Goedwillendheid is mooi, maar zonder inzicht pakt het toch verkeerd uit (1 van 2)

Nietwaar, het is heel gemakkelijk om te zeggen: ‘Welwillendheid is een deugd, dus moeten we ons welwillendheid eigen maken; recht is een moreel goede zaak, dus moeten we het recht grondvesten.’ Dan kan men wetgever zijn en inrichtingen maken, waardoor deugd en recht geregeld wordt. Men kan ook parlementen kiezen, waar schrandere mensen bij elkaar komen om allerlei maatregelen in de zin van een deugdelijke en rechtvaardige orde en dergelijke te treffen. Maar daaruit kan, als de dingen in stand worden gehouden zoals ze tot nu toe behandeld werden, slechts voortkomen wat we nu zich nu over de aarde zien uitbreiden. (Deze tekst stamt uit 1917, ten tijde van de eerste wereldoorlog dus.)

Als de mensen toch de moed zouden hebben de samenhang in te zien tussen hun gedachten en voorstellingen, die zich meer en meer ontwikkeld hebben, en de vreselijke gebeurtenissen nu! Welwillendheid is een deugd en men kan zich er zeer wel bij voelen de welwillendheid na te leven, bij wijze van spreken in een catechismus schrijven: Je zult welwillend zijn, je zult rechtvaardig zijn enzovoort; – dan heeft men dat, maar men heeft geen inzicht!

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 176 – Menschliche und menschheitliche Entwicklungs- wahrheiten/Das Karma des Materialismus – Berlijn, 25 september 1917 (bladzijde 357-358)

Eerder geplaatst op 4 november 2011 

Besef van goed en kwaad

Vergelijkt u de ziel van een gemiddelde Europese mens met de ziel van mensen, zoals Darwin ze nog getroffen heeft. De ziel van de hedendaagse mens heeft besef van goed en kwaad, van recht en onrecht, van waar en onwaar. Darwin wilde eens een inboorling, die nog kannibaal was, duidelijk maken: Jij mag geen mensen eten, dat is slecht, dat mag men niet doen. – De inboorling keek hem vreemd aan en zei: Ja, hoe kun jij dat weten, je moet hem toch eerst gegeten hebben. Als wij hem gegeten hebben, dan weten we of hij goed of slecht was. – Zo is een onvolmaakte ziel, die zich door de ontwikkeling steeds volmaakter en volmaakter zal vormen. Onze ziel komt niet bij de individuele mens als een baby op de wereld, maar deze ziel heeft zich eerst vanuit onvolkomen incarnaties ontwikkeld, waarin zij niets anders begrepen heeft van goed en slecht als het aangename en onaangename voor de tong en de smaak en dergelijke. Door zulke stadia heeft zij zich ontwikkeld en is zij door veel belichamingen steeds lerend tot ons niveau opgeklommen.

papoeas-in-nieuw-guinea-1955_0

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 –Die Welträtsel und die Anthroposophie – Berlijn, 15 februari 1906 (bladzijde 286-287)

Eerder geplaatst op 12 februari 2012

Besef van goed en kwaad

Vergelijkt u de ziel van een gemiddelde Europese mens met de ziel van mensen, zoals Darwin ze nog getroffen heeft. De ziel van de hedendaagse mens heeft besef van goed en kwaad, van recht en onrecht, van waar en onwaar. Darwin wilde eens een inboorling, die nog kannibaal was, duidelijk maken: Jij mag geen mensen eten, dat is slecht, dat mag men niet doen. – De inboorling keek hem vreemd aan en zei: Ja, hoe kun jij dat weten, je moet hem toch eerst gegeten hebben. Als wij hem gegeten hebben, dan weten we of hij goed of slecht was. – Zo is een onvolmaakte ziel, die zich door de ontwikkeling steeds volmaakter en volmaakter zal vormen. Onze ziel komt niet bij de individuele mens als een baby op de wereld, maar deze ziel heeft zich eerst vanuit onvolkomen incarnaties ontwikkeld, waarin zij niets anders begrepen heeft van goed en slecht als het aangename en onaangename voor de tong en de smaak en dergelijke. Door zulke stadia heeft zij zich ontwikkeld en is zij door veel belichamingen steeds lerend tot ons niveau opgeklommen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 – Berlijn 15 februari 1906 (bladzijde 286-287)

 

Rudolf Steiner – Goedwillendheid is mooi, maar zonder inzicht pakt het toch verkeerd uit (1)

Nietwaar, het is heel gemakkelijk om te zeggen: ‘Welwillendheid is een deugd, dus moeten we ons welwillendheid eigenmaken; recht is een moreel goede zaak, dus moeten we het recht grondvesten.’ Dan kan men wetgever zijn en inrichtingen maken, waardoor deugd en recht geregeld wordt. Men kan ook parlementen kiezen, waar schrandere mensen bij elkaar komen om allerlei maatregelen in de zin van een deugdelijke en rechtvaardige orde en dergelijke te treffen. Maar daaruit kan, als de dingen in stand worden gehouden zoals ze tot nu toe behandeld werden, slechts voortkomen wat we nu zich nu over de aarde zien uitbreiden. (Deze tekst stamt uit 1917, ten tijde van de eerste wereldoorlog dus.) Als de mensen toch de moed zouden hebben de samenhang in te zien tussen hun gedachten en voorstellingen, die zich meer en meer ontwikkeld hebben, en de vreselijke gebeurtenissen in het heden! Welwillendheid is een deugd en men kan zich er zeer wel bij voelen de welwillendheid na te leven, bij wijze van spreken in een catechismus schrijven: Jij zult welwillend zijn, jij zult rechtvaardig zijn enzovoort; – dan heeft men dat, maar men heeft geen kennis!

Wordt vervolgd

Bron: GA 176 – Berlijn, 25 september 1917 (bladzijde 357-358)