Met mooie slagzinnen komen we er niet

Zeker, er zijn vaak mooie grondbeginselen met betrekking tot opvoedkunde naar voren gebracht. Er wordt bijvoorbeeld terecht opgemerkt: Ja, het onderwijs heeft toch zulke principes als “men moet niets van buitenaf in de kinderen proppen; men moet alles wat men de kinderen wil bijbrengen, uit hun eigen aanleg en capaciteiten naar boven halen.” Zeer juist, een uitstekende basisregel – maar abstract en theoretisch. En zo zien we dat veruit het meeste van onze levenspraktijk in abstracties, in theoretische programma’s is opgesteld. Want wat men nodig heeft om zoiets uit te voeren als het uit de individualiteit halen van wat het kind in zich ontwikkelen moet, daarvoor heeft men werkelijke mensenkennis nodig. Menselijk inzicht, dat tot in alle diepten van de mens gaat. Een zodanige mensenkennis kan echter de wetenschap, die tot nu toe in de moderne beschaving voorhanden is, ondanks haar grote triomfen, niet geven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 297a – Erziehung zum Leben – Amsterdam, 28 februari 1921 (bladzijde 51)

Eerder geplaatst op 8 augustus 2014

Absolute, voor alle tijden geldige opvattingen zijn de grootste vijand van alle werkelijkheid

De mens is tegenwoordig vóór alles, men zou bijna willen zeggen bezeten van een zekere drang om alles absoluut te nemen. Ik bedoel hiermee het volgende: Spreekt men vandaag de dag erover dat de mens op een of andere wijze zou moeten worden opgevoed – we willen nu alleen hierover spreken; men zou dezelfde overwegingen op uiteenlopende wijze ook op andere gebieden van het leven kunnen uitbreiden -, dan heeft men altijd voor ogen dat het om iets zou gaan wat nu in absolute zin voor de mensen geldt, wat om zo te zeggen het absoluut juiste is, dat – als het maar toegepast had kunnen worden – ook voor de mensen had kunnen worden toegepast bijvoorbeeld in het oude Egypte, in het oude Griekenland, zoals het ook nog na 4000 jaar zou kunnen worden toegepast voor de mensen, die dan zullen leven, dat het ook door China, Japan enz. toegepast kan worden.

Deze mening, waardoor de hedendaagse mens gewoonweg geobsedeerd is, dat hij iets absoluut geldigs kan opstellen, dat is de grootste vijand van alle werkelijkheid. Daarom gaat het er juist om te erkennen, dat wij niet in absolute zin mensen zijn, maar mensen van een bepaald tijdperk; dat de mensen met betrekking tot hun zielen en zelfs hun lichaamsgesteldheid anders zijn dan bijvoorbeeld de Grieken en Romeinen waren, dat ze anders gevormd zijn dan de mensen al na een relatief korte tijd, na een half millennium zullen zijn. Daarom vatten wij de opvoedkundige taak niet in absolute zin op, maar we beschouwen ze als voortkomend uit de behoeften van de huidige tijd en de nabije toekomst van de menselijke beschaving.

Bron: Rudolf Steiner – GA 297 – Idee und Praxis der Waldorfschule – Stuttgart, 24 augustus 1919 (bladzijde 20-21)

Met mooie slagzinnen komen we er niet  

Zeker, er zijn vaak mooie grondbeginselen met betrekking tot opvoedkunde naar voren gebracht. Er wordt bijvoorbeeld terecht opgemerkt: Ja, het onderwijs heeft toch zulke principes als “men moet niets van buitenaf in de kinderen proppen; men moet alles wat men de kinderen wil bijbrengen, uit hun eigen aanleg en capaciteiten naar boven halen.” Zeer juist, een uitstekende basisregel – maar abstract en theoretisch. En zo zien we dat veruit het meeste van onze levenspraktijk in abstracties, in theoretische programma’s is opgesteld. Want wat men nodig heeft om zoiets uit te voeren als het uit de individualiteit halen van wat het kind in zich ontwikkelen moet, daarvoor heeft men werkelijke mensenkennis nodig. Menselijk inzicht, dat tot in alle diepten van de mens gaat. Een zodanige mensenkennis kan echter de wetenschap, die tot op heden in de moderne beschaving voorhanden is, ondanks haar grote triomfen, niet geven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 297a – Erziehung zum Leben – Amsterdam 28 februari 1921 (bladzijde 51)

Eerder geplaatst op 30 mei 2012

Moraliteit/Opvoeding

De mens wordt innerlijk gewoonweg verlamd in moreel opzicht, als hem te vroeg morele geboden: ‘Jij moet, jij moet niet! – Jij mag dat doen, dat mag je niet doen!’ – morele begrippen op abstracte wijze worden onderwezen. Het kind moet ervaren aan de leidende leraar en opvoeder, wat goed en verkeerd is. Daartoe moet echter het verbindende deel er zijn, doordat de leraar zo op het kind werkt (Duits: Dazu muß aber das verbindende Glied da sein dadurch, daß der Lehrer auf das Kind so wirken muß), dat het kind het goed bevalt, dat het welbehagen in het goede heeft, dat het afschuw van het slechte heeft. We moeten voor het morele allereerst zo te werk gaan, dat we niet het morele gebieden en het immorele verbieden – neemt u dat, zeer geachte aanwezigen, goed op, het komt op deze nuance zeer veel aan -, maar dat we bij de kinderen tussen de tandenwisseling en puberteit in de gevoelens, niet in de wilsimpulsen, het beleven van goed en kwaad ontwikkelen. Het goede moet ons innerlijk bevallen. We moeten liefde, sympathie voor het goede ontwikkelen, voordat we het als verplichtend voor het willen ontwikkelen. Wat moreel voor de wil moet zijn, dat moet eerst groeien uit wat moreel voor het gevoel welgevallen of verafschuwing was.

Bron: Rudolf Steiner – GA 304a – Anthroposophische Menschenkunde und Pädagogik – Den Haag, 19 november 1923 (bladzijde 139-140)

Geest en praktijk – 1

Ik kan u de verzekering geven: als eenmaal de antroposofische opvoedkunde er zal zijn, zal ze veel praktischer mensen in het leven plaatsen dan de meer materialistische opvoedkunde van tegenwoordig, want ze zal de geest hebben als een scheppende, niet slechts als een dromerige geest, die men nadat men de ogen zo veel mogelijk gesloten heeft, een beetje wegvliegt van de uiterlijke werkelijkheid. Tot de geest te komen, zonder de levenspraktijk te verliezen, dat is het, wat juist voor de praktische kant van het leven zal openbaren, wat ik antroposofische beweging noem.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 303 – Die gesunde Entwickelung des Menschenwesens – Dornach, 4 januari 1922 (bladzijde 260)