de mens zich zijn vroegere incarnaties niet?

rudolf-steiner-1861-1925-austrian-philosopher-social-reformer-T4MT58

Gewoonlijk weten de mensen weinig of niets over hun vorige levens

Voor het aardse leven is het zo dat de mens met het gewoonlijke, uiterlijke bewustzijn niets weet van zijn vroegere incarnaties. We weten weliswaar dat er onder de theosofen mensen zijn die na relatief korte tijd ontzettend veel denken te weten over hun eerdere incarnaties.

Ik heb ooit een gezelschap leren kennen in een stad in Europa waar Seneca, Frederik de Grote, keizer Joseph, de hertog van Reichstadt, Madame Pompadour, Marie-Antoinette en nog een paar anderen samen aan een café tafel zaten. Maar afgezien van degenen die zo veel weten over hun vorige incarnatie, nadat ze een beetje theosofie hebben geleerd, is het bekend dat mensen door de gewone externe kennis weinig of niets over hun vorige incarnatie weten.

Bron: Rudolf Steiner – GA 159 – Das  Geheimnis  des  Todes – Keulen, 19 juni 1915 (blz. 359-360)

170px-Rudolf_Steiner_um_1891

Rudolf Steiner (1891/1892) door Otto Fröhlich

Herinnering aan vorige levens

Binnen het fysiek-zintuigelijk beleven kan nooit een herinnering aan voorafgaande aardelevens optreden, indien niet binnen die aardelevens de voorstellingen gericht zijn geweest op de geestelijke wereld. Men moet immers steeds al eerder van iets geweten hebben, wil later een duidelijk herkenbare herinnering daaraan opduiken. Zo moet men ook in het ene aardeleven besef krijgen van zichzelf als een geestelijk wezen, indien men met recht wil verwachten, dat men zich in een volgend aardeleven aan een voorafgaand zal kunnen herinneren.

Toch hoeft dit weten niet door helderziendheid te zijn verworven. Wie zich door helderziendheid een direct weten omtrent de geestelijke wereld verwerft, in diens ziel kan in de aardelevens, die volgen op het aardeleven waarin hij dat weten verkrijgt, een herinnering aan het vorige zo optreden, als in het zintuiglijk leven zich de herinnering voordoet aan iets wat men zelf beleefd heeft. Wie zich met begrip in de geesteswetenschap verdiept, ook zonder geestelijk te kunnen schouwen, voor hem treedt deze herinnering zo op, dat deze te vergelijken valt met een in het zintuiglijk leven optredende herinnering aan een gebeurtenis, die men alleen heeft horen beschrijven.

Source: Rudolf Steiner – GA 17 – DIE  SCHWELLE DER  GEISTIGEN  WELT/ APHORISTISCHE  AUSFÜHRUNGEN (bladzijde 88-89)

Vertaling M. Macintosh uit De drempel van de geestelijke wereld – 1975 Uitgeverij Vrij Geestesleven – Zeist (bladzijde 109-110)

542x840

De vierentwintigste Maria Magdalena

Het is een slechte gewoonte, dat wanneer er over vorige levens wordt gesproken, men altijd op belangrijke figuren uit de geschiedenis wil teruggrijpen. Dat is een verkeerde zaak, die maar al te vaak voorkomt. Het is me vaak overkomen dat verschillende personen historische figuren uit de evangeliën op hun vorige incarnatie wilden terugvoeren. Nog onlangs kwam er een dame, die beweerde dat ze Maria Magdalena was geweest. Ik heb haar gezegd dat ze de vierentwintigste Maria Magdalena was, die ik in mijn leven heb ontmoet. – Er moet de grootst mogelijke behoedzaamheid in acht worden genomen, opdat zulke fantasterijen niet voorkomen!

Bron: Rudolf Steiner – GA 130 – Das esoterische Christentum und die geistige Führung der Menschheit – Wenen, 9 februari 1912 (bladzijde 268)

Eerder geplaatst op 30 december 2016  (1 reactie)