Waanzin en geestelijke waarneming (1 van 2)

Als iemand drie, vijf of twintig jaar, zoals men zegt, geestesgestoord is en hij wordt nadien weer gezond, dan is hij niet meer geheel dezelfde als vroeger. Vóór alles zult u het volgende opmerken. Hij zegt u, nadat hij weer gezond is geworden: Ja, ik heb in de tijd waarin ik ziek was, voortdurend in de geestelijke wereld kunnen zien. – Hij vertelt u alle mogelijke waarnemingen uit de geestelijke wereld. En gaat men dan met de inzichten, die men als een volkomen gezonde van de geestelijke wereld verkrijgt, zijn verhalen na, dan is het weliswaar zo dat hij veel onzin zegt, maar anderzijds ook veel wat juist is. Dus dat is het merkwaardige: Iemand kan jarenlang krankzinnig zijn, weer gezond worden, en dan vertelt hij dat hij in de geestelijke wereld geweest is, en dit en dat heeft beleefd. En als men zelf de zaak kent als gezond mens, dan moet men hem in veel gelijk geven.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 350 – Rhythmen im Kosmos und im Menschenwesen – Dornach, 28 juni 1923 (bladzijde 143-144)

Eerder geplaatst op 16 juni 2015  (3 reacties)

Dat men niets meer weet van de geestelijke wereld, dat heeft in werkelijkheid de ontzaglijke ellende veroorzaakt

En dat, mijne heren, dat men niets meer weet van de geestelijke wereld, dat heeft in werkelijkheid de ontzaglijke ellende veroorzaakt. […] En te zeggen: De mensen hebben het verdiend, omdat ze in hun vorige leven slechte dingen gedaan hebben-, dat is natuurlijk onzin, want het is niet het lot van ieder afzonderlijk individu, maar het is het gemeenschappelijke lot van de individuen. Maar ieder ervaart het in dit leven. Denk maar aan hoeveel ellende de mens in zijn huidige leven meemaakt. Van een vroeger leven is het niet afkomstig. Maar in het volgende leven zal hij de gevolgen van de misère van tegenwoordig hebben. Het gevolg ervan zal zijn dat hij verstandiger zal zijn en dat hij meer op de geest gericht is (Duits: daß die Geistwelt in ihn eher hineingehen kann). Zodat dus de tegenwoordige ellende al voor de toekomst een opvoeding is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 350 – Rhythmen im Kosmos und im Menschenwesen – Dornach 16 juni 1923 (bladzijde 119-120)

Eerder geplaatst op 6 oktober 2014

Het kan wel zijn dat de gedachten worden tegengehouden

Als men als helderziende spreekt, deelt men niet enkel vanuit het geheugen mee wat men ervaren heeft; men moet het gevoel hebben: je gedachten komen als levende wezens naar boven en je mag blij zijn als je op het juiste moment de genade ontvangt dat de gedachte komt als een werkelijk wezen.

Om de zaak te verduidelijken, zal ik twee dingen noemen. Spreekt men als fysiek mens vanuit zijn gedachten, dan zal men als men bijvoorbeeld een voordracht voor de dertigste maal houdt, gemakkelijker spreken dan men zou hebben gesproken als men hem voor de eerste keer hield. Als men als occultist spreekt, moeten steeds weer de gedachten werkelijk opkomen, en ze verlaten iemand weer. En precies zoals een mens die ons de dertigste keer bezoekt, iedere keer dezelfde arbeid verrichten moet, zoals wanneer hij ons dertig keer bezoekt ook dertig keer de weg moet afleggen, zo moet de gedachte die we voor de dertigste keer meedelen als levende gedachten, dertig maal bij ons opkomen, net als bij de eerste keer, en de herinnering helpt ons daarbij niet in het minst.

Als men als fysiek mens zijn gedachten uit en er is onder de toehoorders in een of andere hoek iemand die denkt: Ik houd niet van de onzin, die hij daar uitkraamt, ik haat het -, dan zal een fysiek mens dat niet bijzonder van de wijs brengen. Men heeft misschien zo en zo vaak zijn gedachten voorbereid en spreekt ze uit, geheel onverschillig of in een of andere hoek iemand met goede of slechte gedachten zit.

Als men als helderziende zijn gedachten komen laat, dan kan het wel zijn dat de gedachte tegengehouden wordt door  iemand, die deze gedachte haat, of door iemand die een hekel heeft aan de spreker. En dan moeten eerst de krachten overwonnen worden, waarmee bijvoorbeeld de gedachte in dezelfde ruimte wordt tegengehouden, omdat men met een levend wezen te doen heeft en niet met een abstracte gedachte.

Bron: Rudolf Steiner – GA 154 – Wie erwirbt man sich Verständnis für die geistige Welt? – Parijs, 25 mei 1914 (bladzijde 90-91)

Eerder geplaatst op 19 september 2014

Alle gepraat over de grenzen van de menselijke kennis is onzin

Alle gepraat over de grenzen van de menselijke kennis is onzin. Men zou moeten vragen: Kan de mens zich niet tot een hogere trap van kennis verheffen? Is dat misschien niet werkelijkheid, wat men ogen van de geest en oren van de geest noemt? Er zijn altijd mensen geweest die bepaalde sluimerende vermogens ontwikkelden en die daardoor meer kunnen zien dan anderen. Hun verklaringen moeten evenzeer gelden als de verklaringen van degenen die door de microscoop kijken.

Hoevelen hebben gezien wat de natuurlijke historie over de schepping leert? Ik zou u willen vragen, hoeveel mensen hebben dat gezien, waarover ze praten? Hoevelen hebben bijvoorbeeld werkelijk bewijzen voor de ontwikkeling van de menselijke kiem? Als ze dat zouden nagaan, dan zouden ze zien wat dat voor een geloof is, dat hen domineert. En als het een gerechtvaardigd geloof is, dan is datgene wat op de verklaringen van de ingewijden, van de geïnitieerden steunt, die vanuit hun spirituele ervaringen spreken, een eveneens gerechtvaardigd geloof.

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 – Die Welträtsel und die Anthroposophie – Hamburg 17 november 1906 (bladzijde 121-122)

Eerder geplaatst op 14 maart 2014

Grenzen van de menselijke kennis (2 – slot) – Hoogmoed, onzin en verzinsels

Een antroposoof zal beslist nooit beweren dat men met de vermogens die veel van zijn tegenstanders bedoelen, in hogere werelden zou kunnen doordringen; maar hij weet dat het voor de mens mogelijk is zulke vaardigheden in zich te wekken, die naar deze werelden leiden. Tijdgenoten houden het vaak voor hoogmoed en zelfoverschatting als iemand spreekt van vaardigheden om in bovenzinnelijke werelden door te dringen. Maar is het hoogmoed als men spreekt over wat onder bepaalde voorwaarden waargenomen kan worden; of kan men het niet veeleer hoogmoed noemen als iemand het voor een uitgemaakte zaak houdt, dat alles waarvan hij niets weet of niets weten wil, onzin en verzinsels moeten zijn? De antroposofie kan enkel en alleen op het standpunt staan, dat men niet zou moeten beslissen over iets waarvan men niets weet.

Bron: Rudolf Steiner – GA 034 –  GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis»  (bladzijde 295-296)

Eerder geplaatst 20 februari 2016