Lachen is gezond

Het is werkelijk zo dat als we tragische, droevige gevoelens ervaren, dan beïnvloedt dit zeer sterk onze stofwisseling, het vertraagt namelijk onze stofwisseling. Alle treurige gevoelens vertragen onze stofwisseling. […]

Als we een uitgesproken treurige belevenis hebben, dan werken we in heel letterlijke zin verhardend op onze stofwisseling terug. Hoewel dat ook bijna onmerkbare processen (Duits: leise Vorgänge) zijn, het is zo. In feite, als u echt verdrietig bent, dan werkt u eigenlijk uw spijsvertering tegen. Het is hetzelfde als wanneer de voeding u als een steen in de maag blijft liggen. […]

Het lachen is werkelijk een proces dat ons organisch gezond maakt, het werkt als een echt gezonde, ongestoorde spijsvertering.

Bron: Rudolf Steiner – GA 302 – Menschenerkenntnis und Unterrichts- gestaltung – Stuttgart, 12 juni 1921 (bladzijde 21)

Eerder geplaatst op 13 juli 2017  (10 reacties)

Lachen is gezond

Iedere prikkeling in de psyche gaat bij het kind over op de circulatie, op de ademhaling, op de stofwisseling

Iedere prikkeling in de psyche gaat bij het kind over op de circulatie, op de ademhaling, op de stofwisseling. Lichaam, ziel, geest zijn nog een. (Steiner spreekt hier met name over de eerst zeven levensjaren. r.v.d.). Daarom dringt iedere opwinding die uit de omgeving komt, verder door in het lichaam van het kind. En wanneer er nu een cholerische leerkracht die zich met zijn cholerisch temperament ongebreideld laat gaan, zich in de omgeving van een kind bevindt, gewoon er is, dan gaan die uitvallen van het cholerisch temperament – wat de leraar onder invloed van zijn temperament doet, wanneer hij niet die zelfbeheersing uitoefent die we nog zullen bespreken – over op de ziel van het kind, planten zich voort tot in het fysieke. 

Dat is het merkwaardige dat het terecht komt in de diepere lagen van het bestaan en wat in het zich ontwikkelende lichaam van de mens terecht komt, komt later tevoorschijn. Als het zaad dat in de herfst in de aarde wordt geplant, in de lente in de plant tevoorschijn komt, net zo komt wat in het kind op z’n achtste, negende jaar terecht komt, in z’n vijfenveertigste, vijftigste jaar weer naar boven en we zien de gevolgen van het cholerische temperament van de leraar die zich laat gaan, in de stofwisselingsziekten, niet alleen bij de volwassene, maar ook bij de mens op leeftijd, aan het licht komen. 

Onderzoek je goed, waarom we deze of gene mens op zijn veertigste, vijftigste jaar tegenkomen, aan reumatiek lijdend, als mens die aan allerlei stofwisselingsziekten lijdt, aan een slechte vertering, onderzoek je waarom dit mens zo is, zoals hij is, waarom hij zo vroeg jicht heeft, dan krijg je als antwoord: veel ervan moeten we toeschrijven simpelweg aan de cholerische leraar die de teugels liet vieren, toen hij met een kind op jonge leeftijd te maken had.

Bron: Rudolf Steiner – GA 308 – Die Methodik des Lehrens und die Lebensbedingungen des Erziehens – Stuttgart, 8 april 1924 (bladzijde 15-16)

Nederlandstalige bron: Rudolf Steiner – De wordende Mens – vertaling: Pieter H.A. Witvliet – Uitgeverij Pentagon

508x840

Eerder geplaatst op 19 september 2017 (5 reacties)

boze-leraar-45889475

Voed jezelf op en laat je kind met rust

[…] het kind is oog in de eerste zeven jaar. Wanneer in de omgeving van het kind – laten we zeggen iets geschreeuwd wordt – een woede-uitbarsting plaatsvindt, wanneer er iemand woedend wordt, dan zal het kind in zijn innerlijk een beeld van deze woede-aanval hebben.[…] Van hieruit gaat nu in heel de circulatie en in het hele vatenstelsel van de stofwisseling iets over wat met die woede-aanval verwant is.

Dat is in de eerste zeven jaar zo en daar stelt het organisme zich op in. Natuurlijk zijn dit geen grove dingen. Fijnzinnige dingen zijn het; maar wanneer het kind in de omgeving van een driftige vader of een driftige opvoeder opgroeit, dan zal het vatenstelsel zich instellen, zich oriënteren op woede. En wat dan uit deze ingeplante aanleg komt, blijft voor het hele leven.

Dat zijn bij het kind de allerbelangrijkste zaken. Wat je het kind zegt, wat je het kind aanleert maakt nog geen indruk; het bootst na wat je in het spreken tot hem zegt, dat maakt indruk.

Maar hoe je bent, of je goed bent en of deze goedheid in je gebaren tot uitdrukking komt of dat je boos bent, opvliegend en dàt uit je gebaren spreekt, kortom alles wat je zelf doet, gaat in het kind verder.

Dat is het wezenlijke. Het kind is helemaal zintuig, reageert op alles wat door de mens als indruk in hem wordt opgeroepen. Daarom is het meest wezenlijke dat je niet gelooft dat je het kind iets zou kunnen leren van wat goed, wat slecht is, dit of dat zou kunnen leren, maar dat je weet: alles wat je doet in de omgeving van het kind, verandert in het kinderlijke organisme in lichaam, ziel en geest.

De gezondheid voor heel zijn leven hangt ervan af hoe jij je in de omgeving van een kind gedraagt. De neigingen die het kind ontwikkelt hangen af van hoe jij je in de omgeving van het kind gedraagt.

nabootsing1

Bron: Rudolf Steiner – GA 311 – Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit – Torquay, 13 augustus 1924 (bladzijde 25-26)

Vertaling: Pieter H.A. Witvliet – De gehele vertaalde voordracht is te vinden op zijn weblog VRIJESCHOOL – PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 311 – voordracht 2

P.S. De titel van deze blog is geen uitspraak van Steiner , maar van Krishnamurti.

Eerder geplaatst op 5 januari 2017  (2 reacties)

Voed jezelf op en laat je kind met rust

[…] het kind is oog in de eerste zeven jaar. Wanneer in de omgeving van het kind – laten we zeggen iets geschreeuwd wordt – een woede-uitbarsting plaatsvindt, wanneer er iemand woedend wordt, dan zal het kind in zijn innerlijk een beeld van deze woede-aanval hebben.[…] Van hieruit gaat nu in heel de circulatie en in het hele vatenstelsel van de stofwisseling iets over wat met die woede-aanval verwant is.

Dat is in de eerste zeven jaar zo en daar stelt het organisme zich op in. Natuurlijk zijn dit geen grove dingen. Fijnzinnige dingen zijn het; maar wanneer het kind in de omgeving van een driftige vader of een driftige opvoeder opgroeit, dan zal het vatenstelsel zich instellen, zich oriënteren op woede. En wat dan uit deze ingeplante aanleg komt, blijft voor het hele leven.

Dat zijn bij het kind de allerbelangrijkste zaken. Wat je het kind zegt, wat je het kind aanleert maakt nog geen indruk; het bootst na wat je in het spreken tot hem zegt, dat maakt indruk.

Maar hoe je bent, of je goed bent en of deze goedheid in je gebaren tot uitdrukking komt of dat je boos bent, opvliegend en dàt uit je gebaren spreekt, kortom alles wat je zelf doet, gaat in het kind verder.

Dat is het wezenlijke. Het kind is helemaal zintuig, reageert op alles wat door de mens als indruk in hem wordt opgeroepen. Daarom is het meest wezenlijke dat je niet gelooft dat je het kind iets zou kunnen leren van wat goed, wat slecht is, dit of dat zou kunnen leren, maar dat je weet: alles wat je doet in de omgeving van het kind, verandert in het kinderlijke organisme in lichaam, ziel en geest.

De gezondheid voor heel zijn leven hangt ervan af hoe jij je in de omgeving van een kind gedraagt. De neigingen die het kind ontwikkelt hangen af van hoe jij je in de omgeving van het kind gedraagt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 311 – Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit – Torquay, 13 August 1924 (bladzijde 25-26)

Vertaling: Pieter H.A. Witvliet – De gehele vertaalde voordracht is te vinden op zijn weblog VRIJESCHOOL – PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 311 – voordracht 2

P.S. De titel van deze blog is geen uitspraak van Steiner , maar van Krishnamurti. 

Eerder geplaatst op 5 januari 2017 (2 reacties)

Iedere prikkeling in de psyche gaat bij het kind over op de circulatie, op de ademhaling, op de stofwisseling

Iedere prikkeling in de psyche gaat bij het kind over op de circulatie, op de ademhaling, op de stofwisseling. Lichaam, ziel, geest zijn nog een. (Steiner spreekt hier met name over de eerste zeven levensjaren. r.v.d.). Daarom dringt iedere opwinding die uit de omgeving komt, verder door in het lichaam van het kind. En wanneer er nu een cholerische leerkracht die zich met zijn cholerisch temperament ongebreideld laat gaan, zich in de omgeving van een kind bevindt, gewoon er is, dan gaan die uitvallen van het cholerisch temperament – wat de leraar onder invloed van zijn temperament doet, wanneer hij niet die zelfbeheersing uitoefent die we nog zullen bespreken – over op de ziel van het kind, planten zich voort tot in het fysieke.

Dat is het merkwaardige dat het terecht komt in de diepere lagen van het bestaan en wat in het zich ontwikkelende lichaam van de mens terecht komt, komt later tevoorschijn. Als het zaad dat in de herfst in de aarde wordt geplant, in de lente in de plant tevoorschijn komt, net zo komt wat in het kind op z’n achtste, negende jaar terecht komt, in z’n vijfenveertigste, vijftigste jaar weer naar boven en we zien de gevolgen van het cholerische temperament van de leraar die zich laat gaan, in de stofwisselingsziekten, niet alleen bij de volwassene, maar ook bij de mens op leeftijd, aan het licht komen.

Onderzoek je goed, waarom we deze of gene mens op zijn veertigste, vijftigste jaar tegenkomen, aan reumatiek lijdend, als mens die aan allerlei stofwisselingsziekten lijdt, aan een slechte vertering, onderzoek je waarom dit mens zo is, zoals hij is, waarom hij zo vroeg jicht heeft, dan krijg je als antwoord: veel ervan moeten we toeschrijven simpelweg aan de cholerische leraar die de teugels liet vieren, toen hij met een kind op jonge leeftijd te maken had.

Bron: Rudolf Steiner – GA 308 – Die Methodik des Lehrens und die Lebensbedingungen des Erziehens – Stuttgart, 8 april 1924 (bladzijde 15-16)

Nederlandstalige bron: Rudolf Steiner – De wordende Mens – vertaling: Pieter H.A. Witvliet – Uitgeverij Pentagon

Eerder geplaatst op 24 november 2016