Gewoonten / Gezondheid

Als iemand slechte gewoonten en karaktereigenschappen heeft en niets daartegen doet om deze af te wennen, dan verschijnt dat in het volgende leven als een aanleg van het fysieke lichaam, in feite als een vatbaarheid voor ziekten. Hoe vreemd het ook klinkt, deze dispositie voor bepaalde ziekten, en vooral infectieziekten, komt werkelijk voort uit slechte gewoonten in een vorig leven.

Met dit inzicht hebben we het dus ook in de hand om gezondheid of ziekte voor te bereiden voor het volgende leven. Als we een slechte gewoonte afwennen, zullen we onszelf in het volgende leven lichamelijk gezond en resistent tegen infecties maken. Op deze manier kan men al voor het toekomstige leven voor gezondheid zorgen als men ernaar streeft alleen nobele eigenschappen te ontplooien.

Bron: Rudolf Steiner – GA 100 – Menschheitsentwickelung und  Christus- Erkenntnis / Theosophie  und  Rosenkreuzertum – Kassel, 22 juni 1907 (bladzijde 85-86)

good-habits2

Gewoonten, daden en lot

Door een slechte gewoonte op zich heb ik nog niets gedaan; als deze slechte gewoonte mij echter tot een daad drijft, dan verander ik door deze daad de buitenwereld. En alles wat een werking heeft in de fysieke buitenwereld, dat komt ons als uiterlijk lot in het volgende leven in de buitenwereld weer terug. Dus de daden van het fysieke lichaam in dit leven worden tot ons lot in het volgende leven. Dat ervaren we door het geplaatst worden in deze of die situatie in het leven. Dus of de mens in deze of gene levenstoestand gelukkig of ongelukkig is, dat hangt van de daden van zijn voorgaande levens af.

Bron: Rudolf Steiner – GA 100 – THEOSOPHIE UND ROSENKREUZERTUM – Kassel, 22 juni 1907 (bladzijde 86)

bouw-goede-gewoonten-115193243

Eerder geplaatst op 26 april 2017  (3 reacties)

Karma en aanleg

Wie zich moeite geeft veel goede daden te volbrengen, zal door de gevoelens die daarbij worden ontwikkeld, in een volgend leven zeer zeker een talent voor het verrichten van goede daden bezitten. Hij zal ook een zorgvuldig ontwikkeld geweten hebben en zal een moreel goed aangelegd mens zijn.

Bron: Rudolf Steiner – GA 99 – Die Theosophie des Rosenkreuzers – München, 30 mei 1907 (bladzijde 66)

Eerder geplaatst op 17 november 2014

Dat men niets meer weet van de geestelijke wereld, dat heeft in werkelijkheid de ontzaglijke ellende veroorzaakt

En dat, mijne heren, dat men niets meer weet van de geestelijke wereld, dat heeft in werkelijkheid de ontzaglijke ellende veroorzaakt. […] En te zeggen: De mensen hebben het verdiend, omdat ze in hun vorige leven slechte dingen gedaan hebben-, dat is natuurlijk onzin, want het is niet het lot van ieder afzonderlijk individu, maar het is het gemeenschappelijke lot van de individuen. Maar ieder ervaart het in dit leven. Denk maar aan hoeveel ellende de mens in zijn huidige leven meemaakt. Van een vroeger leven is het niet afkomstig. Maar in het volgende leven zal hij de gevolgen van de misère van tegenwoordig hebben. Het gevolg ervan zal zijn dat hij verstandiger zal zijn en dat hij meer op de geest gericht is (Duits: daß die Geistwelt in ihn eher hineingehen kann). Zodat dus de tegenwoordige ellende al voor de toekomst een opvoeding is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 350 – Rhythmen im Kosmos und im Menschenwesen – Dornach 16 juni 1923 (bladzijde 119-120)

Eerder geplaatst op 6 oktober 2014

Karma-Moraal-Egoïsme (1 van 5)

Dikwijls verwijt men de antroposofie dat zij in wezen niet werkt aan morele ontplooiing, ja, dat zij in zeker opzicht niet alleen het egoïsme niet tegenwerkt, maar zelfs het egoïsme in de hand werkt. De mensen, die zoiets menen, hebben de volgende gedachten. Zij zeggen: antroposofie toont aan hoe een mens van leven naar leven zijn bestaan ontwikkelt, en de hoofdzaak daarbij is, hoewel ook achteruitgang (Duits:Rückschläge) kan voorkomen, dat de mens de mogelijkheid heeft steeds hoger en hoger te stijgen, dat hij steeds meer leert om wat hij in een van zijn levens als een soort school heeft doorgemaakt als resultaten te gebruiken in een volgend leven.

Wie zich in dit geloof aan de menselijke vervolmaking verdiept, zal er naar streven zijn Ik steeds meer te zuiveren, het zo rijk mogelijk te maken om steeds meer en steeds hoger te stijgen. En, zo zeggen de mensen, dat is in wezen toch een egoïstisch streven. Want wij antroposofen zoeken leringen en krachten uit de geestelijke wereld te verkrijgen om ons Ik steeds hoger te brengen, het is dus een egoïstische reden die de mens tot handelingen drijft.

Ook zouden wij antroposofen de overtuiging hebben, wij bereiden ons een slecht karma door onvolmaakte handelingen, en om zich dat niet te bereiden, zal de antroposoof vermijden het een of ander te doen, wat hij anders gedaan zou hebben. Dus uit vrees voor het karma doet hij het niet. Waarschijnlijk zou hij ook om deze reden het een of ander wel volbrengen, wat hij anders niet zou volbrengen, wat toch wederom slechts een geheel egoïstisch motief voor een daad zou zijn. Er zijn een aantal mensen die zeggen: de leer van karma en reïncarnatie en het streven naar vervolmaking dat uit de antroposofie voortkomt, brengt de mensen ertoe om een geraffineerd hoger egoïsme na te streven.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 127 – Die Bedeutung der Geistesforschung für das sittliche Handeln – Bielefeld, 6 maart 1911 (bladzijde 126)

Eerder geplaatst op 7 december 2015