Nabootsing en uiterlijk Voorbeeld / Navolging en Autoriteit

Zoals voor de eerste kinderjaren nabootsing en uiterlijk voorbeeld de toverwoorden van de opvoeding zijn, zo zijn het nu voor de betreffende fase: navolging en autoriteit. De vanzelfsprekend aanvaarde, niet opgedrongen autoriteit moet voor het innerlijk beleven van de jonge mens staan als een onmiddellijk beeld, waaraan hij zijn geweten, zijn gewoonten en neigingen ontwikkelt, waarnaar zijn temperament zich regelt, en door welks ogen hij de wereld beziet. Het dichterwoord: ‘ieder mens moet zijn held kiezen, die hij volgen wil in zijn streven de top van de Olympus te bereiken’ geldt in het bijzonder voor deze leeftijdsfase.

Eerbied en ontzag zijn krachten, die het etherlichaam op de juiste wijze tot ontplooiing brengen. Wie niet de mogelijkheid heeft gehad in de genoemde ontwikkelingsperiode naar iemand op te zien met een grenzeloos ontzag, zal daarvoor zijn gehele verdere leven moeten boeten. Waar deze verering ontbreekt, verkommeren de levende krachten van het etherlichaam.

Bron: Rudolf Steiner – GA 34 – Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft 1907 (bladzijde 329-330)

Overgenomen van de WordPress site van Pieter Witvliet.

https://vrijeschoolpedagogie.com/2020/12/28/vrijeschool-algemene-menskunde-voordracht-9-9-1-2-2-1/

Rudolf-Steiner

Over antroposofische woorden

Het is niet goed om het woord “ahrimanisch” zo zonder meer steeds weer te gebruiken bij de alledaagse omstandigheden. Doordat we zo’n woord gebruiken voor de dagelijkse verhoudingen, stompt het af voor ons gevoel, en we hebben dan helemaal niet de mogelijkheid nog woorden te hebben, die, als we ze denken of uitspreken, op ons de elementaire, significante betekenis uitoefenen, die ze zouden moeten uitoefenen.

Dat is buitengewoon belangrijk dat we in het dagelijkse leven niet te veel met deze woorden smijten (Duits: mit diesen Dingen gar zu sehr herumwerfen), want we komen daardoor in feite geleidelijk bij het beste, het meest werkzame, wat de antroposofie ons kan geven. Hoe meer we met betrekking tot de alledaagse gebeurtenissen de antroposofische woorden in de mond nemen, des te meer ontnemen we ons de mogelijkheid dat antroposofie voor ons werkelijk iets voor onze ziel dragends, onze ziel diep doordringends wordt.

We hoeven slechts de macht der gewoonte in overweging te nemen en we zullen zien dat het een verschil is, als we met een zeker heilig ontzag, met een zeker bewustzijn als we over andere werelden spreken, woorden gebruiken zoals bijvoorbeeld “aura” of “ahrimanische machten” of “luciferische machten”. We moeten om zo te zeggen de pas inhouden (Duits: haltmachen), voordat we zulke woorden gebruiken, moeten ze alleen gebruiken als het er voor ons werkelijk op aankomt onze verhouding tot de bovenzinnelijke wereld in het oog te vatten, dan is dat iets heel anders dan wanneer we in het alledaagse leven bij iedere willekeurige gelegenheid over deze dingen van de hogere wereld spreken en woorden, die aan deze werelden ontleend zijn, voortdurend in de mond nemen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 150 – Die Welt des Geistes und ihr Hereinragen in das physische Dasein – Augsburg, 14 maart 1913 (bladzijde 12-13)

Eerder geplaatst op 10 december 2016 (1 reactie)

Zonder verering komt geen mens ooit tot kennis

Zonder verering komt geen mens ooit tot kennis. Iemand kan nog zo’n scherp verstand of indringend vernuft bezitten, of zelfs schemerachtige helderziende krachten ontwikkeld hebben – tot echt, waar inzicht dringt men niet door zonder dat wat men grote verering noemt. Want de ware kennis kunnen ons alleen die wezens geven die in hun ontwikkeling de mensheid ver vooruit zijn gegaan. Iedereen geeft toe dat de individuele mensen verschillend ver zijn ontwikkeld. In onze materialistische tijd erkent men dat misschien niet zo graag, maar zekere verschillen kunnen niet worden betwist. Maar de meesten zijn wel van mening dan hun kennis al het hoogste is. Dat er nog hogere wezens zijn, die boven Goethe en Franciscus van Assisi uitgaan, dat zal men niet zo gauw toegeven. Niettemin is dat de basisvoorwaarde voor werkelijke kennis. Niemand bereikt die, als men niet deze grote verering heeft, welke door de nivellerende beschouwing van onze tijd geheel verloren is gegaan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 96 – Ursprungsimpulse der Geisteswissenschaft – Berlijn 7 mei 1906 (bladzijde 55)

PS. Het woord Verering heeft in Nederland nogal een negatieve bijklank. Als iemand bijvoorbeeld zou zeggen: ‘Ik heb grote verering voor de Minister-president of de Koningin’ (ik noem maar wat), dan zouden de mensen denken, dat zo iemand niet goed snik is. Het woord heeft te veel een religieus tintje. Het zou misschien beter zijn het woord te vervangen door bijvoorbeeld Ontzag, Bewondering, Hoogachting.