De werking van een mens gaat niet alleen uit van wat hij doet, maar vooral van wat hij is

U zult geen goede opvoeder en pedagoog worden wanneer u alleen kijkt naar wat u doet en niet naar wat u bent. De antroposofische geesteswetenschap bestaat eigenlijk om de volgende reden: om het belang in te zien van het feit dat de werking van een mens in de wereld niet alleen uitgaat van wat hij doet, maar vooral van wat hij is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 293 – Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik – Stuttgart, 21 augustus 1919 (bladzijde 27)

Vertaling: Marijke Buursink 

Zie ook: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-10)

Rudolf-Steiner-Poster

Geschilderd door Lutz Baar, een in 1946 in Berlijn geboren schilder, sinds 1970 wonende in Zweden

Eerder geplaatst  op 1 maart 2018  (6 reacties)

Mede verantwoordelijk

Als ik opvoeder ben en mijn pupil niet beantwoordt aan hetgeen ik zou wensen, moet mijn gevoel zich niet tegen hem keren, maar tegen mijzelf. Ik moet mij in zo hoge mate één met hem voelen, dat ik mij afvraag: “Is datgene, waarin hij tekort schiet, niet een gevolg van mijn eigen handelwijze?” In plaats van mijn gevoel tegen hem te richten zal ik er veeleer over nadenken hoe ik mijzelf heb te gedragen, wil mijn pupil in het vervolg beter aan mijn verwachtingen beantwoorden. Door zulk een gemoedsgesteldheid verandert gaandeweg onze hele denkwijze.

Dit geldt voor het kleinste zowel als voor het grootste. Bij deze gezindheid zie ik b.v. een misdadiger met geheel andere ogen dan wanneer ik dit standpunt niet inneem. Ik houd mijn oordeel terug en zeg tot mijzelf: “Ook ik ben maar een mens als hij. Wellicht heeft alleen de opvoeding, die mij door de omstandigheden te beurt is gevallen, mij voor een dergelijk lot bewaard.” Ik kom dan mogelijk tot de overtuiging dat deze medebroeder een ander mens zou zijn geworden, als de leermeesters, die aan mij hun moeite en zorgen besteedden, die aan hem hadden gewijd. Ik zal bedenken dat mij iets ten deel is gevallen, wat hem werd onthouden en dat ik dit voorrecht juist te danken heb aan het feit dat hij het moest missen. En dan zal het denkbeeld mij niet vreemd meer zijn dat ik slechts een schakel in de gehele mensheid ben en mede aansprakelijk voor al wat geschiedt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 10 – WIE ERLANGT MAN ERKENNTNISSE DER HÖHEREN WELTEN? – Die Bedingungen zur Geheimschulung (bladzijde 106)

Deze vertaling is overgenomen uit het boek Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebiedenHoofdstuk: De voorwaarden voor de innerlijke scholing (bladzijde 90-91) – Vierde druk 

Dit werk is later verschenen met de titel De weg tot inzicht in hogere werelden.     

Eerder geplaatst op 26 december 2017  (1 reactie)

Weg-tot-inzicht-in-hogere-werelden-2013

Opvoeding/Zelfopvoeding

In feite is er op geen enkele trap een andere opvoeding dan zelfopvoeding. […] Iedere opvoeding is zelfopvoeding. En we zijn eigenlijk als onderwijzer en opvoeder alleen de omgeving van het zichzelf opvoedende kind. Wij moeten slechts voor de meest gunstige omgeving zorgen, zodat het kind zich aan ons zo opvoedt, zoals het zich door zijn innerlijk lot ontwikkelen moet.

Bron: Rudolf Steiner – GA 306 – Die pädagogische Praxis – Dornach, 20 april 1923 (bladzijde 131)

Eerder geplaatst op 14 augustus 2014

Korte fragmenten uit Mijn Levensweg van Rudolf Steiner (4) – Als kind speelde Steiner niet

Een groot deel van mijn jeugd is met deze taak vergroeid (van 1884 tot 1890 was Steiner werkzaam in een koopmansgezin te Wenen als opvoeder en leraar van de vier zonen). Vele jaren ging ik ’s zomers met de familie naar de Attersee in Salzkammergut, waardoor ik de heerlijke natuur van de Oostenrijkse Alpen leerde kennen. Langzamerhand kon ik de privélessen, die ik eerst nog had aangehouden bij mijn pedagogische taak, aan anderen overdragen, waardoor ik weer tijd kreeg voor mijn eigen studie.

Voor ik bij deze familie kwam had ik in mijn leven weinig gelegenheid gehad om deel te nemen aan kinderspelen. Mijn ‘tijd van spelen’ kwam voor mij nu pas na mijn twintigste jaar. Maar ik moest ook leren hóe men speelt, daar ik zelf spelleider moest zijn. Ik vond dit heerlijk en ik meen zelfs dat ik tenslotte in mijn leven niet minder heb gespeeld dan andere mensen. Alleen heb ik datgene wat men anders vóór zijn tiende jaar in dit opzicht doet, tussen mijn drie- en achtentwintigste ingehaald.

Bron: Nederlandstalige uitgave van Mijn Levensweg – bladzijde 72 (Uitgave 1981, Vrij Geestesleven) Vertaling: W.A.C. Labberté

Duitstalig: GA 28 Mein Lebensgang (bladzijde 107-108)

Eerder geplaatst op 19 mei 2014

Moet men zich van alle kritiek onthouden? (5 – slot)

Onder bepaalde omstandigheden brengt men zich het beste vooruit als men in noodzakelijke gevallen van de inachtneming van een regel, waarvan navolging vooruitgang bewerkt, afziet. Is men als opvoeder wellicht voortdurend genoodzaakt door straffen verdriet teweeg te brengen, dan kan men gedurende deze tijd met betrekking tot bovenstaande regel geheel niets doen. Heeft men echter de leerling verbeterd, dan komt deze goede werking ons karma en daardoor toch onze hogere ontwikkeling ten goede. De wetten van het geestelijk leven zijn onverbiddelijk als men er om welke reden dan ook niet aan voldoet. En ze moeten in alle gestrengheid eenvoudig als geestelijke wetten opgesteld worden, of er een mogelijkheid om ze op te volgen bestaat of niet.

Bron: Rudolf Steiner – GA 034 –  GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis» –  juni 1905 (bladzijde 390)

Eerder geplaatst op 24 april 2013