Het materialisme

Het materialisme kan nooit een bevredigende verklaring van de wereld leveren. Immers bij iedere poging om te verklaren moet men beginnen met zich gedachten over de wereldverschijnselen te vormen. Het materialisme begint derhalve met gedachten over de stof of het stoffelijke gebeuren. Daarmede ziet het zich in feite reeds voor twee verschillende gebieden gesteld; de stoffelijke wereld en de gedachten daarover. Het tracht deze laatste te begrijpen door ze als een zuiver stoffelijk proces op te vatten. Het gelooft, dat het denken in de hersenen ongeveer op gelijke wijze tot stand komt, als de spijsvertering in de stofwisselingsorganen. 

Zoals het materialisme aan de stof mechanische en organische werkingen toeschrijft, zo kent het aan de stof ook het vermogen toe, onder bepaalde voorwaarden te denken. Het vergeet echter,dat het nu het probleem slechts verschoven heeft. In plaats van aan zichzelf, schrijft het materialisme het vermogen om te denken aan de materie toe. En daarmee is het dan weer bij zijn uitgangspunt teruggekomen. 

Hoe komt de stof er toe over zijn eigen wezen te gaan nadenken? Waarom is hij niet eenvoudig met zichzelf tevreden en aanvaardt zijn bestaan? Van het bepaalde subject, van ons eigen Ik, heeft de materialist zijn blik afgewend en is terecht gekomen bij een onbepaald, een vaag complex. En hier staat hij dan weer voor hetzelfde  raadsel. De materialistische beschouwing is niet in staat het probleem op te lossen, doch kan het slechts verschuiven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 4 – DIE  PHILOSOPHIE DER  FREIHEIT – II. Der Grundtrieb zur Wissenschaft (Seite 30-31)

Nederlandstalige bron: Rudolf Steiner – De filosofie der vrijheid – Uitgeverij Servire – Vertaling P. Los-Wierixks

cms_visual_1224816.jpg_1567871351000_286x450

De basis voor een gezonde pedagogiek en didactiek

Geesteswetenschap leidt niet tot vage, mystieke luchtkastelen, maar brengt je juist bij een echte kennis van het werkelijke, stoffelijke leven, omdat degene die de geest kent, weet hoe de geest met en in het materiële scheppend werkt.

Niet wie op de een of andere manier weg wil lopen voor het stoffelijke bereikt het geestelijke, maar wel wie in de geest de kracht ziet, hoe de geest in de stof werkzaam is. Dat alleen kan de basis vormen voor een gezonde pedagogiek en didactiek. 

En wanneer men nu eens tot in detail zou zien hoe deze antroposofische geesteswetenschap overal in de werkelijkheid werkzaam wil zijn, hoe ze ver, ver afstaat van ongezonde zaken, die tegenwoordig zo vaak in alle mogelijke mystieke zaken, in spiritisme enz. woekeren, wanneer men zou inzien hoe een echte kennis van de geest nu juist de werkelijkheid kent, ook tegelijkertijd kennis van de stof betekent, dan zou men een gezonder oordeel over de antroposofische geesteswetenschap kunnen krijgen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 304 – Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf  anthroposophischer Grundlage – Dornach, 26. september 1921 (blz. 81)

Vertaling: Pieter Witvliet. Voor zijn vertaling van de gehele voordracht zie: VRIJESCHOOL – PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN

51fBZEDSD9L._SX309_BO1,204,203,200_

Materie is een verdichte vorm van geest

Het moet ons duidelijk zijn dat alles wat voor onze ogen zichtbaar is, niets anders is dan uit de geest ontstaan. Niets materieels is er, dat niet een geestelijke basis heeft. Een al vaker gebruikte vergelijking: een kind laat ons ijs zien. Wij zeggen: het is water in een andere vorm. – Het kind zal dan zeggen: Jij zegt, het is water, maar het is toch ijs. – Daarop zal men zeggen: Jij kent niet de wijze waarop water in ijs overgaat. – Net zo is het voor degene die niet weet, dat materie een verdichte vorm van geest is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – Die Erkenntnis der Seele und des Geistes – München, 3 december 1907 (bladzijde 197)

Eerder geplaatst op 8 april 2016

Materie is een verdichte vorm van geest

Het moet ons duidelijk zijn dat alles wat voor onze ogen zichtbaar is, niets anders is dan aus dem Geiste heraus Entstandenes (moeilijk vertaalbaar). Niets materieels is er, dat niet een geestelijke basis heeft. Een al vaker gebruikte vergelijking: een kind laat ons ijs zien. Wij zeggen: het is water in een andere vorm. – Het kind zal dan zeggen: Jij zegt, het is water, maar het is toch ijs. – Daarop zal men zeggen: Jij kent niet de wijze waarop water in ijs overgaat. – Net zo is het voor degene die niet weet, dat materie een verdichte vorm van geest is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – München 3 december 1907 (bladzijde 197)