De schoolbanken van het leven

Een van de impulsen waarvoor wij als antroposofen enthousiast worden is immers, dat wij datgene wat de meeste mensen alleen maar voor de vroegste jeugd laten gelden, ook in de rest van ons leven in praktijk brengen: ook als we misschien al lang grijs geworden zijn, gaan we nog in de schoolbanken zitten, en wel in de schoolbanken van het leven. Dat is ook een van de verschillen met anderen, die geloven dat ze, wanneer ze tot hun vijf-, zesentwintigste alsmaar hebben geboemeld – pardon, ik moet zeggen: college hebben gelopen en hebben gestudeerd – voor hun hele verdere leven klaar zijn! Hoogstens voor zijn eigen plezier ontwikkelt men zich daarna nog verder in de een of andere richting. 

Maar wanneer we langzamerhand doordringen tot de essentie van de geesteswetenschap, dan komt ons heel duidelijk voor ogen te staan dat de mens werkelijk zijn hele leven door moet leren, wil hij de opgaven van dit leven aankunnen. Het is heel belangrijk dat wij doordrongen zijn van dit gevoel. Als niet wordt afgerekend met het idee dat men alles reeds kan beheersen met de vermogens die men tot zijn twintigste of vijfentwintigste jaar heeft ontwikkeld, dat men daarna alleen maar in het parlement of waar dan ook bij elkaar hoeft te komen om over alles en nog wat besluiten te nemen – zolang deze opvatting stand houdt, kan er in de sociale structuur van de wereld niets heilzaams tot stand komen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 186 – Sociale en antisociale impulsen in de mens – Bern, 12 december 1918 (bladzijde 166-167)

Vertaling: Wyts ten Siethoff

Eerder geplaatst op 29 augustus 2017 (1 reactie)

De schoolbanken van het leven

Een van de impulsen waarvoor wij als antroposofen enthousiast worden is immers, dat wij datgene wat de meeste mensen alleen maar voor de vroegste jeugd laten gelden, ook in de rest van ons leven in praktijk brengen: ook als we misschien al lang grijs geworden zijn, gaan we nog in de schoolbanken zitten, en wel in de schoolbanken van het leven. Dat is ook een van de verschillen met anderen, die geloven dat ze, wanneer ze tot hun vijf-, zesentwintigste alsmaar hebben geboemeld – pardon, ik moet zeggen: college hebben gelopen en hebben gestudeerd – voor hun hele verdere leven klaar zijn! Hoogstens voor zijn eigen plezier ontwikkelt men zich daarna nog verder in de een of andere richting. Maar wanneer we langzamerhand doordringen tot de essentie van de geesteswetenschap, dan komt ons heel duidelijk voor ogen te staan dat de mens werkelijk zijn hele leven door moet leren, wil hij de opgaven van dit leven aankunnen. Het is heel belangrijk dat wij doordrongen zijn van dit gevoel. Als niet wordt afgerekend met het idee dat men alles reeds kan beheersen met de vermogens die men tot zijn twintigste of vijfentwintigste jaar heeft ontwikkeld, dat men daarna alleen maar in het parlement of waar dan ook bij elkaar hoeft te komen om over alles en nog wat besluiten te nemen – zolang deze opvatting stand houdt, kan er in de sociale structuur van de wereld niets heilzaams tot stand komen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 186Sociale en antisociale impulsen in de mens – Bern, 12 december 1918 (bladzijde 166-167)

Vertaling: Wyts ten Siethoff

Rudolf Steiner – Een universeel geneesmiddel voor de sociale wanorde bestaat er niet

Sociale problemen zijn niet iets wat in deze tijd door een paar mensen of door parlementen opgelost kan worden en dan opgelost zal zijn. Zij zijn een bestanddeel van de gehele moderne beschaving en zullen dat, nu ze eenmaal ontstaan zijn, blijven. Zij zullen voor ieder moment in de historische ontwikkeling opnieuw opgelost moeten worden. Want het mensenleven is in deze tijd in een toestand gekomen die uit de sociale organisatie steeds weer het antisociale laat ontstaan. Dit moet steeds opnieuw overwonnen worden. Zoals bij een organisme enige tijd na de verzadiging steeds weer de honger verschijnt, zo verschijnt bij een sociale organisatie steeds weer uit een ordening van de sociale omstandigheden de wanorde. Een universeel geneesmiddel voor de ordening van de sociale toestanden is er evenmin als een voedingsmiddel dat voor alle tijden verzadigt.

Bron: GA 023 – Die Kernpunkte der sozialen Frage (bladzijde 14)

Rudolf Steiner – Goedwillendheid is mooi, maar zonder inzicht pakt het toch verkeerd uit (1)

Nietwaar, het is heel gemakkelijk om te zeggen: ‘Welwillendheid is een deugd, dus moeten we ons welwillendheid eigenmaken; recht is een moreel goede zaak, dus moeten we het recht grondvesten.’ Dan kan men wetgever zijn en inrichtingen maken, waardoor deugd en recht geregeld wordt. Men kan ook parlementen kiezen, waar schrandere mensen bij elkaar komen om allerlei maatregelen in de zin van een deugdelijke en rechtvaardige orde en dergelijke te treffen. Maar daaruit kan, als de dingen in stand worden gehouden zoals ze tot nu toe behandeld werden, slechts voortkomen wat we nu zich nu over de aarde zien uitbreiden. (Deze tekst stamt uit 1917, ten tijde van de eerste wereldoorlog dus.) Als de mensen toch de moed zouden hebben de samenhang in te zien tussen hun gedachten en voorstellingen, die zich meer en meer ontwikkeld hebben, en de vreselijke gebeurtenissen in het heden! Welwillendheid is een deugd en men kan zich er zeer wel bij voelen de welwillendheid na te leven, bij wijze van spreken in een catechismus schrijven: Jij zult welwillend zijn, jij zult rechtvaardig zijn enzovoort; – dan heeft men dat, maar men heeft geen kennis!

Wordt vervolgd

Bron: GA 176 – Berlijn, 25 september 1917 (bladzijde 357-358)