Het materialistische ideaal: Een aards paradijs

Hoewel ook tegenwoordig veel mensen zeggen dat ze in een geestelijke wereld geloven – het blijft een woord; bij veel mensen blijft het enkel een woord, een holle klank. In de gewaarwordingen, in de gevoelens, in de onderbewuste impulsen van de mensen zit toch iets anders, zit de neiging materialistisch te denken. Deze neiging, die verleidt de mensen ertoe – hoewel ze zichzelf wijsmaken in iets anders te geloven -, eigenlijk toch alleen in het materiële leven te geloven. Ja, wie alleen in het fysieke gebied gelooft, wie niet gelooft nog iets anders in zijn omgeving te hebben dan het fysiek-zintuiglijke, die kan immers geheel niet anders dan als enig ideaal te erkennen, alles op het aardse plan zo in te richten dat dit fysiek-zintuiglijke leven een paradijs wordt, anders zou immers de hele wereld een onzinnigheid zijn. Voor de materialisten is er helemaal geen andere mogelijkheid, als hij de wereld niet voor onzin wil houden, dan zich aan de illusie over te geven, dat het weliswaar nu nog erg gebrekkig toegaat op het fysieke plan, maar dat men toch toestanden zou kunnen teweegbrengen, die aan deze onvolkomenheid een eind maakt en de volmaaktheid in haar plaats zet.

Bron: Rudolf Steiner – GA 177 – Die spirituellen Hintergründe der äußeren Welt – Dornach, 1 oktober 1917 (bladzijde 46-47)

Ernst des levens

Inderdaad moet men zeggen: een zekere ernst des levens begint, als men stijgt in hoger inzicht. En zelfs als men niets anders verkrijgt, dat ene krijgt men: dat men het eigen kwaad en de eigen onvolkomenheid met oneindige duidelijkheid ziet. Men zou kunnen zeggen: men verwerft een ervaringsinzicht van onvolmaaktheid en slechtheid al bij de eerste stappen op de weg in de geestelijke wereld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 063 – Geisteswissenschaft als Lebensgut – Berlijn 15 januari 1914 (bladzijde 240)

Eerder geplaatst op 8 januari 2012.

Alle menselijk kwaad komt voort uit wat wij het egoïsme noemen

Uiteindelijk komt alle menselijk kwaad voort uit wat wij het egoïsme noemen. We kunnen, van de geringste kleinigheden die we als menselijke fouten zien tot de zwaarste misdaden, alles nagaan wat menselijke onvolkomenheid en menselijke slechtheid zijn, of het nu ogenschijnlijk meer van de kant van de ziel of ogenschijnlijk meer van de kant van het lichaam komt, de gemeenschappelijke grondtrek, voortkomend uit het egoïsme is overal aanwezig. We vinden de eigenlijke betekenis van het kwaad als wij het in samenhang denken met het menselijke egoïsme; en we vinden alle streven bovenuit onvolkomenheden en kwaad, als we dit streven zien in de bestrijding van wat wij het egoïsme noemen. Veel is nagedacht over deze of die ethische principes, over deze of die morele grondslagen; juist dat toont echter, hoe dieper men in ethische principes en in morele grondslagen onderduikt, dat het egoïsme de gemeenschappelijke basis is van alle menselijk kwaad. En zo kan men zeggen: de mens werkt zich des te meer uit het kwaad hier in de fysieke wereld, hoe meer hij het egoïsme overwint.

Bron: Rudolf Steiner – GA 063 – Geisteswissenschaft als Lebensgut – Berlijn 15 januari 1914 (bladzijde 240-241)

Eerder geplaatst op 7 januari 2012.

Beproeving door het lot

Een beproeving door het lot, welke de mens doormaakt tijdens zijn leven op aarde, kan ten opzichte van de gesteldheid van de ziel tijdens dit leven iets betekenen, dat ogenschijnlijk geheel indruist tegen de menselijke wil. In het leven tussen dood en geboorte heerst in de ziel een op de wil gelijkende kracht, welke de mens op een pad brengt dat hem voert tot het beleven van een lotsbeproeving. De ziel merkt in zekere zin dat haar een uit een vroeger aardeleven afkomstige onvolkomenheid aankleeft. Een onvolkomenheid die haar ontstaan te danken heeft aan een minder goede daad of een minder fraaie gedachte. Tussen dood en nieuwe geboorte ontstaat in de ziel een op wilskracht gelijkende impuls tot vereffenen van de onvolkomenheid. Daarom neemt ze in haar wezen de tendens op om zich tijdens het komende aardeleven in een ongeluk te storten, teneinde door het daardoor ontstane lijden een vereffening tot stand te brengen. Na de geboorte in een stoffelijk lichaam heeft de ziel die een lotsbeproeving doormaakt, er geen vermoeden van dat zij het zelf was die in het zuiver geestelijke leven vóór de geboorte zichzelf in de richting van deze beproeving heeft gestuwd. Wat dus volledig ongewild toeschijnt bezien van het gezichtspunt van het aardeleven, is door de ziel in de bovenzinnelijke wereld gewild.

Bron: Rudolf Steiner – GA 9 – Theosophie  (bladzijde 93)

In het Nederlands te vinden in Theosofie – Hoofdstuk Afzonderlijke opmerkingen en aanvullingen