Scholen moeten de mensen weer iets leren dat waarde heeft

Scholen moeten de mensen weer iets leren dat waarde heeft. Tegenwoordig hecht men veel waarde aan de vaardigheden waarmee je machines kunt maken. Door de geesteswetenschap wordt hier niets tegen ingebracht, want dat heeft  zijn grote waarde; maar hoe men met mensen omgaat, wordt helemaal niet geleerd; er wordt een abstracte sociale wetenschap geleerd die men uitvindt omdat men de mensen niet kent. Die moet men eerst leren kennen, maar dan zoals wij dat hier doen. Helaas wordt wat ik u hier vertel niet geleerd. Denk aan uw eigen schooltijd! Waar wordt zoiets onderwezen? En dat is wat de mensen vandaag missen.

Wat de mens vandaag de dag leert, dat is alsof je stenen in zijn maag legt. Dat verdraagt hoogstens een gans, maar een mens niet. Als je stenen in de maag van de mens stopt, dan ruïneert hij zijn spijsverteringsstelsel. Als u de mensen leert wat tegenwoordig wordt geleerd, dan ruïneert u eigenlijk zijn hoofd. Nietwaar, als ik mijn arm niet gebruik, wordt hij zwak. Als ik mijn hoofd niet goed gebruik, wordt het hoofd zwak. Maar het hoofd heeft ook tijdens de kieming in het moederlichaam al sterrenkrachten ontvangen. Als u niets vertelt en het hoofd geen gedachten kan hebben van de sterren, dan blijft het zwak, net zoals de spieren wanneer je ze niet gebruikt.

Als je het kind niets bijbrengt over de wereld, dan moet het hoofd zwak blijven. En de schade van de huidige toestand is hoofdzakelijk veroorzaakt doordat mensen een zwak hoofd hebben en niets begrijpen van elkaar, gescheiden zijn in sociale klassen en helemaal niets begrijpen van elkaar. Het is hetzelfde alsof ik van mensen atleten wil maken, maar hun biceps heel zwak laat. Zo is het met mensen die ik wil vormen en ik hun hoofd zwak laat, zodat ze dan gewoon niet weten wat ze zouden moeten weten.

 Bron: Rudolf Steiner – GA 348 – Über Gesundheit und Krankheit – Dornach, 24 oktober 1922 (bladzijde 56)

rudolfsteinerlecture2011_18-2013_08_19-08_19_05-utc

Antroposofie en socialisme (10 van 11) – Niets is onjuister dan de bewering dat antroposofie een wereldvreemde geestesstroming is

Van de geest uit wordt de wereld geleid en wie iets wil bijdragen aan haar leiding, die moet de essentie van het geestelijke begrijpen. Het spiritueel inzicht moet daarom de ziel van de sociale veranderingen worden. En alleen als op deze grondslag de materiële interesses zich verheffen, kan het welzijn van de mensheid daaruit voortkomen. Er kan daarom niets onjuister zijn dan de bewering dat antroposofie een wereldvreemde geestesstroming is, waarvan men niets zou kunnen verwachten voor het geluk van het volk en de bevrijding van de mensen. Nee, in de antroposofie leeft juist de kennis, dat men de bouw van de menselijke samenleving niet bewerkstelligt als men enkel wat stenen en dakpannen op elkaar legt, maar als men vóór alle dingen zich in volle toewijding verdiept in het plan voor deze bouw. En daarvan willen tegenwoordig diegenen niet weten, die er aanspraak op maken in sociale aangelegenheden mee te denken en mee te doen. Zij vermoeden daarvan niets en willen er in hun materialistische verblinding ook niets van inzien, dat zij het ware wezen van de mens onderzoeken moeten.

Bron: Rudolf Steiner – GA 034 –  GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis»  (bladzijde 439)

Eerder geplaatst op 21 oktober 2011

Gebrek aan achting, antipathie, onderschatting van het waardeerbare brengen het kennend vermogen tot verlamming en verval

Het valt de mens aanvankelijk niet licht aan te nemen dat gevoelens als eerbied, achting enz. van betekenis zijn voor zijn kenvermogen. De reden daarvan ligt in ’s mensen geneigdheid om zich dit laatste als een op zichzelf staand vermogen voor te stellen, geen verband houdende met het overige zielengebeuren. Men vergeet daarbij dat het de ziel is, die de gave van het kennen bezit. En voor de ziel zijn gevoelens hetzelfde wat voor het lichaam de voedingsstoffen zijn. Geeft men het lichaam stenen in plaats van brood, dan komt zijn werkzaamheid tot stilstand. Zo is het ook met de ziel. Voor haar zijn gevoelens van verering, van achting en devotie voedende stoffen, die haar sterk en gezond maken, bovenal haar kracht geven om tot inzicht te komen. Gebrek aan achting, antipathie, onderschatting van het waardeerbare brengen het kennend vermogen tot verlamming en verval. […] De verering wekt in de ziel een kracht van sympathie, waardoor eigenschappen van het ons omringende die anders verborgen blijven tot ons worden getrokken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 10 – Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten? (bladzijde 25)

Vertaling overgenomen uit de vierde druk van de Nederlandstalige uitgave (bladzijde 21-22).

Eerder geplaatst op 1 april 2013

Gebrek aan achting, antipathie, onderschatting van het waardeerbare brengen het kennend vermogen tot verlamming en verval

Het valt de mens aanvankelijk niet licht aan te nemen dat gevoelens als eerbied, achting enz. van betekenis zijn voor zijn kenvermogen. De reden daarvan ligt in ’s mensen geneigdheid om zich dit laatste als een op zichzelf staand vermogen voor te stellen, geen verband houdende met het overige zielengebeuren. Men vergeet daarbij dat het de ziel is, die de gave van het kennen bezit. En voor de ziel zijn gevoelens hetzelfde wat voor het lichaam de voedingsstoffen zijn. Geeft men het lichaam stenen in plaats van brood, dan komt zijn werkzaamheid tot stilstand. Zo is het ook met de ziel. Voor haar zijn gevoelens van verering, van achting en devotie voedende stoffen, die haar sterk en gezond maken, bovenal haar kracht geven om tot inzicht te komen. Gebrek aan achting, antipathie, onderschatting van het waardeerbare brengen het kennend vermogen tot verlamming en verval. […] De verering wekt in de ziel een kracht van sympathie, waardoor eigenschappen van het ons omringende die anders verborgen blijven tot ons worden getrokken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 10 – Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten? (bladzijde 25)

Vertaling overgenomen uit de vierde druk van de Nederlandse uitgave (bladzijde 21-22).

Dat verdraagt hoogstens een gans, maar een mens niet

Beste lezers en lezeressen,

Tot mijn spijt is het citaat van vandaag in het Duits. Ik ben al wekenlang moe en heb momenteel de energie niet om te vertalen.

Dasjenige, was der Mensch heute lernt, das ist geradeso in ihm, wie wenn Sie ihm Steine in den Magen hineinlegen. Das verträgt höchstens eine Gans, aber nicht der Mensch. Wenn Sie dem Menschen Steine in den Magen hineingeben, dann ruiniert er seinenVerdauungsapparat. Wenn Sie den Menschen das lehren, was heute gelehrt wird, so ruinieren Sie eigentlich seinen Kopf. Nicht wahr, wenn ich meinen Arm nicht gebrauche, wird er schwach. Wenn ich meinen Kopf nicht richtig gebrauche, wird der Kopf schwach. Aber der Kopf hat auch während des mütterlichen Keimens schon Sternenkräfte bekommen. Wenn Sie ihm nichts erzählen und er keine Gedanken haben kann von den Sternen, so bleibt er schwach, geradeso wie die Muskeln, wenn man sie nicht gebraucht. Wenn man dem Kind nichts beibringt von der Welt, so muß der Kopf schwach bleiben. Und der hauptsächlichste Schaden des heutigen Zustandes ist – Sie müssen das nicht übel nehmen -, daß die Menschen schwache Köpfe haben und nichts verstehen voneinander, sich nach Klassen trennen und gar nichts verstehen voneinander. Das ist geradeso, wie wenn ich Menschen zu Athleten machen will und ihnen ihren Bizeps ganz schwach lasse. So ist es mit Menschen, die ich ausbilde und deren Kopf ich schwach lasse, weil sie dann gerade dasjenige nicht wissen, was sie wissen sollten.

Bron: Rudolf Steiner – GA 348 – Über Gesundheit und Krankheit – Dornach 24 oktober 1922 (bladzijde 56)

P.S. Zie voor de vertaling van deze tekst hieronder bij de reactie van Anoniem.