Alcohol

De alcohol was vroeger – in de Atlantische tijd- niet op aarde; hij kwam later om de mensen aan hun individualisering te helpen. Hij sluit de mensen van zijn hogere vermogens af en maakt hen in zichzelf gesloten.

Tegenwoordig echter heeft ieder mens in de geciviliseerde wereld dit niveau bereikt, en de alcohol is nu slechts een kwaad. Door het gebruik verliest men de vaardigheid zich aan anderen aan te passen en ze te begrijpen.

Door het gebruik van alcohol bereidt men een vruchtbare voedingsbodem voor talrijke scharen van geestelijke wezens, zoals een slecht schoongemaakte kamer vanzelf vol vliegen raakt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 266a – Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Stuttgart, 13 augustus 1908 (bladzijde 415)

Eerder geplaatst op 28 januari 2016

Waarom zou ik mij bekommeren om wat zich na de dood afspeelt?

Dat is iets wat de mens tegenwoordig maar heel moeilijk inziet. De mens denkt: waarom zou ik mij bekommeren om wat zich in de geestelijke wereld afspeelt? Als ik sterf ga ik hoe dan ook de geestelijke wereld in, dan zal ik wel zien en horen, wat daar is! – In ontelbare variaties kunt u dat horen, die gemakkelijke manier: Ach, wat zou ik mij voor mijn dood druk maken om het geestelijke! Ik zal wel zien wat daar is; want dat kan immers niets veranderen aan mijn verhouding tot de geestelijke wereld, of ik mij er hier mee bezighoud of niet! – Zo is het echter niet. De mens die zo denkt, zal een schemerachtige en duistere wereld kennen leren. Hij zal niet veel kunnen onderscheiden van wat u beschreven vindt in mijn boeken over de geestelijke werelden. Want dat de mens hier in de aardse wereld zijn geest en ziel verbindt met de geestelijke wereld, dat maakt hem pas vaardig tot zien, doordat hij zich hier daarop voorbereidt. De geestelijke wereld is daar; de vaardigheid erin te zien, moet u zich hier op aarde verwerven, anders bent u blind in de geestelijke wereld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 107 – Geisteswissenschaftliche Menschenkunde – Berlijn, 22 maart 1909 (bladzijde 257)

Eerder geplaatst op 7 augustus 2013

Waarom zou ik mij bekommeren om wat zich na de dood afspeelt?

Dat is iets wat de mens tegenwoordig maar heel moeilijk inziet. De mens denkt: waarom zou ik mij bekommeren om wat zich in de geestelijke wereld afspeelt? Als ik sterf ga ik hoe dan ook de geestelijke wereld in, dan zal ik wel zien en horen, wat daar is! – In ontelbare variaties kunt u dat horen, die gemakkelijke manier: Ach, wat zou ik mij voor mijn dood druk maken om het geestelijke! Ik zal wel zien wat daar is; want dat kan immers niets veranderen aan mijn verhouding tot de geestelijke wereld, of ik mij er hier mee bezighoud of niet! – Zo is het echter niet. De mens die zo denkt, zal een schemerachtige en duistere wereld kennen leren. Hij zal niet veel kunnen onderscheiden van wat u beschreven vindt in mijn boeken over de geestelijke werelden. Want dat de mens hier in de aardse wereld zijn geest en ziel verbindt met de geestelijke wereld, dat maakt hem pas vaardig tot zien, doordat hij zich hier daarop voorbereidt. De geestelijke wereld is daar; de vaardigheid erin te zien, moet u zich hier op aarde verwerven, anders bent u blind in de geestelijke wereld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 107 – Geisteswissenschaftliche Menschenkunde – Berlijn 22 maart 1909 (bladz. 257)

Eerder geplaatst op 29 juni 2011.

Waar een vaardigheid zich ontwikkelt, moet een andere terugtreden

De antroposoof is geen reactionair, hij weet, dat de materiële tijd een noodzakelijkheid is. Evenals de dieren die na hun intrek in duistere grotten weliswaar andere organen sterk ontwikkelden, maar de organen van het zien achteruitgingen, zo gebeurt het overal in de geestelijke en fysieke wereld: Waar een vaardigheid zich ontwikkelt, moet een andere terugtreden. De helderziende gave en de kracht van het geheugen moesten terugtreden, zodat het fysieke zien zich kon ontwikkelen. Toen de mens leerde de uiterlijke wereld door natuurwetten te beheersen, moest hij de geestelijke blik erbij inboeten.

Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor dem Tore der Theosophie – Stuttgart 1 september 1906 (bladzijde 108)

Mijn naam is haas, ik weet van niks, is er wat gebeurd dan, daar weet ik niks van

Waarom herinnert de mens zich zijn vroegere incarnaties niet? Deze vraag heeft, zoals zij gesteld is, weinig zin. Dat zult u zo meteen inzien. Het is alsof iemand zegt: ‘De mensen noemen zich mensen, en een vierjarig kind staat voor ons dat niet kan rekenen’, en nu zegt hij: ‘Dit kind kan niet rekenen, het is echter een mens, dus kunnen de mensen niet rekenen.’ – Het is echter een kwestie van ontwikkeling. Ieder mens komt eenmaal op het punt waarop enige gevorderden, die zich vroegere levens kunnen herinneren, al gekomen zijn. Als hij zich niets herinneren kan, dan ligt het eraan dat hij zich deze vaardigheid eerst verwerven moet, zoals het kind zich de vaardigheid van lezen, rekenen en schrijven verwerft. De mens mag niet in dofheid het lot aan zich voorbij laten gaan, als hij zich door zijn belevenissen naar het punt omhoog wil werken waar hij herinneringen heeft aan vroegere aardelevens.

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 – Berlijn 15 februari 1906 (bladzijde 300)