Een onontwikkeld verstand kan soms grote geestelijke vermogens verbergen

Tegenwoordig zijn de meeste mensen in occult opzicht verder dan het lijkt, en het zou ook velen bekend zijn als niet de materiële omstandigheden en onze materialistische tijd het niet zo zeer in het innerlijke leven van de ziel terug zou dringen. Een groot percentage van de mensen van vandaag de dag was vroeger verder.

Het hangt van verschillende dingen af, of wat in de mensen aanwezig is, naar buiten komt. Stelt u zich voor, een mens staat voor mij. In zijn vroegere incarnatie was hij een hoogontwikkelde individualiteit, heeft nu echter onontwikkelde hersens. Een onontwikkeld verstand kan soms grote geestelijke vermogens bedekken. Als men hem echter de gewone aardse vaardigheden bijbrengt, dan is het mogelijk dat ook het innerlijk geestelijke naar buiten komt.

Nu hangt het echter niet alleen hiervan af, maar ook van de omgeving waarin de mens leeft. De mens is in hoge mate (Duits: ganz bedeutsamer Weise) een spiegelbeeld van zijn omgeving. Stel, een mens is een hoogontwikkelde persoonlijkheid, hij leeft echter in een omgeving die alleen bepaalde vooroordelen in hem wekt en ontwikkelt, die dan zo krachtig werken dat de hogere aanleg niet uit hem kan komen. Als een dergelijk mens niet iemand vindt, die het uit hem naar boven haalt, dan blijft het in hem verborgen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 54 – Die Welträtsel und die Anthroposophie – Berlijn, 7 december 1905 (bladzijde 226-227)

Eerder geplaatst op 2 april 2014

Egoïsme/Zielekracht

Een mens kan niet sterk en krachtig worden wanneer hij van de morgen tot de avond zit te piekeren: Wat moet ik nu denken? Wat moet ik nu doen? Wat doet mij nu weer pijn? enzovoort, maar wel wanneer hij op zijn hart laat inwerken wat er in zijn omgeving aanwezig is aan schoonheid en grootsheid, wanneer hij begrip en belangstelling heeft voor alles wat andere harten in gloed zet of wat andere mensen moeten ontberen. Wanneer we die gevoelens in  ons laten opstijgen, waardoor wij komen tot begrip voor en deelname aan de wereld om ons heen, brengen wij in onszelf levenskrachten in de gevoelswereld tot ontwikkeling. Dan overwinnen wij het kleinzielige egoïsme en verhogen en verrijken ons ik, doordat we het in harmonie brengen met onze omgeving. […]

Zolang de mens alleen voor zichzelf kan willen, zolang zijn wilsimpulsen alleen nastreven wat bevorderlijk is voor zijn eigen wezen, zal hij zich steeds onbevredigd voelen. Pas wanneer hij in de buitenwereld het spiegelbeeld van zijn wilsimpulsen ziet, wanneer zich daar de verwerkelijking van zijn wilsimpulsen afspeelt, kan hij zeggen dat hij zijn willen in harmonie heeft gebracht met wat er in zijn omgeving gebeurt. Dan is het inderdaad zo, dat onze eigen sterkte en kracht niet tot ontwikkeling gebracht worden door wat wij voor onszelf willen, maar dat wij willen voor de omgeving, voor de andere mensen; dat onze wil zich verwerkelijkt en als spiegelbeeld weer tot ons terugkeert. Zoals het licht het oog in ons tevoorschijn heeft geroepen, zo doet onze zielekracht zich in ons ontstaan uit de wereld van onze daden, van ons werken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 58 – Metamorphosen des Seelenlebens/Pfade der Seelenerlebnisse – Erster Teil – Berlijn, 25 november 1909 (bladzijde 235-236)

Vertaling door Margreet Meijer-Kouwe, overgenomen uit Metamorfosen van het zieleleven – Uitgeverij Vrij Geestesleven/Tweede druk 1985 (bladzijde 136-137)

Eerder geplaatst op 23 april 2017

Niet alleen maar een slechte tijd

Niemand hoeft te denken dat deze tijd (Steiner spreekt hier over de louteringstijd na de dood, ook wel vagevuur of kamaloka genoemd) alleen maar een totaal vreselijke tijd is, alleen maar een tijd waarin men brandende dorst ervaart, waarin men begeerten beleeft. Dat alles is er zeer zeker; maar het is niet het enige. We doorleven ook alles wat we tussen geboorte en dood aan geestelijks hebben doorgemaakt,we beleven ook de goede gebeurtenissen van het leven zo, dat we ze als het ware in spiegelbeeld voor ons hebben.

Bron: Rudolf Steiner – GA 119 – Makrokosmos und Mikrokosmos/Die große und die kleine Welt/Seelenfragen, Lebensfragen, Geistesfragen – Wenen, 19 maart 1910 (bladzijde 21)

Egoïsme/Zielekracht

Een mens kan niet sterk en krachtig worden wanneer hij van de morgen tot de avond zit te piekeren: Wat moet ik nu denken? Wat moet ik nu doen? Wat doet mij nu weer pijn? enzovoort, maar wel wanneer hij op zijn hart laat inwerken wat er in zijn omgeving aanwezig is aan schoonheid en grootsheid, wanneer hij begrip en belangstelling heeft voor alles wat andere harten in gloed zet of wat andere mensen moeten ontberen. Wanneer we die gevoelens in  ons laten opstijgen, waardoor wij komen tot begrip voor en deelname aan de wereld om ons heen, brengen wij in onszelf levenskrachten in de gevoelswereld tot ontwikkeling. Dan overwinnen wij het kleinzielige egoïsme en verhogen en verrijken ons ik, doordat we het in harmonie brengen met onze omgeving. 

[…] Zolang de mens alleen voor zichzelf kan willen, zolang zijn wilsimpulsen alleen nastreven wat bevorderlijk is voor zijn eigen wezen, zal hij zich steeds onbevredigd voelen. Pas wanneer hij in de buitenwereld het spiegelbeeld van zijn wilsimpulsen ziet, wanneer zich daar de verwerkelijking van zijn wilsimpulsen afspeelt, kan hij zeggen dat hij zijn willen in harmonie heeft gebracht met wat er in zijn omgeving gebeurt. Dan is het inderdaad zo, dat onze eigen sterkte en kracht niet tot ontwikkeling gebracht worden door wat wij voor onszelf willen, maar dat wij willen voor de omgeving, voor de andere mensen; dat onze wil zich verwerkelijkt en als spiegelbeeld weer tot ons terugkeert. Zoals het licht het oog in ons tevoorschijn heeft geroepen, zo doet onze zielekracht zich in ons ontstaan uit de wereld van onze daden, van ons werken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 58 – Metamorphosen des Seelenlebens/Pfade der Seelenerlebnisse – Erster Teil – Berlijn, 25 november 1909 (bladzijde 235-236)

Vertaling door Margreet Meijer-Kouwe, overgenomen uit Metamorfosen van het zieleleven – Uitgeverij Vrij Geestesleven/Tweede druk 1985 (bladzijde 136-137)

Schrikwekkende astrale wereld  

Voor een onervarene is de astrale wereld een grote wirwar. Hij kan beleven dat allerlei dierlijke gestalten op hem afkomen, ook afschrikwekkende mensengestalten en dergelijke. Er zijn mensen die zulke belevenissen vertellen. Zij zijn werkelijk in een zeer betreurenswaardige toestand, als door een ziekte voor hen de astrale wereld op ongeregelde wijze zichtbaar is geworden. Als men begint ernstig te mediteren, zich te scholen, dan ontwikkelt de helderziendheid zich regelmatig en dan weet men wat het is in de astrale wereld. Bij die andere mensen heeft zich de blik in de astrale wereld door een ziekte van de hersenen of iets dergelijks ongeregeld geopend. Verschrikkelijke gestalten die ze op zich toe zien komen, die zich op hen storten, zijn in werkelijkheid hun eigen hartstochten, die van hen uitgaan en die zich in de astrale wereld in spiegelbeeld tonen. Omdat in de astrale wereld alles omgekeerd is en zij het lezen daarin niet kennen, stormt alles op hen af. Daar verschijnt alles in beelden. Uitbrekende woede bijvoorbeeld kan verschijnen in een beeld van een tijger, die hen aanvalt. Zo is het met al deze wilde gestalten. Want elke begeerte, elke hartstocht wordt tot een demon. De ongeoefende mens weet daarmee echter niets te beginnen en houdt de waarneming voor een inbeelding, een fantasterij, maar dat is het beslist niet. Het is een beeld, een spiegelbeeld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 94 – Kosmogonie – Leipzig 29 juni 1906 (bladzijde 135)

Eerder geplaatst op 4 juni 2012