Verandering

De sterkste impulsen, die in het gewone leven op deze verandering (van karaktereigenschappen, temperamenten enz. R.v.D.) aansturen, zijn die van religieuze aard. Wanneer het Ik de impulsen, die uit de religie voortkomen, telkens en telkens weer op zich laat inwerken, dan vormen die in hem een macht, die tot in het etherlichaam doorwerkt en dit op dezelfde wijze verandert, als geringere drijfveren van het leven de verandering van het astraallichaam bewerken.  

Deze geringere drijfveren van het leven, die door leren, nadenken, veredeling van gevoelens enz. tot de mens komen,  staan onder de invloed van het op velerlei wijze afwisselende bestaan; religieuze gevoelens drukken echter op al het denken een zekere stempel van eenheid. Zij verbreiden als het ware een gemeenschappelijk, onverdeeld licht over het gehele zieleleven. De mens denkt en voelt heden dit, morgen dat. De meest uiteenlopende redenen geven daartoe aanleiding. 

Wie echter door zijn religieuze gevoel – van welke aard het dan ook mag zijn – iets bevroedt, wat alle veranderlijkheid doortrekt, die zal al hetgeen hij heden denkt en voelt evenzeer op deze grondstemming betrekken, als hetgeen zijn ziel morgen ervaart. De religieuze belijdenis grijpt daardoor diep in het zieleleven in; de invloeden ervan worden in de loop van de tijd voortdurend sterker, omdat zij bij voortdurende herhaling werken. Daarom krijgen zij de macht om op het etherlichaam in te werken.  

Op een dergelijke wijze werken de invloeden van de ware kunst op de mens in. Wanneer hij door de uiterlijke vorm, door kleur en klank van een kunstwerk de geestelijke achtergrond ervan met zijn voorstellingsvermogen en gevoel doordringt, dan werken de impulsen die het Ik daardoor ontvangt, inderdaad ook tot in het etherlichaam door. Als men deze gedachtengang tot het einde doordenkt, kan men begrijpen, welk een onmetelijke waarde de kunst voor alle menselijke ontwikkeling heeft. Hiermee zijn slechts enkele dingen aangeduid, die aan het ik de impulsen schenken, om op het etherlichaam in te werken. Er zijn veel zulke invloeden in het menselijke leven, die voor de waarnemende blik niet zo duidelijk blijken als de hier genoemde.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS: Wesen der Menschheit – bladzijde 73-74

Deze vertaling is van F. Wilmar 

4697_steiner

Gedachten/ontwikkeling/veredeling

Het gedachtenleven is de meest innerlijke kern van de mens. Zoals een mens denkt, zo is hij. Wie met volharding edele gedachten denkt, drukt op zijn hele wezen het karakter van edelheid. Wie alleen oppervlakkige gedachten door zijn ziel laat trekken, die vormt zijn leven ook oppervlakkig.

Als we een locomotief verwarmen en hem dan staan laten, dan stroomt de warmte nutteloos in alle richtingen. Het komt erop aan dat wij de warmte niet verspillen, maar ze in voortbewegende kracht omzetten. Zoals het in de natuur is, zo is het in het mensenleven. Als de mens denkt, dan kan hij zijn denkkracht in inhoudsvolle of in wezenloze zaken omzetten. Wie zijn gedachten aan oppervlakkige, nietige dingen verspilt, leeft doelloos; wie ze in inhoudsvolle gedachten omzet, werkt aan zijn levensontwikkeling en levensveredeling.

Bron: Rudolf Steiner – GA 034 –  GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis»  – Maart 1904 (bladzijde 451-452)

Eerder geplaatst op 6 december 2013

Niet de belangrijkste vraag is: Hoe kan ik veel weten?

Alle weten, alle kennis is een middel ter mensenvervolmaking en mensenveredeling. Een hogere ethiek, een edele moraal komt als resultaat uit de antroposofie. Niet de belangrijkste vraag is: Hoe kan ik veel weten? Maar: Hoe word ik een volkomener mens, hoe kom ik nader tot mijn bestemming? De inzichten geven de weg naar dit doel. Het belangrijkste aan de antroposofie is de veredeling van de ziel, de zuivering van de lagere natuur.

De grote wet van het karma bijvoorbeeld is er niet om een hogere nieuwsgierigheid te bevredigen; het moet ons laten zien hoe we het leven hebben op te vatten om betere mensen te worden. We leren door de karmawet wat we moeten doen. En zo is het met alles wat de antroposofie wil leren. Alles resulteert in de antroposofische ethiek. Het is volkomen juist: Wat zou het mij helpen als ik door kennis de hele wereld zou winnen en niets zou doen ter veredeling van mijn ziel? De idealen voor onze levenswandel moet de antroposofie geven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 034 –  GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis»: Theosophie und moderne Naturwissenschaft – Februari 1904 (bladzijde 447-448)

Eerder geplaatst op 20 november 2013

Nood, ellende en leed zijn niets anders dan een gevolg van het egoïsme (6 – slot)

Stel u voor dat iemand een geneesmiddel zou uitvinden en er meteen patent op zou aanvragen. Wat laat hij daarmee zien? Hij toont daarmee dat hij meteen aan eigenbelang denkt en helemaal niet door liefde tot deze schepping van het geneesmiddel geleid werd, dat hij helemaal niet van liefde voor de hele mensheid vervuld is. Want als de gezondheid van de mensen voor hem het belangrijkste zou zijn, dan zou hij blij zijn als ook anderen het geneesmiddel zouden produceren om de mensheid te dienen. Ja, hij zou er juist op gebrand zijn dat bekend zou worden wat voor ingrediënten het medicijn bevat en hoe het geproduceerd wordt. En nog wat anders zou optreden: dat hij overtuigd zou zijn dat zijn geneesmiddel, met zijn gezindheid tot stand gebracht, het betere middel is.

En hier hebben wij een belangrijke zin bereikt, die in de geesteswetenschap een grote rol speelt: Er moeten middelen worden gegeven waardoor de ziel veredeld wordt. Wie het denken aanwendt om een heilzame vooruitgang te bereiken, die moet voor alles de kracht van het denken erop richten dat de mensenzielen veredeld worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 266a –Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Hamburg, 3 maart 1906 (bladzijde 130)

Eerder geplaatst op 4 april 2015

Ontwikkeling ten goede

Iemand die met het juiste begrip spirituele waarheden opneemt, dat wil zeggen in concreto de lijnen volgt waarmee de begrippen geschetst worden om het inzicht in de geestelijke wereld te ontsluiten, die zal daardoor in zijn menselijkheid worden verhoogd, die ervaart dingen, die ten enenmale in deze tijd moeten worden geweten tot behoud en de verdere ontwikkeling van de mensheid. Wie de dingen op de juiste manier opneemt, die zal ook ervaren dat zijn instincten, zijn driften, veredeld, verfijnd worden, dat hij alleen al door het enkel beluisteren van geestelijke waarheden een ontwikkeling ten goede doormaakt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 177 – Die spirituellen Hintergründe der äußeren Welt – Dornach, 1 oktober 1917 (bladzijde 55)

Eerder geplaatst op 14 november 2015