De Dood / Verandering van Waarneming en Bewustzijn

Het eerste wat men in gedachten moet houden is dat de andere werelden niet in andere plaatsen zijn, maar dat ze om ons heen zijn net zoals de fysieke wereld en deze doordringen. Daarom gaat de mens na de dood ook niet naar andere plaatsen, alleen de soort en wijze van zijn waarneming en zijn bewustzijn verandert.

Net als bij een blindgeborene, die plotseling kan zien en die dan immers ook niet naar een andere wereld is verplaatst, maar dan slechts een nieuw zintuig heeft geopend, zo is het hetzelfde met mensen wanneer ze sterven of worden ingewijd. Dan is er geen nieuwe, totaal andere wereld om hem heen, alleen zijn dan de zintuigen voor de fysieke wereld uitgeschakeld; daarentegen ziet hij nu wat hem eerder ontging, wat tot dan verborgen was.

Bron: Rudolf Steiner – GA 94 – Populärer  Okkultismus – Leipzig,29 juni 1906 (bladzijde 134)

2-portrait-bust-of-rudolf-steiner-david-dozier

Borstbeeld van Steiner door Bernhard Hoetger

Eerder geplaatst op 11 juni 2020

Verandering

De sterkste impulsen, die in het gewone leven op deze verandering (van karaktereigenschappen, temperamenten enz. R.v.D.) aansturen, zijn die van religieuze aard. Wanneer het Ik de impulsen, die uit de religie voortkomen, telkens en telkens weer op zich laat inwerken, dan vormen die in hem een macht, die tot in het etherlichaam doorwerkt en dit op dezelfde wijze verandert, als geringere drijfveren van het leven de verandering van het astraallichaam bewerken.  

Deze geringere drijfveren van het leven, die door leren, nadenken, veredeling van gevoelens enz. tot de mens komen,  staan onder de invloed van het op velerlei wijze afwisselende bestaan; religieuze gevoelens drukken echter op al het denken een zekere stempel van eenheid. Zij verbreiden als het ware een gemeenschappelijk, onverdeeld licht over het gehele zieleleven. De mens denkt en voelt heden dit, morgen dat. De meest uiteenlopende redenen geven daartoe aanleiding. 

Wie echter door zijn religieuze gevoel – van welke aard het dan ook mag zijn – iets bevroedt, wat alle veranderlijkheid doortrekt, die zal al hetgeen hij heden denkt en voelt evenzeer op deze grondstemming betrekken, als hetgeen zijn ziel morgen ervaart. De religieuze belijdenis grijpt daardoor diep in het zieleleven in; de invloeden ervan worden in de loop van de tijd voortdurend sterker, omdat zij bij voortdurende herhaling werken. Daarom krijgen zij de macht om op het etherlichaam in te werken.  

Op een dergelijke wijze werken de invloeden van de ware kunst op de mens in. Wanneer hij door de uiterlijke vorm, door kleur en klank van een kunstwerk de geestelijke achtergrond ervan met zijn voorstellingsvermogen en gevoel doordringt, dan werken de impulsen die het Ik daardoor ontvangt, inderdaad ook tot in het etherlichaam door. Als men deze gedachtengang tot het einde doordenkt, kan men begrijpen, welk een onmetelijke waarde de kunst voor alle menselijke ontwikkeling heeft. Hiermee zijn slechts enkele dingen aangeduid, die aan het ik de impulsen schenken, om op het etherlichaam in te werken. Er zijn veel zulke invloeden in het menselijke leven, die voor de waarnemende blik niet zo duidelijk blijken als de hier genoemde.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS: Wesen der Menschheit – bladzijde 73-74

Deze vertaling is van F. Wilmar 

4697_steiner

Dwaling

Zoals de individuele mens een heel bepaalde ontwikkeling doormaakt, zoals hij als het ware heel andere krachten heeft als kind, in de kracht van zijn leven, en als grijsaard zo heeft de mensheid in de loop van haar ontwikkeling ook steeds weer andere krachten, en men slaapt om zo te zeggen ten aanzien van de wereldontwikkeling, als men niet onderkent, dat de mensheid wezenlijk anders is in de twintigste eeuw, dan ze was in de vijftiende eeuw, laat staan in de tijd van het Mysterie van Golgotha of nog eerder.

Het behoort tot de grootste gebreken en dwalingen juist van onze tijd, dat men dat wat ik zojuist gezegd heb niet wil onderkennen; dat men van mening is, dat je over de mens of over de mensheid in het algemeen geheel abstract kunt spreken, zonder te weten dat deze mensheid een ontwikkeling doormaakt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 182 – Der Tod als Lebenswandlung – Zürich, 9 oktober 1918 (bladzijde 139)

Vertaling Martien Ockeloen: Hoe werken de engelen in ons astrale lichaam? (bladzijde 2)

Eerder geplaatst op 24 augustus 2014 (7 reacties)

Geesteswetenschap maakt iemand langzaam en geleidelijk tot een ander mens

Door de geesteswetenschap wordt het pas ernst met de menselijke kennis, en daarvoor schrikken de mensen terug. Ze zouden ook de spirituele wetenschap als iets willen hebben wat zo boven aan de oppervlakte van het bestaan kabbelt. Dat het de kern en essentie van de mens benadert, daarvoor zijn de mensen bevreesd. Daarom willen ze de bovenzinnelijke wetenschap niet accepteren. Zouden ze de geesteswetenschap aannemen, dan zou het met veel in het sociale leven, in het historische leven in de nabije toekomst anders moeten worden, dan zouden de mensen in het meest alledaagse leven anders moeten denken. En daar komt het op aan. 

Daarom is het ook zo dat men de andere wetenschap opnemen kan, maar men blijft dezelfde het hele leven door, men wordt alleen rijker aan kennis. Geesteswetenschap moet men niet opnemen zonder dat het iemand verandert, en men kan het niet opnemen zonder dat het iemand verandert. Ze maakt iemand langzaam en geleidelijk tot een ander mens. Men moet geduld hebben, maar ze maakt iemand tot een ander mens, want ze appelleert aan geheel andere mensheidsopgaven, en ze appelleert aan heel wat anders in de menselijke natuur.

Bron: Rudolf Steiner – GA 182 – Der Tod als Lebenswandlung – Heidenheim, 29 april 1918 (bladzijde 58)

Eerder geplaatst op 23 september 2016

Voortdurende verandering

Een mens die u vandaag hebt gezien, zult u morgen of overmorgen of zelfs na jaren nog herkennen, doordat zijn uiterlijke verschijning bestaan is gebleven. Net zo is dat het geval bij het dier, bij de plant, bij het mineraal. Dat is echter geheel niet het geval bij de wezens die alleen op het onstoffelijk gebied (Duits: astralischen Plan) belichaamd zijn. Die hebben voortdurend een wisselende gestalte, een vorm die bij veel wezens op elk moment een andere wordt; want de gestalte die op het astrale plan waargenomen wordt, is een nauwkeurige afdruk van de innerlijke zielservaringen en zielsactiviteiten van deze wezens.

Denkt u zich eens in dat u uw ziel beschouwt in de morgen als u net een verheugende brief hebt ontvangen, en dit prettige bericht u vervuld heeft met vreugde en plezier, en dit gevoel in uw ziel leeft, stelt u zich nu voor hoe uw uiterlijke verschijning iedere keer overeenkomend met het zielenleven verandert, hoe anders deze beelden eruit zouden zien in de middag, als u bijvoorbeeld een overlijdensbericht ontvangt, of op het moment dat woede en angst door u heen trekken. Als dan iedere keer uw uiterlijke vorm veranderd zou worden en dit tot uitdrukking zou brengen wat er in de ziel gaande is, dan zou u een beeld hebben van wat er op het astrale vlak gebeurt. Vandaar dus het verwarrende, het wegglippende en zich voortdurende veranderende van de vormen van de astrale wezens.

Bron: Rudolf Steiner – GA 108 – Die Beantwortung von Welt- und Lebensfragen durch Anthroposophie – Wenen, 21 november 1908 (bladzijde 16)

Eerder geplaatst op 28 juli 2015