Het etherlichaam

De mens bestaat allereerst uit het fysieke lichaam, dat u met de ogen kunt zien. Het tweede lid is het zogenaamde etherische lichaam. Dit is het wezensdeel dat het fysieke lichaam omsluit, dat veel fijner is dan het fysieke lichaam, en waarin stromen en organen van wonderbaarlijke verscheidenheid en pracht aan het werk zijn. In het etherlichaam zijn dezelfde organen aanwezig als in het fysieke lichaam.

Ook het etherlichaam heeft hersenen, hart, ogen enzovoort. Ze vertegenwoordigen de krachten die de corresponderende fysieke organen hebben gecreëerd. Dit is ongeveer vergelijkbaar met water dat in een vat wordt afgekoeld, zodat het in ijs verandert. Zo moet u het ontstaan van de fysieke organen als de verdichting van het etherische voorstellen. Het etherlichaam steekt slechts een klein beetje uit boven het fysieke lichaam.

Bron: Rudolf Steiner – GA 94 – DAS JOHANNES-EVANGELIUM – Berlin, 19 februari 1906 (blz. 191-192)

hoguqtura1ohosuanecb

De taak van de antroposofische beweging

Het is in wezen de taak van de antroposofische beweging ons bekend te maken met werelden die ons iedere dag en ieder uur omgeven, met werelden waarin we leven, maar waarvan we onder normale omstandigheden niets weten. 

Niet met werelden die buiten de onze liggen wil de antroposofie ons bekend maken, niet met werelden die in voor ons ontoegankelijke plaatsen te vinden zijn, maar met de werelden die voortdurend onze wereld beïnvloeden, die ons altijd omgeven, die ons echter onbekend blijven, omdat onze organen daarvoor niet ontsloten zijn. 

Vooralsnog kunnen we alleen maar spreken van deze werelden. We kunnen er alleen maar op wijzen en ertoe aansporen om deel te nemen aan de activiteit waardoor de mensen de organen ontsluiten voor deze hogere werelden, zodat hij in staat is deze hogere werelden waar te nemen, zoals hij tegenwoordig alleen in staat is de gewone wereld waar te nemen. 

Bron: Rudolf Steiner – GA 88 – Über die astrale Welt und das Devachan – Berlijn, 28 oktober 1903 (bladzijde 20)

Eerder geplaatst op 28 december 2017

Portraits of Rudolf Steiner 0018

Waarneming en wereld

De beleving van de wereld om ons heen hangt af van welke vermogens en organen we hebben om ze waar te nemen. Zouden we andere organen hebben, dan zou ook de wereld geheel anders voor ons zijn. Als de mens bijvoorbeeld geen ogen zou hebben om het licht te zien, maar een orgaan waarmee hij, laten we zeggen, de elektriciteit zou kunnen waarnemen, dan zou u deze ruimte niet als helder, van licht doorstroomd waarnemen. Wel echter zou u in de draden die in deze ruimte liggen de elektriciteit heen en weer zien stromen; dan zou u het overal trillen, flitsen en stromen zien. Zo is dus wat we onze wereld noemen afhankelijk van onze waarnemingsorganen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 100 – Menschheitsentwickelung und Christus- Erkenntnis/Theosophie und Rosenkreuzertum – Kassel, 19 juni 1907 (bladzijde 48)

Eerder geplaatst op 3 augustus 2017  (3 reacties)

imagegen-1

Er zijn zo veel werelden als we organen hebben om ze waar te nemen

Er zijn zo veel werelden als we organen hebben om ze waar te nemen, oneindig veel werelden; we kunnen ze alleen nu nog niet waarnemen, omdat we nog geen organen daarvoor hebben. […] Voor ieder waarnemingsorgaan bestaat er een wereld. Nu zijn ze voor ons ondoorgrondelijk, maar ze zijn er: ze zijn waar we zelf zijn. Ons hoeven alleen maar de ogen daarvoor geopend te worden, want ze zijn midden onder ons.

De woorden van Christus: “Zoek niet naar het Rijk Gods, want het Rijk Gods is midden onder u”, is geheel letterlijk te nemen. Geheel in deze zin spreekt ook de geesteswetenschap van de geestelijke werelden. En altijd zijn er ingewijden geweest die de middelen en wegen kenden, om in deze rijken binnen te gaan. Alle religies spreken van hen. De geesteswetenschap is slechts het middel om deze fundamentele waarheid van alle religies weer te ontsluiten. Alles wat we hier om ons heen zien en waarnemen, is een gevolg en werking van wat er in de geestelijke werelden gebeurt. Alles wat zich op aarde manifesteert, is slechts een uitwerking (Duits: Ausgestaltung) van wat in de geestelijke werelden werkt en leeft.

Bron: Rudolf Steiner – GA 100 – Menschheitsentwickelung und Christus- Erkenntnis / Theosophie und Rosenkreuzertum – Kassel, 16 juni 1907 (bladzijde 24)

Eerder geplaatst op 31 juli 2017

De eerste zeven levensjaren / Vreugde en welbehagen

Eén ding moet men bij deze leeftijd (Steiner spreekt hier over de eerste zeven levensjaren) streng in acht nemen; namelijk, dat het fysieke lichaam zelf de maatstaf levert voor hetgeen gunstig voor het organisme is. Dit gebeurt, als er verlangens aangekweekt worden, die overeenstemmen met gezonde behoeften. In het algemeen kan men zeggen, dat het gezonde fysieke lichaam datgene voor zich verlangt wat ook goed ervoor is. Zolang het bij de ontwikkeling van de mens aankomt op het fysieke lichaam, moet men zorgvuldig acht geven op alles, waarnaar het gezonde verlangen, de begeerte en de vreugde uitgaan. Vreugde en welbehagen zijn krachten, die op de allerbeste wijze de stoffelijke orgaanvormen tot ontplooiing brengen. 

In dit opzicht kan men werkelijk zwaar zondigen door het kind in omstandigheden te plaatsen, waarin het niet de juiste verhouding tot zijn stoffelijke omgeving vindt. Dit gebeurt in het bijzonder met betrekking tot het voedingsinstinct. Men kan het kind met zodanige spijzen overladen, dat het zijn gezonde voedingsinstincten totaal verliest, terwijl men deze door de juiste voeding zo levend kan houden, dat het kind nauwkeurig tot op een glas water toe, verlangt wat onder bepaalde omstandigheden goed voor hem is en afwijst wat schadelijk kan zijn. Wanneer op de geesteswetenschap een beroep zal worden gedaan om een opvoedkunst tot stand te brengen, zal zij tot in details kunnen aangeven hoe de voedings- en genotmiddelen in de praktijk van de opvoeding te gebruiken zijn. Want zij is concreet op het leven gericht en geen grauwe theorie, waarvoor men haar tegenwoordig zeer zeker nog zou kunnen houden, als men zou oordelen naar de onjuiste denkbeelden van sommige theosofen.

Tot de krachten die vormend inwerken op de stoffelijke organen, behoort dus de vreugde, die aan de dingen van de omgeving en met deze omgeving samen beleefd wordt. Opgewekte gezichten van de opvoeders en bovenal natuurlijke, geen geforceerde liefde. Een liefde die het kind met een atmosfeer van warmte omgeeft, broedt in de ware zin van het woord de vormen van de organen uit.

Bron: Rudolf Steiner – GA 34 – Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaf (bladzijde 327-328)

Vertaling W.F. Veltman

Zie ook: Fragmenten uit De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie