Brief Steiner aan Walther Köhler

In het jaar 1921 had Walther Köhler (1870-1946), een kerkhistoricus, publicist en docent Steiner gevraagd voor theologiestudenten te spreken over de relatie van de antroposofie tot religie. Daarbij werd Steiner tevens uitgenodigd als gast bij Köhler thuis.

Hier volgt een fragment uit Steiners antwoordbrief aan Köhler:

Zeer geachte Professor,

Mijn hartelijke dank voor uw beminnelijke brief en uw vriendelijke uitnodiging. Ik zal de voordracht op 19 juli graag houden onder de door u aangegeven omstandigheden.

Ik zal zo vrij zijn op 19 juli om half één bij u te zijn; maar daarbij doet zich een moeilijkheid voor. Ik ben sinds 20 jaar vegetariër, en hoewel ik niet dogmatisch ben ingesteld, kan ik toch geen vlees meer eten, omdat ik het na zo lange tijd niet meer kan verdragen. Wilt u zo vriendelijk zijn mij dat te vergeven en daarbij mijn andere verzoek in te willigen, namelijk bij de maaltijd geen rekening met mij te houden, omdat ik van mening ben dat zulke zonderlingen gewoon tevreden moeten zijn met wat er verder op tafel komt. […] rest van de brief ontbreekt.

Dornach, 12 juli 1921

Bron: Brieven – Rudolf Steiner – Uitgeverij Vrij Geestesleven/Zeist (bladzijde 328)

Vertaling: Hylcke Brandt Buys en Leonard Beuger

GA 39, Brief 647 (bladzijde 477)

rudolf-steiner-austrian-philosopher-social-260nw-1616937607

Eerder geplaatst op 29 april 2018  (14 reacties)

Brief Steiner aan Walther Köhler

In het jaar 1921 had Walther Köhler (1870-1946), een kerkhistoricus, publicist en docent, Steiner gevraagd voor theologiestudenten te spreken over de relatie van de antroposofie tot religie. Daarbij werd Steiner tevens uitgenodigd als gast bij Köhler thuis.

Hier volgt een fragment uit Steiners antwoordbrief aan Köhler:

Zeer geachte Professor,

Mijn hartelijke dank voor uw beminnelijke brief en uw vriendelijke uitnodiging. Ik zal de voordracht op 19 juli graag houden onder de door u aangegeven omstandigheden.

Ik zal zo vrij zijn op 19 juli om half één bij u te zijn; maar daarbij doet zich een moeilijkheid voor. Ik ben sinds 20 jaar vegetariër, en hoewel ik niet dogmatisch ben ingesteld, kan ik toch geen vlees meer eten, omdat ik het na zo lange tijd niet meer kan verdragen. Wilt u zo vriendelijk zijn mij dat te vergeven en daarbij mijn andere verzoek in te willigen, namelijk bij de maaltijd geen rekening met mij te houden, omdat ik van mening ben dat zulke zonderlingen gewoon tevreden moeten zijn met wat er verder op tafel komt. […] rest van de brief ontbreekt.

Dornach, 12 juli 1921

Bron: Brieven – Rudolf Steiner – Uitgeverij Vrij Geestesleven/Zeist (bladzijde 328)

Vertaling: Hylcke Brandt Buys en Leonard Beuger

GA 39, Brief 647 (bladzijde 477)

Eerder geplaatst op 21 oktober 2012

De enige verstandige onder die idiote vegetariërs

In een stad (Kassel?) hield Rudolf Steiner enkele voordrachten, waarvan er een ’s morgens was. De tweede voordracht zou in de middag volgen. Zo kwam de vraag op of men zonder te lang oponthoud een middagmaaltijd zou kunnen gebruiken, en men stelde voor een in de buurt liggend klein restaurant te bezoeken, waar heel goed gekookt werd. Ongeveer twintig deelnemers gingen er op de gegeven tijd naar toe.

Een vooruitbestelling was niet gedaan, en zo kwamen twintig of meer personen met Rudolf Steiner samen onverwachts in het naar verhouding kleine restaurant. Ze vonden weliswaar een plaats, maar er was maar één kelner. En nu ontstond het probleem.

In Steiners tegenwoordigheid waren velen van mening, dat men zijn positieve gezindheid of overtuiging moest bewijzen door een vegetarische maaltijd. Maar zoals dat voor het jaar 1914 gebruikelijk was, waren in dit op ‘vaste klanten’ ingestelde lokaal alleen vleesgerechten.

Men stelle zich de situatie duidelijk voor: ‘Heeft u geen macaroni of spaghetti? Geen groentegerecht? Geen slaschotel? Ja, niet eens aardappelpannenkoeken met bosbessen? Of spinazie met gebakken aardappelen? Of een visgerecht? Een kwarkgerecht? Of..?

Na korte tijd rezen de haren de kelner ten berge en het zweet stond op zijn voorhoofd. Van louter zenuwen was hij nauwelijks nog in staat zijn beleefdheid te bewaren. Zo kwam hij ook bij Rudolf Steiner en vroeg hem naar zijn wensen. Deze keek hem vriendelijk en rustig aan en zei: ‘Brengt u mij de dagschotel, alstublieft.’ En dat was Duitse biefstuk!

Toen het eten afgelopen was en de gasten het lokaal verlieten, hoorde een van de laatsten de diepe verzuchting van de kelner tot de waard: ‘De enige verstandige tussen al die idiote vegetariërs was die slanke, donkere heer in die lange jas!’

Bron: Sie Mensch von einem Menschen! Rudolf Steiner in Anekdoten door Wolfgang G. Vögele (bladzijde 76-77)

Eerder geplaatst op 26 januari 2013

De enige verstandige onder die idiote vegetariërs

In een stad (Kassel?) hield Rudolf Steiner enkele voordrachten, waarvan er een ’s morgens was. De tweede voordracht zou in de middag volgen. Zo kwam de vraag op of men zonder te lang oponthoud een middagmaaltijd zou kunnen gebruiken, en men stelde voor een in de buurt liggend klein restaurant te bezoeken, waar heel goed gekookt werd. Ongeveer twintig deelnemers gingen er op de gegeven tijd naar toe.

Een vooruitbestelling was niet gedaan, en zo kwamen twintig of meer personen met Rudolf Steiner samen onverwachts in het naar verhouding kleine restaurant. Ze vonden weliswaar een plaats, maar er was maar één kelner. En nu ontstond het probleem.

In Steiners tegenwoordigheid waren velen van mening, dat men zijn positieve gezindheid of overtuiging moest bewijzen door een vegetarische maaltijd. Maar zoals dat voor het jaar 1914 gebruikelijk was, waren in dit op ‘vaste klanten’ ingestelde lokaal alleen vleesgerechten.

Men stelle zich de situatie duidelijk voor: ‘Heeft u geen macaroni of spaghetti? Geen groentegerecht? Geen slaschotel? Ja, niet eens aardappelpannenkoeken met bosbessen? Of spinazie met gebakken aardappelen? Of een visgerecht? Een kwarkgerecht? Of..?

Na korte tijd rezen de haren de kelner ten berge en het zweet stond op zijn voorhoofd. Van louter zenuwen was hij nauwelijks nog in staat zijn beleefdheid te bewaren. Zo kwam hij ook bij Rudolf Steiner en vroeg hem naar zijn wensen. Deze keek hem vriendelijk en rustig aan en zei: ‘Brengt u mij de dagschotel, alstublieft.’ En dat was Duitse biefstuk!

Toen het eten afgelopen was en de gasten het lokaal verlieten, hoorde een van de laatsten de diepe verzuchting van de kelner tot de waard: ‘De enige verstandige tussen al die idiote vegetariërs was die slanke, donkere heer in die lange jas!’

Bron: Sie Mensch von einem Menschen! Rudolf Steiner in Anekdoten door Wolfgang G. Vögele (bladzijde 76-77)