Egoïstische liefde moet er ook zijn

De liefde, waarbij de oorzaak van de liefde niet bij de liefhebbende ligt, maar bij de geliefde, dat is de soort, de vorm van liefde in de zintuiglijke wereld die absoluut onvatbaar is voor enige Luciferische invloed. Maar als u nu naar het menselijk leven kijkt, zult u snel zien dat er ook een ander soort liefde in het menselijk leven speelt, de liefde waarbij men liefheeft omdat men zelf bepaalde eigenschappen heeft die zich bevredigd, verrukt, verheugd voelen als men van dit of dat wezen kan houden. Dan heeft men lief om zichzelf; men heeft dan lief omdat men zo of zo geaard is, en deze specifieke aard bevrediging voelt door het liefhebben van het andere wezen.

Ziet u, deze liefde, die een egoïstische liefde zou kunnen worden genoemd, moet er ook zijn. Deze mag in de mensheid niet ontbreken. Omdat alles wat we kunnen liefhebben in de geestelijke wereld, de geestelijke feiten, alles wat in ons kan door liefde als verlangen, als een drang omhoog in de geestelijke wereld kan leven om de wezens van de spirituele wereld te bevatten, de geestelijke wereld te kennen: het ontspringt natuurlijk ook vanuit de zintuiglijke liefde voor de geestelijke wereld. Maar deze liefde voor het geestelijke, die moet, niet alleen maar mag, maar moet noodzakelijkerwijs omwille van onszelf gebeuren. We zijn wezens die hun wortels hebben in de geestelijke wereld.

Het is onze plicht om onszelf zo volmaakt mogelijk te maken. Omwille van onszelf moeten we de geestelijke wereld liefhebben, zodat we vanuit de geestelijke wereld zoveel mogelijk kracht in ons eigen wezen kunnen brengen. In de geestelijke liefde is dit persoonlijke, individuele element, men zou kunnen zeggen, dit egoïstische element van liefde, volledig gerechtvaardigd, omdat het de mens uit de zintuiglijke wereld wegtrekt, het leidt hem omhoog in de geestelijke wereld, het leidt hem ertoe de noodzakelijke plicht te vervullen om zich steeds volkomener en volkomener te maken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 147 – Die  Geheimnisse  der  Schwelle – München, 25 augustus 1913 (bladzijde 39-40)

5bab6d3770d0f

Eerder geplaatst op 9 april 2020  (5 reacties)

Het alledaagse en het geestelijke

Dat zou de plicht moeten zijn van degenen die opvoeders van de mensen willen zijn om ook in praktische zaken de brug te bouwen van wat geestelijk leeft en weeft in de wereld met wat er in het dagelijkse leven gebeurt. Omdat de God, het goddelijke, niet alleen leeft in waar de mens van droomt in wolkenhoogten, maar in het geringste alledaagse. Als u het zoutvat op tafel pakt, als u de lepel soep naar de mond brengt, als u voor vijf Pfennige iets van uw medemens koopt, in alle dingen leeft het goddelijke. 

En als men het geloof heeft: aan de ene kant is er het materiële, concrete, dat van lagere natuur is, en aan de andere kant het goddelijk-geestelijke, dat men ver van dit materiële, concrete moet houden, omdat het ene heilig is en het andere profaan, omdat het ene hoog is en het ander laag, dan weerspreekt men juist de diepste betekenis van een realistische kijk op de wereld: de werking en kracht van het hoogste, heilige, tot in de meest alledaagse ervaringen van mensen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 193 – Der  innere  Aspekt des  sozialen  Rätsels Luziferische  Vergangenheit und  ahrimanische  Zukunft – Bern, 8 februari 1919 (blz. 40)

Egoïstische liefde moet er ook zijn

De liefde, waarbij de oorzaak van de liefde niet bij de liefhebbende ligt, maar bij de geliefde, dat is de soort, de vorm van liefde in de zintuiglijke wereld die absoluut onvatbaar is voor enige Luciferische invloed. Maar als u nu naar het menselijk leven kijkt, zult u snel zien dat er ook een ander soort liefde in het menselijk leven speelt, de liefde waarbij men liefheeft omdat men zelf bepaalde eigenschappen heeft die zich bevredigd, verrukt, verheugd voelen als men van dit of dat wezen kan houden. Dan heeft men lief om zichzelf; men heeft dan lief omdat men zo of zo geaard is, en deze specifieke aard bevrediging voelt door het liefhebben van het andere wezen.

Ziet u, deze liefde, die een egoïstische liefde zou kunnen worden genoemd, moet er ook zijn. Deze mag in de mensheid niet ontbreken. Omdat alles wat we kunnen liefhebben in de geestelijke wereld, de geestelijke feiten, alles wat in ons door liefde als verlangen, als een drang omhoog in de geestelijke wereld kan leven om de wezens van de geestelijke wereld te bevatten, de geestelijke wereld te kennen: het ontspringt natuurlijk ook vanuit de zintuiglijke liefde voor de geestelijke wereld. Maar deze liefde voor het geestelijke, die moet, niet alleen maar mag, maar moet noodzakelijkerwijs omwille van onszelf gebeuren. We zijn wezens die hun wortels hebben in de geestelijke wereld.

Het is onze plicht om onszelf zo volmaakt mogelijk te maken. Omwille van onszelf moeten we de geestelijke wereld liefhebben, zodat we vanuit de geestelijke wereld zoveel mogelijk kracht in ons eigen wezen kunnen brengen. In de geestelijke liefde is dit persoonlijke, individuele element, men zou kunnen zeggen, dit egoïstische element van liefde, volledig gerechtvaardigd, omdat het de mens uit de zintuiglijke wereld wegtrekt, het leidt hem omhoog in de geestelijke wereld, het leidt hem ertoe de noodzakelijke plicht te vervullen om zich steeds volkomener en volkomener te maken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 147 – Die  Geheimnisse der Schwelle – München, 25 augustus 1913 (bladzijde 39-40)

Veel soorten medelijden komen uit egoïsme voort

Vaak wordt gezegd dat ook medelijden aan het egoïsme kan ontspringen. Dat is vaak het geval. Veel soorten medelijden komen alleen uit egoïsme voort, omdat men de anderen niet graag ziet lijden. Maar ook dit is noodzakelijk. Voordat mensen een hogere trap bereikt hebben, is het beter dat ze een ander uit egoïstisch medelijden helpen dan helemaal niet. We moeten echter leren een vorm van medelijden te ontwikkelen, die boven het egoïsme staat, die de medemensen helpt, omdat het plicht is om te helpen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 266a – Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Band 1 – Berlin, 15. Mai 1908 (bladzijde 375)

Eerder geplaatst op 14 augustus 2015  (6 reacties)

Dualiteit

Overal in het leven vindt u de dualiteit: licht en schaduw, positief en negatief, mannelijk en vrouwelijk, links en rechts, juist en onjuist, goed en kwaad. De dualiteit is diep geworteld in de aard van alle bestaan, en wie de natuur begrijpen wil, moet zich deze dualiteit in zijn geest duidelijk maken. Pas als we de tweeheid in het eigen leven zien, komen wij tot het begrijpen van de wereld. De leerling moet het zich tot plicht maken om te leren denken in deze dualiteiten. Hij mag nooit alleen het ene denken, hij moet altijd beide met elkaar samen denken. […]

Alleen dan kan men de volle waarheid kennen, als men zich de innerlijke plicht oplegt nooit in een eenheid, maar altijd in een tweeheid te denken. Als de mens leert in deze dualiteiten te denken, dan denkt men pas juist en in overeenstemming met de feiten.

Bron: Rudolf Steiner – GA 89 – Bewußtsein – Leben – Form – Berlijn, 3 april 1905 (bladzijde 291)

Eerder geplaatst op 13 maart 2014