IJdelheid / Schaamte / Dankbaarheid

Terwijl men in het gewone leven woorden, die zijn uitgesproken, als afgedaan beschouwt, heeft men bij een esoterische ontwikkeling een duidelijk ‘achterna gevoel’ over het gesprokene: een soort innerlijke schaamte wanneer men iets heeft gezegd dat moreel of intellectueel onjuist was, en een soort dankbaarheid – geen zelfingenomenheid – wanneer het is gelukt iets uit te spreken, waartegen de door ons verworven wijsheid ‘ja’ kan zeggen.

Wanneer men dan – en ook daarvoor verkrijgt men een fijne opmerkingsgave – door ’t juiste uit te spreken een zelfingenomenheid voelt opduiken, laat dit dan een teken zijn van nog te veel ijdelheid, die nergens toe deugt bij de ontwikkeling van de mens. Men leert dan onderscheid maken tussen een tevredenheidsgevoel bij een uitspraak, die de eigen goedkeuring wegdraagt en de zelfingenomenheid, die nergens toe deugt. Men moet ernaar streven dit laatste gevoel niet te laten opkomen, doch slechts het gevoel te ontwikkelen voor de schaamte over het immorele of onjuiste woord, en daarnaast bij een passende uitspraak de dankbaarheid voor de wijsheid, die niet uit onszelf komt, maar een geschenk van de kosmos is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 145 – Welche Bedeutung hat die okkulte  Entwicklung des Menschen für seine Hüllen (physischen Leib, Ätherleib,  Astralleib) und sein Selbst? – Den Haag, 24 maart 1913 (blz. 90)

Nederlands: Innerlijke ontwikkeling door antroposofie (blz. 77-78) – Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist – 1980

Vertaling: H. van Boetzelaer-Mazel / Ir. H. de Brey / A. van der Laan-Schepers

innerlijke-ontwikkeling-door-antroposofie

Haat en schaamte (2 van 2)

Maar we kunnen ook nagaan wat zo’n haat betekent voor de doden. Zo’n haat betekent namelijk voor de doden een hindernis voor de goede intenties in zijn geestelijke ontwikkeling, een hindernis die ongeveer vergeleken kan worden met hindernissen die we kunnen ondervinden voor het bereiken van een uiterlijk doel op aarde. Dit is een feit in de geestelijke wereld, dat de doden de haat ondervinden als een obstakel voor hun goede en beste voornemens. En nu begrijpen we waarom in de ziel, die een beetje over zichzelf nadenkt, zelfs de in het leven gerechtvaardigde haat sterft: omdat de ziel schaamte voelt als de gehate persoon is gestorven. 

Als een mens geen helderziende is, dan weet hij niet waar dit van komt, maar het is alsof er een natuurlijk gevoel in de ziel is geplant, dat hij voelt dat hij wordt waargenomen; hij voelt: de dode ziet mijn haat, ja, deze haat vormt voor hem zelfs een belemmering in zijn goede intenties.

Er zijn veel diepe gevoelens in de menselijke ziel, die verklaarbaar worden wanneer men opstijgt in de geestelijke werelden en kijkt naar de geestelijke feiten waarop deze gevoelens zijn gebaseerd. Net zoals men niet fysiek van buitenaf gezien wil worden bij sommige dingen op aarde, of zoals men deze dingen niet doet als men weet dat men zelf gezien wordt, zo haat men niet over de dood heen als men het gevoel heeft: men wordt gadegeslagen door de doden. Maar de liefde of ook alleen maar de sympathie die we de dode tonen, is werkelijk een verlichting voor de dode op zijn pad, het neemt obstakels voor hem weg.

implications-of-chronic-shame

Bron: Rudolf Steiner – GA 140 – Okkulte  Untersuchungen über  das  Leben zwischen  Tod  und  neuer  Geburt – Bergen, 10 oktober 1913 (bladzijde 328-329)

Haat en schaamte (1 van 2)

Zielen die af en toe over hun innerlijk nadenken, zullen bij zichzelf het volgende kunnen waarnemen – ik geloof dat er veel zielen zijn die dit bij zichzelf hebben waargenomen- : Laten we aannemen dat iemand in het leven een andere persoon haatte of misschien alleen maar tegen zichzelf moest zeggen dat die andere persoon hem onsympathiek was of is. Als deze persoon die gehaat werd of die van iemand antipathie heeft ondervonden, sterft – ik geloof dat veel zielen dit van zichzelf weten – dan voelt degene die in het leven gehaat heeft of antipathie heeft gevoeld, na de dood van deze persoon, dat hij niet langer op dezelfde manier kan haten of dat hij zijn antipathie niet langer kan handhaven. En als de haat tot over het graf aanhoudt, voelen meer fijnzinnige zielen een gevoel van schaamte over die haat, over zo’n antipathie die over het graf voortduurt. 

Dit gevoel, dat in veel zielen wordt aangetroffen, kan nu helderziend worden gevolgd. Tijdens het volgen kan de vraag opkomen: Waarom ontstaat dit gevoel van schaamte van de ziel over een haat of een antipathie, waarom ontstaat dit, ook wanneer men in het leven nooit aan een tweede persoon heeft aangegeven dat men deze haat heeft? Wanneer de helderziende de persoon, die door de poort van de dood is gegaan, volgt in de geestelijke werelden en daar ziet naar de ziel die hier op aarde is achtergebleven, dan blijkt dat de overleden ziel in het algemeen een zeer duidelijke waarneming, zeer duidelijke gewaarwording heeft van de haat in de levende ziel; als het ware, als ik een beeld mag gebruiken: de dode ziet de haat. Dat kan de helderziende heel precies constateren, dat de dode zulke haat ziet.

Wordt vervolgd

shutterstock_739399978

Bron: Rudolf Steiner – GA 140 – Okkulte  Untersuchungen über  das  Leben zwischen  Tod  und  neuer  Geburt – Bergen, 10 oktober 1913 (bladzijde 327-328)

De liefde en ook de sympathie die wij de dode toedragen, die betekenen voor de dode daadwerkelijk een verlichting op zijn weg  

Zielen, die regelmatig bij zichzelf te rade gaan, zullen in zichzelf het volgende kunnen vaststellen – en ik geloof, dat dit bij vele zielen zo is: nemen wij eens aan, dat iemand een andere persoon gehaat heeft of voor zichzelf moet toegeven, dat hij een afkeer voor die persoon had, of nog heeft. Wanneer die mens die gehaat werd door iemand of er afkeer van ondervonden heeft, nu sterft – ik geloof, dat vele zielen dat vanuit zichzelf weten -, dan voelt degene die in het leven gehaat heeft of afkeer gehad heeft, dan voelt deze, wanneer hij van de dood van de andere weet, dat hij die persoon niet meer op dezelfde manier kan haten of zijn afkeer niet meer in stand kan houden. En wanneer de haat blijft voortduren tot aan gene zijde van het graf, dan krijgen fijngevoelige zielen een gevoel van schaamte over zulk een haat, over zulk een afkeer die blijft voortduren tot over het graf. Dit gevoelen, dat vele zielen hebben, kan nu door de helderziende waargenomen worden. Men kan zich tijdens het onderzoek de vraag stellen: Waarom krijgt de ziel dan dit schaamtegevoel tegenover die haat of afkeer, terwijl er niet eens iemand anders weet heeft van die haat?

Wanneer de helderziende de mens, die door de poort van de dood gegaan is, daarboven in de geestelijke wereld volgt en van daaruit zijn aandacht richt op de ziel die hier nog op aarde is, dan blijkt dat in het algemeen de gestorven ziel een zeer duidelijke waarneming, een zeer duidelijke gewaarwording heeft van de haat in de levende ziel. Om dit als het ware in een beeld te vatten: de dode ziet de haat. Dat kan de ziener zeer precies constateren, dat de dode zulk een haat ziet. Maar wij kunnen ook nagaan wat zo een haat voor de dode betekent. Die schept namelijk voor de dode een belemmering voor de goede voornemens in zijn ontwikkeling, een belemmering, die men zou kunnen vergelijken met hindernissen die ons beletten een uiterlijk doel hier op aarde te bereiken. Dat is de ware toedracht in de geestelijke wereld, dat de dode de haat als een belemmering ondervindt voor zijn goede en beste voornemens. 

En nu begrijpen wij waarom bij een fijngevoelige ziel, zelfs de in het leven gerechtigde haat afsterft: omdat zij schaamte ondervindt, wanneer de gehate mens gestorven is. Wie geen helderziende is weet weliswaar niet wat er daar precies aan de hand is, maar het is alsof zijn ziel hem influistert dat hij geobserveerd wordt; hij voelt: de dode schouwt mijn haat, ja, deze haat vormt voor hem zelfs een belemmering voor zijn goede intenties. 

Vele diepe gevoelens huizen er in de mensenziel, die verklaarbaar worden, wanneer men doordringt tot de geesteswerelden en de geestelijke feiten in ogenschouw neemt, die aan deze gevoelens ten grondslag liggen. Zoals men voor vele dingen op aarde uiterlijk fysisch niet wil gadegeslagen worden, of zoals men bepaalde dingen niet doet wanneer men zich bespied weet, zo haat men niet over de dood heen, wanneer men gewaarwordt: ik word door de dode geobserveerd. De liefde echter en ook de sympathie die wij de dode toedragen, die betekenen voor de dode daadwerkelijk een verlichting op zijn weg, zij ruimen hem de hindernissen uit de weg. 

Bron: Rudolf Steiner – GA 168 – Zürich, 3 december 1916 en GA 140 – Straatsburg, 10 maart 1913

Overgenomen uit tijdschrift De Brug – Hoofdstuk Kamaloka – merkwaardigheden aldaar

Eerder geplaatst op 23 maart 2015 (7 reacties)

Opvoedkunst (2-slot) – Weten hoe iets niet moet, wil niet zeggen dat men ook weet hoe het wel moet

Het tweede is iets, dat iemand als men over opvoedingskunst spreekt, altijd, zou ik willen zeggen, met een licht gevoel van schaamte vervult. Want men weet immers, doordat men spreekt, dat men tegenover een publiek staat. Men spreekt erover, hoe moet worden opgevoed, en dat er anders moet worden opgevoed, dan tegenwoordig gebruikelijk is. Men zegt dus in feite altijd: U bent allen slecht opgevoed. […] Men veronderstelt dus, dat zowel de spreker als de toehoorders eigenlijk goed begrijpen, hoe men moet opvoeden, ondanks dat ze zichzelf zeer slecht opgevoed zouden moeten voelen.

Nu, dat is een tegenstrijdigheid. […] Het kan eigenlijk alleen door de zienswijze over opvoeding worden opgelost, die hier vertegenwoordigd wordt. Men kan zeer goed weten, wat er aan de opvoeding mankeert en wat er beter aan zou moeten zijn, zoals men kan weten dat een schilderij goed geschilderd is, zonder dat men ooit de vaardigheden in zich zou kunnen ontwikkelen, zelf zo’n goed schilderij te maken.

Men zal zich als ontvankelijk mens toch altijd toeschrijven, dat men de kwaliteit van een schilderij van Rafaël kan inzien; maar men zal zichzelf, als men geen schilder is, niet toeschrijven dat men een schilderij van Rafaël ook zou kunnen schilderen. Ja, dat zou zeer goed zijn, als in deze tijd de mensen zo zouden denken. Maar ze denken niet zo over de kennis van de opvoedkunst, dat ze zouden kunnen hebben; maar ze beginnen meteen ook erover te spreken hoe men moet opvoeden. Dat is echter zo, alsof iemand die geen schilder is, en ook niet kan zijn, bij een slecht geschilderd schilderij zou willen beginnen te laten zien hoe men het goed zou moeten schilderen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 305 –Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst – Oxford, 19 augustus 1922 (bladzijde 57)

Eerder geplaatst op 23 februari 2014