Grenzen van de menselijke kennis (1 van 2) – Sprookjes, twijfel, onverschilligheid

Voor de weg die aangeduid wordt als het pad van hoger inzicht moet noodzakelijkerwijs bij velen het begrip maar zeer gering zijn. Want hier tegen komt alles in het geweer door wat er tegenwoordig aan sprookjes verteld wordt over “noodzakelijke grenzen” van de menselijke kennis. Men praat veel over ontwikkeling, maar als iemand zegt dat de kenvermogens welke de mens op zijn huidige standpunt heeft, geen afsluiting zijn, maar dat zij bewust verder ontwikkeld kunnen worden, dan ondervindt zo’n uitspraak ofwel volkomen twijfel of onverschilligheid. Men probeert steeds weer te bepalen, wat de mens naar gelang zijn vermogens in staat is te weten; dat hij door verhoging van zijn vermogens in staat is in nieuwe werelden door te dringen, dat willen velen niet toegeven.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 034 – GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis» (bladzijde 295)

CJHJWF-3775

Werk van Carol Herzer http://www.soulguidance.com/omcarol/index.htm

Eerder geplaatst op 6 september 2018 (1 reactie)

Uitspraken en meningen zonder enige ontwikkeling

Bedenk eens hoe populair het tegenwoordig is geworden om bij alles wat als kennis in de wereld verschijnt te zeggen: Dit is mijn mening. – En: Dit is mijn standpunt – zegt men zonder enige ontwikkeling te hebben doorgemaakt. Ieder laat zijn mening gelden vanuit het standpunt dat hij in de wereld inneemt op het moment dat hij het uitspreekt. En voor mensen is het tegenwoordig het meest kwetsende, het meest irritante om überhaupt te spreken van hogere kennis, van een kennis waartoe men zich eerst zou moeten ontwikkelen.

Toen de mogelijkheid tot moderne inwijding vooral in het laatste derde deel van de negentiende eeuw ontstond, waren daarvoor al de tegengestelde krachten aan het werk, om het gelijkheidsbeginsel zelfs in het rijk van geest en ziel door te voeren, zodat ook daar alle mensen als op hetzelfde niveau zouden worden beschouwd. 

Source: Rudolf Steiner – GA 214 – Das Geheimnis der Trinität – Londen, 30 augustus 1922 (blz. 192-193)

550x825

Moet men zich van alle kritiek onthouden? (4 van 5)

Woorden en gedachten die smart teweegbrengen zijn als scherpe pijlen die van ons uitgaan. En aan de punt van de pijl vindt de goddelijke stem een hindernis; hij stuit terug en blijft onmerkbaar. Woorden en gedachten echter die van liefde vervuld zijn, openen zich als bloemenkransen naar buiten, die zacht de andere wezens omsluiten; en bij hen vindt de stem van hogere machten de weg open om tot de wereld door te dringen. Alleen daardoor wordt hij voor ons hoorbaar.

Ten tweede: is men echter genoodzaakt smart te veroorzaken, heeft men misschien zelfs de plicht daartoe als rechter of criticus, dan geldt de wet niet minder. Ook de smart waartoe men gedwongen is, remt de ontwikkeling. Men moet de zaak dan als zijn karma zien. Want als men zich aan die verplichting zou willen onttrekken, om de eigen ontwikkeling te bevorderen, dan zou men uit zelfzucht handelen en daardoor zou men de ontwikkeling in de meeste gevallen meer ophouden dan men ze door het onttrekken aan het veroorzaken van verdriet bevordert.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 034 – GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis» – juni 1905 (bladzijde 389-390)

Eerder geplaatst op 15 juni 2018 (1 reactie)

Brief aan Hermann Olpp

In het boek Brieven van Rudolf Steiner staat een brief aan een zekere Hermann Olpp. Wie hij was, is niet bekend. Achterin het brievenboek staat alleen dat hij leefde van 1897 tot 1955, economisch en fiscaal consulent was in Stuttgart en in 1916 lid van de Antroposofische vereniging werd. Wat hij precies aan Steiner geschreven heeft, is ook niet bekend, want die brief staat niet in het boek en zal waarschijnlijk wel niet bewaard zijn gebleven. Uit de antwoordbrief van Steiner kan men echter wel opmaken dat Olpp in een of andere betrekking werkte waar hij geen zin aan had en hij zich erg ongelukkig bij voelde.

Op 24 juli 1916 schrijft Steiner hem het volgende:

Zeer geachte Heer,

Het is moeilijk in aangelegenheden als de uwe raad te geven. Wanneer u enige tijd in de betrekking blijft die u nu hebt, komt u op eigen benen te staan en kunt u later overstappen in een richting die beter bij uw talenten en voorkeuren aansluit. Ik kan niet de mening delen dat men zich in een dergelijke betrekking zonder meer ongelukkig moet voelen. Juist vanuit een dergelijke betrekking kan iemand zich verder ontwikkelen. Als u uw huidige werkkring in ruimere zin beziet, kunt u zeggen dat u niet alleen iets voor de ontwikkeling van uw mogelijkheden doet, maar tevens iets wat andere mensen ten goede komt. En juist dit besef schenkt voldoening. Heel wat werkzaamheden bevredigen niet rechtstreeks door hun inhoud; hun zin is dat zij in dienst van de mensheid worden verricht. Wanneer u later met deze betrekking iets bij elkaar hebt gespaard, zult u vervolgens zeker gelegenheid vinden wegen in te slaan die u liggen. In deze moeilijke tijden lijkt het mij niet goed zich met geleend geld op de toekomst voor te bereiden. U neemt het mij hopelijk niet kwalijk dat ik dit zo rechtuit zeg. Het lijkt mij dat uw vader het met zijn gevoel over de zaak toch bij het juiste eind heeft. Ik kan uit eigen ervaring spreken. Ik moest zelf al vroeg op eigen benen staan; en al heb ik dat ook lange tijd als privéleraar gedaan, toch mag ik zeggen dat uw huidige betrekking mij destijds niet minder aangenaam zou zijn geweest dan de werkkring die ik had, waarbij tenslotte ook steeds de zorg blijft of men te gelegener tijd weer iets vindt.

Ik moet nu op reis; daarom kan ik mijn oordeel slechts in deze paar regels samenvatten.

Met hartelijke groet, dr. Rudolf Steiner

Bron: Rudolf Steiner – GA 39 – BRIEFE BAND II 1890-1925 – nummer 631 (bladzijde 465-466)

Overgenomen uit Rudolf Steiner – Brieven (bladzijde 313) – Vertaald door Hylcke Brandts Buys en Leonard Beuger

9783727403903

Eerder geplaatst op 28 juli 2018

Kennis/Ontwikkeling/Vervolmaking

Alle kennis die u zoekt, alleen tot vermeerdering van uw weten, alleen tot verzamelen van schatten in uzelf, brengt u af van uw weg. Alle kennis echter, die u zoekt om rijper te worden op de weg ter veredeling van de mens en ter ontwikkeling der wereld, brengt u een stap voorwaarts.

Bron: Rudolf Steiner – GA 10 – Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten (bladzijde 28)

Overgenomen uit de Nederlandse vertaling van Uitgeverij Vrij Geestesleven – Vierde druk (bladzijde 24)

Eerder geplaatst op 9 december 2011  (7 reacties)

In de vierde herziene druk uit 2007 is dit citaat als volgt vertaald (ingezonden door Michel Gastkemper in een reactie onder de blog van 9 december 2011.)

Ieder inzicht dat je zoekt enkel om je kennis te verrijken, enkel om schatten in je op te hopen, leidt je van je weg af; ieder inzicht echter dat je zoekt om rijper te worden op de weg naar vervolmaking van de mensheid en ontwikkeling van de wereld, brengt je een stap verder.

Eerder geplaatst op 28 oktober 2015  (2 reacties)

530x840