Geesten van ziekte en dood

Als we met het zienersoog kunnen kijken naar de zielen in hun werkzaamheid tussen dood en nieuwe geboorte, dan zien we – dat is weer iets schokkends voor de ziener – vele zielen die een bepaalde tijd tussen dood en nieuwe geboorte veroordeeld zijn om slaven te worden van de geesten die ziekte en dood brengen in het fysieke leven. Dan zien we dus zielen tussen dood en geboorte, die in het slavenjuk gevangen (Duits: gespannt) zijn van wat wij ahrimanische geesten of geesten der hindernissen noemen, dus degenen die op aarde de dood teweegbrengen en die belemmeringen in het leven brengen.

Dat is een hard lot wat de ziener waarneemt bij sommige zielen als ze zich moeten buigen voor het juk van de slavernij. Als men zulke zielen dan terugvolgt tot in het leven dat ze geleid hebben voordat ze door de poort van de dood gegaan zijn, dan vindt men dat de zielen die een bepaalde tijd na de dood de geesten van de weerstand moeten dienen, zich dat door de in het leven ontwikkelde gemakzucht bereid hebben. De slaven van de geesten van ziekte en dood hebben zich dat bereid doordat ze gewetenloosheid voor de dood ontwikkeld hebben. Daar zien we dus een bepaalde relatie van mensenzielen tot de kwade geesten van ziekte en dood, de boze geesten van de weerstanden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 140 – Okkulte Untersuchungen über das Leben zwischen Tod und neuer Geburt – Stuttgart, 20 februari 2013 (bladzijde 215-216)

Eerder geplaats op 9 januari 2018  (3 reacties)

Over intellectualistische mooipraters

Het intellectualistische leven gaat aan alle werkelijkheid voorbij. Het intellectualistische leven als zodanig heeft eigenlijk geen bijzonder oog voor de aardse omstandigheden. Met het intellectualistische leven is het zo, dat men mooie morele principes opstelt temidden van een sociale orde waarin de mensen knechten zijn, die als slaaf behandeld worden.

Ik heb dat hier in concreto vaker naar voren gebracht. Ik herinner ook nu nog eens aan die enquête die in het midden van de 19de eeuw in Engeland is gehouden over de mijnwerkers, waaruit naar voren is gekomen -naast veel andere schade- dat negen-, elf-, dertienjarige kinderen de hele week voor zonsopgang de kolenmijnen ingestuurd worden, dan na zonsondergang naar boven gehaald worden, zodat die arme kinderen nooit het zonlicht, behalve op zondag, gezien hebben; zich dus in het onderaardse ontwikkelen moeten, onder omstandigheden waarvan ik u de schildering besparen zal, want ook daarover zou veel akeligs te vertellen zijn.

Maar bij de kolen die zo opgegraven zijn, hebben de mensen zich dan in chique kamers (Duits: Spiegelzimmer) onderhouden over naastenliefde, over algemene mensenliefde zonder onderscheid van ras, natie, klasse en ga zo maar door.

Bron: Rudolf Steiner – GA 196 – Geistige und soziale Wandlungen in der Menschheitsentwickelung – Dornach, 9 Januar 1920 (bladzijde 17-18)

Eerder geplaatst op 22 februari 2016