Herinneringen verdwijnen, de vruchten blijven als vermogens en bekwaamheden

De indrukken, welke een mens uit ondervonden belevenissen verkrijgt, verdwijnen geleidelijk uit zijn geheugen, echter niet de vruchten ervan. Men behoudt geen herinnering aan alle ervaringen die men als kind heeft gehad bij het leren lezen en schrijven. Maar men zou in het geheel niet kunnen lezen en schrijven als men deze ervaringen niet zou hebben gehad en als haar resultaten niet behouden zouden zijn gebleven in de vorm v.an bekwaamheden. 

En dat is de omvorming welke de geest met de schatten van het geheugen bewerkstelligt. Hij laat alles wat kan leiden tot het vormen van beelden van op zichzelf staande gebeurtenissen aan zijn eigen lot over en put er slechts de kracht uit om zijn bekwaamheden te vergroten. Daarom is het zeker dat geen enkele belevenis onbenut voorbij gaat: de ziel behoudt de herinnering er aan en de geest en de geest onttrekt er datgene aan wat kan dienen om zijn capaciteiten te vergroten, zijn levensinhoud te verrijken. De menselijke geest groeit door het verwerken van hetgeen beleefd wordt.

Al kan men dus de ervaringen uit het verleden in de geest niet, gelijk in een schatkamer, terugvinden, men bespeurt hun uitwerking in de vermogens welke een mens zich heeft eigen gemaakt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 9 – THEOSOPHIE – Einführung in  übersinnliche  Welterkenntnis und  Menschenbestimmung (blz. 30-31)

Uit de vijfde druk van THEOSOFIE (blz. 64-65). Vertaling H.G.J. de Leeuw

528x840

De betekenis van het vergankelijke voor het onvergankelijke

We moeten het onderscheid leren kennen tussen het vergankelijke en het onvergankelijke. In de Griekse beeldhouwkunst bijvoorbeeld zijn grootse, wonderbaarlijke werken gemaakt, die toch alle na een bepaalde tijd ten ondergegaan zullen zijn. Zouden die werken alles zijn, dan zou men moeten zeggen dat ze vergankelijk zijn; alles in de fysiek-zintuiglijke wereld is op deze wijze voorbijgaand. 

Maar dat de kunstenaar op het fysieke vlak werkt, brengt iets wat blijvend is voor de geest van de kunstenaar, dat er niet zou zijn als hij niet op het fysieke gebied gewerkt had. Het opnemen van een bezigheid op een lager gebied is het vermogen (Duits: Fähigkeit) van een wezen op een hoger gebied; dat is evolutie. Alleen door de incarnatie wint de mens een verrijking van de geest, die hij anders niet zou verkrijgen. Dat is de betekenis van het vergankelijke voor het onvergankelijke.

Bron: Rudolf Steiner – GA 89 – Bewußtsein/Leben/Form – Berlijn, 19 oktober 1904 (bladzijde 129)

P.S. Als voorbeeld noemt Steiner hier een kunstenaar. Waarom noemt hij niet bijvoorbeeld een bouwvakker of een boekhouder? Zijn dat soms geen bezigheden op een lager gebied die vermogens geven op een hoger gebied? Het lijkt vaak in de antroposofie wel alsof alleen kunst betekenis heeft voor de geest en al het andere als bijv. techniek of economie eigenlijk maar wat minderwaardig is. Wel legt hij vaak genoeg de nadruk op het grote belang van praktisch denken en werken, maar het lijkt vaak wel dat dit iets is dat nu eenmaal op aarde noodzakelijk is, maar eigenlijk niet van betekenis is voor de geest. Maar misschien heb ik het wel verkeerd begrepen.

Eerder geplaatst op 8 januari 2018

hogerlager

Waarneming en wereld

De beleving van de wereld om ons heen hangt af van welke vermogens en organen we hebben om ze waar te nemen. Zouden we andere organen hebben, dan zou ook de wereld geheel anders voor ons zijn. Als de mens bijvoorbeeld geen ogen zou hebben om het licht te zien, maar een orgaan waarmee hij, laten we zeggen, de elektriciteit zou kunnen waarnemen, dan zou u deze ruimte niet als helder, van licht doorstroomd waarnemen. Wel echter zou u in de draden die in deze ruimte liggen de elektriciteit heen en weer zien stromen; dan zou u het overal trillen, flitsen en stromen zien. Zo is dus wat we onze wereld noemen afhankelijk van onze waarnemingsorganen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 100 – Menschheitsentwickelung und Christus- Erkenntnis/Theosophie und Rosenkreuzertum – Kassel, 19 juni 1907 (bladzijde 48)

Eerder geplaatst op 3 augustus 2017  (3 reacties)

imagegen-1

Verborgen geestelijke oorzaken (2 van 2)

Zo kan het ook met een andere veronderstelling gaan. Stel dat men aanneemt, dat het juist is, wat door de geesteswetenschap wordt gezegd, dat de vruchten van een afgelopen leven in de geestelijke kiem van de mens worden opgenomen, en dat het Geestenland, waarin die zich tussen dood en nieuw leven bevindt, het gebied is, waar deze vruchten rijpen, om, nadat zij tot aanleg en vermogens zijn omgevormd, in een nieuw leven tot verschijning te komen, en de persoonlijkheid zo te vormen, dat die verschijnt als de uitwerking van wat in een vorig leven werd verworven. – 

Wie deze veronderstellingen maakt, en daarmee het leven onbevangen beschouwt, zal gewaar worden, dat daardoor de zintuiglijk ervaarbare werkelijkheid in haar volle betekenis en waarheid kan worden erkend, maar dat tevens alles begrijpelijk wordt, wat bij enkel steunen op de zintuiglijk ervaarbare feiten steeds onbegrijpelijk zal moeten blijven voor degene, wiens gezindheid op de geestelijke wereld is gericht. En vooral zal iedere averechtse logica verdwijnen van de soort, die al eerder aangeduid is: als zou de drager van de belangrijkste naam, die aan het eind van een reeks van bloedverwanten staat, om die reden zijn begaafdheid hebben geërfd. Het leven wordt logisch begrijpelijk door de bovenzinnelijke feiten, die door de geesteswetenschap meegedeeld worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS: – Schlaf und Tod (bladzijde 127-128)

Deze vertaling is van F. Wilmar

d877a59596af90e877e493fdda3ee986

Over waarneming van het karma van een mens

Als men op het karma van een mens wil komen, moet men hem niet op zijn beroep, niet op zijn sociale omstandigheden en niet op zijn kunnen of niet-kunnen bekijken, maar men moet diep in zijn ziel gaan, in de eigenschappen, in de vermogens die uiteindelijk in principe in elk beroep tot uitdrukking kunnen komen. Want men moet immers zien naar wat de mens in een vorig aardeleven was. […] 

Men moet er mee beginnen al het uiterlijke te doorzien en naar het innerlijk te kijken, het zuiver menselijke, dat waardoor de mens innerlijk mens, individueel geaard mens is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 346 – Vorträge und Kurse über christlich-religiöses Wirken: V – Dornach, 9 september 1924 (bladzijde 79)

Eerder geplaatst op 23 juni 2016  (7 reacties)