Wijsheid en schoonheid geboren uit lijden en pijn

Een briljant man, Fabre d’Olivet, maakte een juiste vergelijking toen hij wilde laten zien hoe het hoogste, edelste, puurste in de menselijke natuur voortkomt uit pijn. Hij zei dat het ontstaan van wijsheid en schoonheid uit lijden vergelijkbaar is met een proces in de natuur, met de geboorte van de waardevolle en mooie parel. Want de parel wordt geboren uit de ziekte van de oester, uit de vernietiging in de pareloester. Zoals de schoonheid van de parel wordt geboren uit ziekte en lijden, zo worden kennis, edele menselijkheid en gezuiverd menselijk gevoel geboren uit lijden en pijn.

We kunnen dus in overeenstemming met de oude Griekse dichter Aeschylos zeggen: Uit lijden ontstaat leren; uit leren, kennis. En net als bij veel andere dingen kunnen we van pijn zeggen dat we het alleen hebben begrepen als we het niet alleen op zichzelf kennen, maar ook in wat eruit voortvloeit. Zoals zoveel andere dingen, kennen we ook de pijn alleen aan de vruchten ervan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 55 – Die  Erkenntnis  des  Übersinnlichen in  unserer  Zeit  und  deren Bedeutung  für  das  heutige  Leben – Berlijn, 8 november 1906 (blz. 90)

Fabre_dolivet

Fabre d’Olivet (1767-1825)

Dat het waar is, kan iedereen inzien

Het moet steeds weer gezegd worden: Zoals men geen schilder hoeft te zijn om de schoonheid van een schilderij te ervaren, zo hoeft men zelf geen geestelijk onderzoeker te zijn – hoewel men het tot op zekere hoogte worden kan -, om na te kunnen gaan of het waar is, wat ik hier zeg. Zoals men de schoonheid van een schilderij ervaren kan, zo kan men met het gewone, gezonde mensenverstand tegenwoordig inzien, wat de geestelijke onderzoeker zegt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 83 – Westliche und östliche Weltgegensätzlichkeit / Wege zu ihrer Verständigung durch Anthroposophie – Wenen, 2 juni 1922 (bladzijde 78)

Eerder geplaatst op 18 december 2017

9783727464607-de

Wat er ook altijd voor lelijkheid in de wereld is, er is altijd nog wel iets moois

Wat er ook altijd voor lelijkheid in de wereld is, er is altijd nog wel iets moois in het lelijke, in al het onware een korreltje waarheid, in al het slechte iets goeds. U hoeft helemaal niet kritiekloos te worden! Men vat het vaak alleen zo op dat men niets meer slecht zou mogen vinden enzovoort; het is echter zo bedoeld dat in al het lelijke altijd nog een korreltje schoonheid is en in iedere slechts iets goeds ligt. Dat stuurt de hogere krachten van de ziel opwaarts.

Bron: Rudolf Steiner – GA 100 – Menschheitsentwickelung und Christus- Erkenntnis/Theosophie und Rosenkreuzertum – Kassel, 29 juni 1907 (bladzijde 191)

Eerder geplaatst op 9 augustus 2017  (4 reacties)

3da14a79e80c622c2629c1c09c6d74b2

Moraliteit/Schoonheid/Lelijkheid

Hier op aarde dragen we een lichaam gevormd van botten, spieren, bloedvaten enzovoort. Dan, na de dood, vormt zich een onstoffelijk lichaam, dat uit onze morele waarden gevormd is. Een goed mens krijgt een schoon stralend (Duits: schönleuchtenden) moreel lichaam, een slecht mens een lelijk uitziend (Duits: übelleuchtenden) moreel lichaam. Dit vormt zich terwijl we terugwaarts door ons voorbije leven gaan. 

En dat is eigenlijk slechts een deel van wat nu – als ik het zo uitdrukken kan – ons geesteslichaam is, want een deel van wat we nu in de geestelijke wereld als een geesteslichaam krijgen, vormt zich uit onze morele waarden, een ander deel wordt voor ons eenvoudig uit de substanties van de geestelijke wereld, om zo te zeggen, geweven als een kledingstuk.

Bron: Rudolf Steiner – GA 226 – Menschenwesen Menschenschicksal und Welt-Entwickelung – Kristiana (Oslo), 17 mei 1923 (bladzijde 31)

Eerder geplaatst op 1 december 2017  (1 reactie)

In de geestelijke wereld vallen de natuurwetten met de morele en intellectuele wetten samen (1 van 2)

Het belangrijkste kenmerk van de geestelijke wereld is dat morele feiten zich niet meer onderscheiden van fysieke feiten, van natuurlijke wetten, maar dat morele wetten met natuurlijke wetten samenvallen. Wat betekent dat? Nu, nietwaar, in de gewone aardse wereld schijnt de zon over de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen. Degene die een misdaad begaan heeft, kan men misschien in de gevangenis zetten, maar de fysieke zon verduistert niet. Dat wil zeggen, er is in de fysiek-zintuiglijke wereld een morele wetmatigheid en een fysieke, die gaan twee heel verschillende wegen. Zo is het niet in het devachan, helemaal niet; maar daar is het zo dat alles wat uit het morele, uit het intellectueel wijze, uit het esthetisch schone en dergelijke voortkomt, iets is dat tot ontstaan, wording leidt, en dat wat uit het immorele, uit het intellectueel onware, uit het esthetisch lelijke voortkomt, tot vergaan, tot ondergang leidt. En daar zijn de wetten werkelijk zo, dat de zon niet over rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid schijnt, maar dat zij zich, als we figuurlijk kunnen spreken, voor de onrechtvaardigheid werkelijk verduistert.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 143 –  Erfahrungen des Übersinnlichen/Die drei Wege der Seele zu Christus – München, 25 februari 1912 (bladzijde 91)

Eerder geplaatst op 15 oktober 2014