Na de dood – 7 (slot)

Wanneer u dus bijvoorbeeld, doordat u een ander mens leed hebt berokkend, dat leed van die andere mens beleeft, dan zegt u dadelijk: wanneer ik dit leed niet zou beleven, dan zou mijn ziel onvolkomen blijven. Want dat zou mij voortdurend iets besparen van de gevolgen van de schade die ik in het heelal heb aangericht. Ik word alleen dan een volledig mens, wanneer ik de vereffening beleef.

Al naar gelang van onze gemoedsgesteldheid kan het gebeuren, dat wij moeilijk doordringen tot het post-mortem-oordeel, dat het eigenlijk een weldaad is te lijden wegens het berokkenen van leed aan iemand anders. Maar er is een bepaalde gesteldheid van de ziel, die het makkelijker maakt, namelijk wanneer wij reeds in dit aardeleven iets hebben vernomen over het bovenzinnelijke leven. Er is een gesteldheid van de ziel, waardoor wij gewaarworden dat, wat als smartelijke vereffening van vele levenservaringen wordt doorgemaakt, ons zelfs gelukkig kan maken. En wel omdat wij door die smartelijke vereffening nu juist vorderen op weg naar het volmaakte menszijn. Wij zouden anders achter blijven op die weg.

Wanneer u een ander leed hebt toegebracht, wordt u minder waard dan u tevoren was. En als u verstandig oordeelt, dan zegt u: ‘Ik ben voor het heelal een slechtere mensenziel, nadat ik die ander leed heb berokkend. Voordien was ik meer waard.’ U zult het als een weldaad ondergaan wanneer u na de dood de vereffening kunt bereiken, doordat u dat leed nu ook kunt ondergaan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 234 – ANTHROPOSOPHIE/Eine Zusammenfassung nach einundzwanzig Jahren – Dornach, 10 februari 1924 (bladzijde 155-156)

Vertaling H. van Manen, overgenomen uit Grondslagen van de antroposofie (bladzijde 161-162)

Eerder geplaatst op 9 april 2018  (2 reacties)

Na de dood – 6 van 7

Dit soort beleven is – zoals ik gisteren reeds zei – verbonden met ons gevoel dat er bovenmenselijke wezens aan deelnemen. Terwijl wij ons door die geestelijke tegenbeelden van onze belevenissen heen worstelen, is het alsof van boven voortdurend de sympathieën en antipathieën van de geestelijke wezens naar beneden druppelen. En bij dit herbeleven voelen wij, ten aanzien van alles wat wij op aarde uit ons zelf hebben volbracht – hetzij in gedachten, hetzij in gevoelens, hetzij in wils-impulsen, hetzij in daden – hoeveel het waard is voor het van de geest uit georiënteerde bestaan. In bittere smart beleven wij dan de schade die wij hebben aangericht. Wij beleven daarbij als een brandende dorst de hartstochten, die in onze ziel leefden. Die brandende dorst, die hartstochten duren voort, totdat wij de waardeloosheid voor de geestelijke wereld van het koesteren van hartstochten voldoende hebben beleefd en te boven zijn gekomen.

De ziel lijdt dorst, brandende dorst naar de dingen, die hij gewend is door fysieke handelingen te bevredigen. Die handelingen kan hij niet meer toepassen, wanneer hij het fysieke lichaam heeft afgelegd. Met de honger is het net zo. Een groot deel van dat teruggaan tijdens het leven na de dood, verstrijkt er mee, dat de mens er eerst in zijn geest en ziel aan moet wennen te leven zonder zijn fysieke lichaam. Hij lijdt dan ook voortdurend brandende dorst, in de eerste plaats naar wat slechts door het fysieke lichaam te bevredigen is.

Er bestaan beschrijvingen hoe dit beleefd wordt in een derde gedeelte van de duur van ons fysieke leven op aarde, beschrijvingen die dit afschilderen als een ware hel. En wanneer u zulke beschrijvingen leest, zoals die bijvoorbeeld in de theosofische literatuur worden gegeven, krijgt u vast en zeker kippenvel! Daarin wordt naar oosters gebruik over het Kamaloka gesproken. Nu, zó erg is het niet. Het is wèl zo dat het, wanneer u het direct vergelijkt met het aardse leven, iets zeer ongewoons is, omdat u terstond uw weg moet vinden in de geestelijke tegenbeelden en tegenwaarden van wat u op aarde hebt doorgemaakt. Zodat al wat op aarde tot het goede leven behoorde, nu bittere ontbering is. En het enige dat nu iets bevredigends geeft, is wat men op aarde als onbevredigend of als pijnlijk, smartelijk heeft ondergaan.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 234 – ANTHROPOSOPHIE/Eine Zusammenfassung nach einundzwanzig Jahren – Dornach, 10 februari 1924 (bladzijde 153-155)

Vertaling H. van Manen, overgenomen uit Grondslagen van de antroposofie (bladzijde 159-161)

Eerder geplaatst op 8 april 2018  (6 reacties)

Iedere gedachte, ieder gevoel is een realiteit

Iedere gedachte, ieder gevoel is een realiteit, en wanneer ik denk dat iemand een slecht mens is of ik bemin hem niet, dan is dat voor wie in de astrale wereld kan schouwen, als een pijl, als een bliksem die zich als een geweerkogel naar de ander beweegt en hem beschadigt. Ieder gevoel, iedere gedachte is een wezen, een vorm in de astrale wereld en voor wie in deze wereld kan kijken is het dikwijls veel erger om te zien hoe iemand een slechte gedachte over een ander koestert dan wanneer iemand die ander fysiek schaadt.

Bron: Rudolf steiner – GA 95 –  VOR DEM TORE DER THEOSOPHIE –  Stuttgart, 23 augustus 1906 (blz. 23)

a4618542165899.Y3JvcCwxNDEzLDExMDYsMTgxLDQ1MA

Eerder geplaatst op 25 oktober 2012  (15 reacties)

Afwisseling in de verschillende incarnaties (2 van 2)

En het kan werkelijk niet vaak genoeg worden gezegd dat het niet genoeg is als antroposofen een offer willen brengen. Sommige mensen offeren graag en veel, maar om offers te brengen die bruikbaar zijn voor de wereld, moet een mens eerst de kracht hebben tot die offers. Voordat een mens zichzelf kan opofferen, moet hij eerst iets zijn, anders is het offer van het ik niet veel waard. In zeker opzicht is het ook een, zij het bedekt, soort egoïsme, een soort gemakzucht, als mensen er niet naar streven zich verder te ontwikkelen, als ze niet verder streven, opdat wat ze tot stand brengen ook iets waardevols is. 

Het zou kunnen lijken alsof wij liefdeloosheid preken, maar ik verzoek u dit niet verkeerd op te vatten. Het is zo dat antroposofen tegenwoordig vaak het verwijt krijgen van de omgeving: ‘Jullie streven ernaar innerlijk beter te worden, jullie ziel te vervolmaken. Jullie worden egoïsten!’ Nu moet worden toegegeven dat er veel grillen, gebreken en illusies kunnen opduiken bij dit streven van de mens naar volmaaktheid. We hoeven onszelf allerminst op de borst te slaan voor wat zich dikwijls onder antroposofen onder de noemer ontwikkeling voordoet. Achter dit streven gaat meestal een grote dosis ongeoorloofd egoïsme schuil. 

Anderzijds moet worden benadrukt dat wij in een tijd leven, in een cultuurperiode, waarin een enorme verspilling plaatsvindt van toegewijde offervaardigheid. Hoewel overal om ons heen ook liefdeloosheid heerst, wordt er tegelijkertijd ontzettend veel liefde en offervaardigheid verspild. Dat moet u niet misverstaan. We moeten ons realiseren dat liefde, wanneer ze in het leven zonder wijsheid en een juiste inschatting van de situatie wordt gehanteerd, volledig aan haar doel voorbij kan schieten en de mensheid zo meer tot schade dan tot nut kan zijn. 

Bron: Rudolf Steiner – GA 135 Wiederverkörperung und Karma und ihre Bedeutung für die Kultur der Gegenwart – Stuttgart, 21 februari 1912 (blz. 98-99)

Nederlandse uitgave: Werkingen van het karma (blz. 305-306). 

Vertaald door Anton de Rijk en Hans Schenkels met een nawoord van Hans Peter van Manen. 

Stichting Rudolf Steiner Vertalingen. Tweede druk 2004

Onwaarheid

Dat is wat er nog moet gebeuren: de diepgaande ernst in het opnemen van de wetenschap van de geest, het afwennen van wat de mensen ertoe brengt, om de spirituele wetenschap op te nemen als een of ander literair product, als iets waarin men zichzelf op een iets betere wijze amuseert, omdat dit het verlangen naar het voortleven na de dood garandeert. Er is vandaag nog steeds een verschrikkelijke afstand tussen wat nodig is bij het opnemen van spirituele wetenschap en wat er echt is. […]

Al het oreren over sociale of dergelijke idealen heeft geen zin, als men niet wil kijken naar wat zeer wezenlijk in onze huidige tijd leeft. Want de schade van onze tijd gaat uit van ons verkeerde geestelijk leven, dat langzamerhand diep in onwaarheid terecht is gekomen, en dat zichzelf niet eens bewust is hoe diep ze in onwaarheid leeft.

Bron: Rudolf Steiner – GA 200 – Die neue Geistigkeit und das Christus-Erlebnis des zwanzigsten Jahrhunderts – Dornach, 31 oktober 1920 (bladzijde 139)

Eerder geplaatst op 8 juli 2018 

Portraits of Rudolf Steiner 0018