Wie kent niet de spotters, die zo gaarne treffend kritiek leveren op de tekortkomingen van een ander?

Eigenlijk bestaat er niets ergers dan geen poging te doen om begrip op te brengen voor menselijk voelen, menselijk gewaarworden en menselijk leven. Dit houdt natuurlijk niet in – hierop moet steeds weer de nadruk worden gelegd – dat men aan alle onrecht, dat mogelijk in de wereld geschiedt, kritiekloos kan voorbijgaan. Want dat zou een onrechtvaardigheid betekenen ten opzichte van de wereld. Maar wel houdt het iets anders in: terwijl men er vóór zijn geestelijke ontwikkeling een zeker genoegen in kon scheppen om aanmerkingen te maken op de fouten van een ander, houdt dit genoegen in de loop van de ontwikkeling eigenlijk geheel op. Wie kent niet de spotters, die zo gaarne treffend kritiek leveren op de tekortkomingen van een ander? Niet dat een juist oordeel over menselijke fouten achterwege zou moeten blijven, niet dat onder alle omstandigheden bijvoorbeeld een daad als Erasmus van Rotterdam met zijn boek De Lof der Zotheid afgewezen zou moeten worden. Neen, het kan zeer zeker gerechtvaardigd blijven scherp te zijn ten opzichte van de fouten, die in de wereld geschieden.

Wie echter een ontwikkelingsweg gaat, voelt hoe iedere afkeuring, die hij moet uitspreken of in daden moet omzetten, hem hoe langer hoe meer met smart vervult. En deze smart ten gevolge van het moeten berispen kan een soort barometer worden van de esoterische ontwikkeling. Hoe meer genoegen men er nog in schept de wereld af te keuren of lachwekkend te vinden des te minder is men werkelijk rijp om vorderingen te maken. Allengs moet er een soort gevoel ontstaan, waarmee men de dwaasheden en de fouten van de wereld kan bekijken met een spottende en een betraand oog, met een nat en een droog oog.

Bron: Rudolf Steiner – GA 145 – Welche Bedeutung hat die okkulte Entwicklung des Menschen für seine Hüllen und sein Selbst ? – Den Haag, 24 maart 1913 (bladzijde 97-98)

Vertaling: H. van Boetzelaer-Mazel/Ir. H. de Breij/A. van der Laan-Schepers, overgenomen uit Innerlijke ontwikkeling door antroposofie 

9-240809511.jpg(mediaclass-fancybox-big-img.5a17fc1f47109709397ae88813c748b421ef8e41)

DESIDERIUS ERASMUS

Eerder geplaatst op 11 maart 2018

Door misère vooruit

Zeker, we maken moeilijke, smartelijke levenservaringen door, maar in een grotere levenssamenhang blijken juist pijnlijke en zware levenservaringen ons leven het meeste te verrijken, ons het meeste voor het leven sterker te maken. Het gaat erom deze voortdurende stemming, die in het onderbewuste van de ziel aanwezig is, een weinig in het bewustzijn omhoog te halen, deze stemming: Leven, jij tilt en draagt mij, jij zorgt dat ik vooruitkom.

Bron: Rudolf Steiner – GA 181 – Erdensterben und Weltenleben – Berlijn, 26 maart 1918 (bladzijde 128)

Eerder geplaatst op 20 januari 2018 (1 reactie)

moedig-voorwaarts

Een groot ongeluk dat een diepe smart veroorzaakt

Beschouwen we eens een groot ongeluk dat een diepe smart veroorzaakt. We bekijken het vaak fout, omdat we altijd alleen er op gericht zijn om de werking te zien. We zien dan dat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden die ons ongelukkig maakt, ons van slag heeft gebracht (Duits: aus unserer Bahn herausgeworfen hat). We zien alleen maar het gevolg. We zouden echter de oorzaak moeten zoeken. 

Dan zouden we wellicht het volgende vinden: Ja, er was in een voorgaand leven de mogelijkheid om zich het een of andere vermogen eigen te maken. We hebben het echter niet gedaan, we hebben het verzuimd. Dus zijn we door de poort van de dood gegaan zonder dit vermogen te hebben verworven. Nu drijven ons de krachten, de karmische krachten, in het volgende leven naar dit ongeluk. Hadden we ons dat vermogen in het voorgaande leven verworven, dan zou ons die kracht niet naar het ongeluk toegedreven hebben. Doordat dit ongeluk ons nu overkomt, verkrijgen we nu dat vermogen. 

Stel nu dat dit ongeluk ons heeft getroffen in ons twintigste jaar en in ons dertigste jaar zien we erop terug en vragen onszelf: Wat heeft ons ertoe gebracht dat we dit of dat vermogen hebben? – dan zien we het doel van dit ongeluk. Oneindig veel winnen we, als we de dingen niet als gevolg, maar als oorzaak beschouwen voor wat ze van ons maken. Dat is ook een resultaat van de karmaleer, de dingen als oorzaak te bezien. Al deze dingen zijn details van de wet van het karma.

Bron: Rudolf Steiner – GA 108 – Die Beantwortung von Welt- und Lebensfragen durch Anthroposophie – St. Gallen, 21 november 1909 (bladzijde 108-109)

VJrGYuDg-1-e1598290510725

Eerder geplaatst op 2 mei 2017  (4 reacties)

Op aarde is meer of minder persoonlijk geluk mogelijk op kosten van anderen, in het devachan is dat uitgesloten

Er is voor de gestorvene met betrekking tot degenen die nog op aarde zijn geen bewusteloosheid: hij kan zijn handel en wandel (Duits: Tun) zelfs volgen. Aards-fysieke kleuren en vormen ziet de in het devachan zich bevindende natuurlijk niet, aangezien hij geen fysieke organen meer heeft in het devachan. Alles echter in de fysieke wereld heeft zijn geestelijk tegenbeeld in het geestgebied, en dat neemt de voorgegane overledene waar. Iedere handbeweging in de fysieke wereld, […], bewust of onbewust, iedere verandering aan de fysieke mensen heeft een geestelijk tegenbeeld, dat hij in het devachan waarnemen kan.

Het bestaan in het geestgebied is niet een soort van droom of slaap, maar het is zeer zeker een bewust leven. De mens ontvangt in het devachan de aanleg (Duits: Anlagen) en impulsen om met de geliefden in een nauw verband te blijven, om ze in een latere incarnatie weer op aarde te vinden. Dat is vaak de zin van de incarnatie op aarde om steeds intiemere banden aan te knopen. Het samenleven in het devachan is minstens even intiem als elk leven hier. Het meevoelen in het devachan is veel krachtiger, intiemer dan op de aarde; de smart beleeft u daar mee als uw eigen smart.

Op aarde is meer of minder persoonlijk geluk mogelijk op kosten van anderen, in het devachan is dat uitgesloten. Daar zou het ongeluk dat iemand een ander bereidt om zelf gelukkig te zijn, op hem terugstralen en men zou werkelijk niet ten koste van anderen gelukkig kunnen zijn. Dat is de vereffening die van het devachan uitgaat. De impuls om de broederlijkheid op de aarde te realiseren, brengt u van daaruit mee. Wat in het devachan een vanzelfsprekende wet is, dat moet op de aarde als een taak verwerkelijkt worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 109 –  Das Prinzip der spirituellen Ökonomie im Zusammenhang mit Wiederverkörperungsfragen – Boedapest, 7 juni 1909 (bladzijde 198-199)

Eerder geplaatst op 4 november 2016 (10 reacties)

Vreugde hebben we niet verdiend, maar is een geschenk en genade van goddelijke machten – 2 (slot)

[…] Dit betekent echter niet een soort preek tegen plezier, niet de oproep dat we ons aan zelfpijnigingen moeten overgeven, ons misschien met gloeiende tangen moeten knijpen en dergelijke. Dat moet het niet zijn. Als men een zaak op de juiste wijze erkent, betekent dat niet dat men ervoor vluchten moet.

[…] Maar we moeten de stemming ontwikkelen dat we het als genade ervaren, en hoe meer, hoe beter, want des te meer duiken we in het goddelijke. Dus niet om ascese te preken, maar om de juiste stemming tegenover lust en vreugde te wekken, zijn deze woorden gezegd.

[…] En in feite zijn zelfpijnigingen van asceten, monniken en nonnen een voortdurend opstaan tegen de goden. Het past ons dat we de smarten als iets voelen dat ons door ons karma toekomt, en dat we de vreugde als genade voelen, die het goddelijke zich tot ons verwaardigen (Duits: herablassen) kan. Als teken hoe dichter God ons naar zich toegetrokken heeft, zal lust en vreugde ons zijn, en als teken hoe ver we verwijderd zijn van wat we als verstandige mensen bereiken moeten, zal pijn en verdriet ons zijn.

Dit is de basisstemming tegenover karma, en zonder deze basisstemming kunnen we in het leven niet vooruitkomen. We moeten voelen aan wat de wereld ons als het goede en mooie laat toekomen, dat achter deze wereld de machten staan, waarvan in de Bijbel gezegd is: en zij zagen dat het mooi en goed was, de wereld. – In zoverre we echter pijn en smart ondervinden kunnen, moeten we erkennen dat wat de mens in de loop van incarnaties uit de wereld, die aanvankelijk goed was, gemaakt heeft en wat hij verbeteren moet, doordat hij zich tot het energiek verdragen van deze smarten opvoedt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 130 – Das esoterische Christentum und die geistige Führung der Menschheit – Wenen, 8 februari 1912 (bladzijde 250-251)

Eerder geplaatst op 1 september 2016