Zoveel verscheurde mensenzielen

Het opvallendste in het moderne leven is dat er zoveel verscheurde men­senzielen zijn. Mensenzielen die het moeilijk hebben, die zich met het leven geen raad weten, die zich steeds weer afvra­gen: wat moet ik nou doen, wat heeft het leven met mij voor? – die dit of dat beginnen maar daarin geen voldoening vinden. Er zijn steeds meer mensen die dit soort problemen hebben. Hoe komt dit? Dit komt door een gemis in de manier van op­voeden. Wij vormen onze kinderen tegenwoordig zo, dat wij niet die krachten in hen wekken die de mens geschikt maken om het leven aan te kunnen. 

Namelijk datgene wat de mens geschikt maakt doordat hij tot het zevende jaar een nabootser is; wat de mens geschikt maakt doordat hij tot het veertiende jaar een waardige autoriteit volgt; en dat hij tot aan het 21ste jaar de liefde op de juiste wijze kan ontwikkelen, want later kunnen deze krachten niet meer ontwikkeld worden. Datgene wat de mens mist omdat de krachten die in bepaalde jaren van de jeugd ontwikkeld dienen te worden, niet gewekt zijn, maakt hem tot een mens met problemen. Dat dienen wij te beseffen!

Bron: Rudolf Steiner – GA 296 – Die Erziehungsfrage als soziale Frage – Dornach, 10 augustus 1919 (bladzijde 49)

Ook te vinden in het boek Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave. Vertaling John Hogervorst en Hanneke Nelemans.

Eerder geplaatst op 6 oktober 2016 (2 reacties)

Bestuur van onderwijs en opvoeding moet vrij en onafhankelijk zijn van de staat en de economie

We zijn er nu aan gewend het geestesleven alleen maar als aanhangsel van de staat, misschien wel van het economisch leven te beschouwen. Wij zijn er nu aan gewend om het belangrijkste deel van het geestesleven, juist dus onderwijs en opvoeding ons van staatswege te laten voorschrijven

Wat antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap nu door een echt kennen van de onderwijs- en opvoedingsmethoden die uitgaan van een echte menskunde, voor de moderne maatschappij waar moet maken is, dat het geestesleven, het onderwijs en de opvoeding op zichzelf moeten staan om zich te verwezenlijken. 

Ik wil het heel concreet stellen: niet alleen moeten de leraren en de opvoeders onderwijzen en opvoeden, maar ze moeten ook de totale realisering van het onderwijs en de opvoeding vrij en onafhankelijk van de staat en de economie beheren. Vanaf de laagste basisschoolklas tot aan de hoogste vorm van onderwijs moet iedere leerkracht en opvoeder zoveel met lesgeven bezig zijn dat er nog genoeg tijd overblijft om ook bestuurder te zijn op het gebied van onderwijs en opvoeding. 

En alleen zij die nog actief zijn binnen onderwijs en opvoeding die op een of ander gebied daadwerkelijk leraar en opvoeder zijn, niet degene die ambtenaar van het rijk is geworden en niet in het onderwijs staat, moeten ook de bestuurders zijn op het terrein van de opvoeding. Niets moet op het gebied van onderwijs en opvoeding invloed uitoefenen dan alleen wat dat ook doet op het gebied van wetenschap, kunst en religie.

Bron: Rudolf Steiner – GA 297a – ERZIEHUNG ZUM LEBEN –  Selbsterziehung und  pädagogische  Praxis – Amsterdam, 28 februari 1921(bladzijde 59-60)

Vertaling: Pieter H.A. Witvliet. Zie voor de hele vertaling van deze voordracht zijn website: VRIJESCHOOL PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297A – voordracht 2

Het kind dat op zo’n wonderbaarlijke manier ons de diepste wereldraadselen openbaart

Opvoeding wordt door de antroposofische geesteswetenschap niet opgevat als een wetenschap, niet als een theoretische kennis, maar als een echte kunst, als een kunst die te maken krijgt met het meest edele materiaal dat we in de wereld hebben, met de mens zelf, met het kind dat op zo’n wonderbaarlijke manier ons de diepste wereldraadselen openbaart, wanneer het jaar na jaar, men zou willen zeggen, van week tot week ons laat zien, hoe door de fysiognomie, door de gebaren, door alles wat maar uitingen van leven in een kind zijn, hoe daar zichtbaar wordt het geestelijke, de ziel, die in het kind nog diep verborgen is als een goddelijke gave uit de geestelijke wereld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 218 – Geistige Zusammenhänge in der Gestaltung des menschlichen Organismus – Londen, 20 november 1922 (bladzijde 243-244)  

Vertaling: Pieter H.A. Witvliet

Zie voor de hele vertaling van deze voordracht zijn website: VRIJESCHOOL PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN – OPVOEDKUNST DOOR MENSKUNDE 

Eerder geplaatst op 9 augustus 2016 (4 reacties)

Het beste voor opvoeding van kinderen is zelfopvoeding

Het is niet overdreven om te zeggen: degene die in de omgeving van het kind, voor zover dit vóór het zevende jaar is, vanuit zijn innerlijk heel erg zijn best doet een goed mens te zijn, een mens die goed in het leven staat, die gewetensvol zich voorneemt om zelf in zijn gedachte-, zijn gevoelsleven tegenover het kind niets verkeerds te doen, ook niet onuitgesproken, heeft door het imponderabele van het leven op de sterkste manier invloed op het kind. 

Wat dit betreft is er nog veel waarnaar gekeken moet worden, wat – als ik het zo mag zeggen – nog tussen de regels van het leven staat. Toen we ons langzamerhand in een meer materialistisch leven, vooral wat betreft de fijnzinnigere dingen in het leven, ingekapseld hebben, raakten we er meer aan gewend dergelijke dingen onbelangrijk te vinden. Pas wanneer ze weer naar waarde geschat worden, zal er in de pedagogie een bepaalde impuls komen die deze pedagogie dan ook nodig heeft, vooral in een tijdperk dat zich sociaal, een sociaal denkend tijdperk wil noemen. Je kan bepaalde levenservaringen niet op de juiste manier inschatten, wanneer je niet die dingen in het oog vat die aan geest en ziel van de mens ten grondslag liggen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 297 – Idee  und  Praxis der  Waldorfschule – Bazel, 27 november 1919 (bladzijde  163-164)

Vertaling: Pieter Witvliet. Voor meer van zijn vertaling van GA 297 zie: VRIJESCHOOL – PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN

Over opvoeding, geheugen en gezondheid (1 van 2)

Onder invloed van de materialistische tijdgeest heeft steeds meer en meer de tendens de overhand genomen om wat men met de kinderen in de school moet doen naar het lichaam te richten. Men doet tegenwoordig experimenten over het geheugen, ja zelfs over de wil en over het denken. Ik bestrijd daartegen niets, want voor de wetenschap is het zeer interessant, maar zich daarnaar pedagogisch te willen richten, is iets verschrikkelijks, want het bewijst immers dat we de mens in zijn eigen wezen geheel vreemd zijn geworden, als we uiterlijke experimenten moeten doen, om toegang te krijgen tot het kind, bijvoorbeeld.

Als we innerlijk met het kind verbonden zijn, hoeven we toch niet uiterlijke experimenten te doen. Maar nogmaals wil ik benadrukken dat ik mij niet tegen de experimentele psychologie keer, waarvan ik de betekenis geheel erkennen wil als interessant voor de wetenschap. Maar als basis voor de pedagogie bewijst experimentele psychologie daardoor alleen hoe mensenvreemd we geworden zijn, als we uiterlijk aan de mens experimenteren, om innerlijk wat van hem te weten, als we helemaal geen innerlijke toegang meer tot hem hebben.

 Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 226 – Menschenwesen, Menschenschicksal und Welt-Entwickelung – Kristiania, 21 mei 1923 (bladzijde 110)

Eerder geplaatst op 26 juni 2016 (2 reacties)