Een kamer zonder licht

Alles wat we bedenken en ook praktisch kunnen invoeren aan externe instellingen, en wat we nog meer uitdenken in de vele programma’s (Duits: Schemen) die er vandaag de dag zijn over het sociale leven, dat lijkt voor iemand die moraliteit in het licht van spirituele kennis ziet zodanig dat hij zegt: De sociale kwestie behandelen zonder de morele kwestie is alsof  men een kamer zonder licht heeft en de objecten daarin moet zoeken zonder dat er licht in is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 218 – Geistige Zusammenhänge in der Gestaltung des menschlichen Organismus: Erziehungs- und Unterrichtsfragen – Londen, 19 november 1922 (bladzijde 241)

Eerder geplaatst op 25 januari 2018  (4 reacties)

db21bf73268843.5c0c523fb7df9

Vermomde eigenliefde

Het weliswaar hartverwarmende, maar egoïstische gepraat dat wij onze naaste moeten liefhebben en deze liefde ook bij iedere gelegenheid moeten laten blijken, dat vormt nog niet het sociale leven. In de meeste gevallen is dat een zeer egoïstisch soort liefde. Menigeen ondersteunt zelfs, met datgene wat hij, je zou kunnen zeggen, eerst heeft buitgemaakt, met aartsvaderlijke goedertierenheid zijn medemensen, om daardoor een object te scheppen voor zijn eigenliefde, omdat hij zich dan van binnen kan warmen aan de heerlijke gedachte: ‘Wat ben ik toch een goed mens!’ Maar hij komt niet op het idee, dat een groot deel van deze zogenaamde weldaden vermomde eigenliefde is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 186 – Sociale en antisociale impulsen in de mens – Bern, 12 december 1918 (bladzijde 169)

Vertaling: Wyts ten Siethoff

Eerder geplaatst op 30 augustus 2017  (2 reacties)

Destructieve krachten

De duivel is het wezen dat in de toekomst de drager van de cultuur zal zijn en moet zijn. Het is een bittere, maar belangrijke waarheid, dat zich in de loop van de cultuur in de toekomst destructieve krachten moeten mengen. In het bijzonder – en daarover zal ik morgen spreken – zullen zich destructieve krachten, als de zaak niet op een verstandige manier wordt geleid, in alle opvoeding mengen, vooral in de opvoeding van kinderen. Maar ook in het hele sociale samenleven van mensen zullen zich steeds meer en meer vanwege de algemene cultuur, vanwege de gewoonten, vanwege de emoties van de mensen, destructieve krachten mengen, krachten die boven alles de verhoudingen tussen de mensen steeds meer zullen vernietigen.

De mens zou ernaar moeten streven het woord van Christus te realiseren: “Waar twee of drie verenigd zijn in Mijn naam, daar ben Ik in hun midden.” Maar de technische, commerciële cultuur maakt dit niet tot waarheid, maar het andere: Waar twee of meer in mijn naam ruziemaken en vechten en elkaar bestrijden, daar ben ik in hun midden. – En dat zal steeds meer in het sociale leven binnenkomen en hierdoor is er in het algemeen de moeilijkheid om waarheden in te voeren die de mensen vandaag de dag samenbrengen.

Bron: Rudolf Steiner – GA177 – Die spirituellen Hintergründe der äußeren Welt – Dornach, 6 oktober 1917 (bladzijde 78)

Imponderabele invloeden

Het is niet overdreven om te zeggen: degene die in de omgeving van het kind, voor zover dit vóór het zevende jaar is, vanuit zijn innerlijk heel erg zijn best doet een goed mens te zijn, een mens die goed in het leven staat, die gewetensvol zich voorneemt om zelf in zijn gedachte-, zijn gevoelsleven tegenover het kind niets verkeerds te doen, ook niet onuitgesproken, heeft door het imponderabele van het leven op de sterkste manier invloed op het kind.

Wat dit betreft is er nog veel waarnaar gekeken moet worden, wat – als ik het zo mag zeggen – nog tussen de regels van het leven staat. Toen we ons langzamerhand in een meer materialistisch leven, vooral wat betreft de fijnzinnigere dingen in het leven, ingekapseld hebben, raakten we er meer aan gewend dergelijke dingen onbelangrijk te vinden. Pas wanneer ze weer naar waarde geschat worden, zal er in de pedagogie een bepaalde impuls komen die deze pedagogie dan ook nodig heeft, vooral in een tijdperk dat zich sociaal, een sociaal denkend tijdperk wil noemen. Je kan bepaalde levenservaringen niet op de juiste manier inschatten, wanneer je niet die dingen in het oog vat die aan geest en ziel van de mens ten grondslag liggen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 297 – Idee und Praxis der Waldorfschule: Geisteswissenschaft und Pädagogik – Bazel, 27 november 1919 (blz. 163-164)

Vertaling: Pieter Witvliet. Voor zijn vertaling van de gehele voordracht zie: VRIJESCHOOL – PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN

Als arbeider in Amerika

Onlangs is een buitengewoon interessant boek verschenen: Als Arbeiter in Amerika. De schrijver van het boek is ‘Regierungsrat’ Kolb, een hoofdcommies aan een ministerie. Deze durfde het aan om maandenlang als een gewoon arbeider in Amerika door te brengen. En daar heeft hij zich een oordeel over mensen en leven gevormd, dat er klaarblijkelijk heel anders uitziet dan hij zich eigen maakte in de jaren van zijn opleiding en tijdens zijn carrière voor hij hoofdcommies werd. Hij bekleedde jarenlang een betrekkelijk verantwoordelijke positie, en pas als hij deze heeft opgegeven en –korte tijd- in een ver land heeft geleefd, leert hij het leven zó kennen dat hij in zijn boek de volgende behartenswaardige zin schrijft: ‘Hoe vaak heb ik mij vroeger, wanneer ik een gezonde man zag bedelen, niet met morele verontwaardiging afgevraagd: Waarom werkt die schooier niet? Nu wist ik het. In theorie zien de dingen er wel even anders uit dan in de praktijk. En zelfs de onmogelijkste economische begrippen kan men van achter een bureau best hanteren.’ Nu moet hierdoor niet het geringste misverstand worden opgeroepen. De grootst mogelijke waardering verdient deze man, die werkelijk een zelfoverwinning behaalde door uit zijn behaaglijke levenssituatie te stappen, om zwaar werk in een brouwerij en een fietsenfabriek te verrichten. De grote waardering voor deze daad moet allereerst sterk benadrukt worden, opdat men niet zou kunnen denken dat de man nu aan een afbrekende kritiek zal worden onderworpen.

Maar voor iedereen die het wil zien, is zonder meer duidelijk dat alle vorming, alle wetenschap die deze man ondergaan heeft, hem geen goed oordeel over het leven hebben gegeven. Men probere het zich eens goed te realiseren, wát daarmee wordt erkend: Men kan alles leren waardoor men tegenwoordig in staat wordt gesteld om een betrekkelijk leidende positie in te nemen, en daarbij toch heel ver van het leven af staan; datzelfde leven waarop men geacht wordt invloed uit te oefenen.

Is dat niet net zoiets als wanneer men op een school zou worden opgeleid om bruggen te bouwen, en men er dan niets van blijkt te kunnen wanneer men voor de opgave staat om echt een brug te bouwen?! Maar néé, deze vergelijking gaat toch niet helemaal op: het zal namelijk vlug genoeg blijken wanneer iemand incompetent is bij het bouwen van een brug. Hij zal zich ontpoppen als een knoeier die wordt afgewezen. Wanneer echter iemand slecht is voorbereid om in het sociale leven te werken, dan zullen zijn gebreken niet zo snel aan het licht treden. Slecht gebouwde bruggen storten in, en zelfs voor de meest bevooroordeelde persoon is het dan duidelijk dat de constructeur van de brug een knoeier is. Wat echter in het sociale leven wordt verknoeid, blijkt alleen uit het feit dat de medemensen daaronder lijden. En de samenhang tussen dit lijden en knoeierij ziet men niet zo gemakkelijk als de samenhang tussen het instorten van een brug en een incompetente constructeur.

Bron: Rudolf Steiner – GA 34 – LUCIFER- GNOSIS 1903-1908/Geisteswissenschaft und soziale Frage (bladzijde 193-195)

Overgenomen uit het boekje Antroposofie en het sociale vraagstuk – Vertaling Edith Boeke – 1982 – Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist

Eerder geplaatst op 19 november 2015