Waarom zouden wij ons eigenlijk met filosofie inlaten?

Waarom zouden wij ons eigenlijk met filosofie inlaten, als zij zich toch slechts met een vergeefse moeite der mensheid bezighoudt? Ja, zo is de zaak toch niet, zo is het werkelijk niet! Hetgeen wij doen, als wij ons in deze vanuit een zeker gezichtspunt beslist tevergeefse worsteling verdiepen, is niettemin van oneindige betekenis, iets, dat door niets anders vervangen kan worden. Voor de kennis van de onsterfelijke ziel, voor de kennis van de geestelijke wereld en ook van de goddelijke wezens zal de filosofie zeker altijd onvruchtbaar blijven, maar ze zal niet onvruchtbaar blijven voor de ontwikkeling van zekere menselijke krachten, voor de ontwikkeling van menselijke vermogens.

Bron: Rudolf Steiner – GA 156 – Okkultes Lesen und okkultes Hören – Dornach, 19 december 1914 (bladzijde 155-156)

rudolfsteinerlecture2011_18-2013_08_19-08_19_05-utc

Schilderij door David Newbatt

Eerder geplaatst op 20 maart 2018  (1 reactie)

Wensen en begeerten na de dood (3 van 3)

Zo’n mening kunnen we hebben zolang we niet bedenken dat alle wensen en begeerten die na de dood door dat ‘verterende vuur’ gegrepen worden, in hogere zin niet weldadige, maar afbrekende krachten in het leven zijn. Door zulke krachten gaat het ik met de zintuiglijke wereld een hechtere band aan dan nodig is om uit de zintuiglijke wereld alles in zich op te nemen wat voor het ik zelf bevorderlijk is. Deze zintuiglijke wereld is een openbaring van de achter haar verborgen geestelijke. Het ik zou de geest nooit in die vorm waarin deze zich slechts via lichamelijke zintuigen kan openbaren, kunnen genieten wanneer het deze zintuigen niet zou willen gebruiken om het geestelijke in het zintuiglijke te genieten. Tegelijkertijd is het zo dat het ik zichzelf van het werkelijk geestelijke in de wereld zo veel onthoudt als het van de zintuiglijke wereld begeert zonder dat de geest daarbij spreekt.

Zoals zintuiglijke genietingen als uitdrukking van de geest verheffing, ontwikkeling van het ik betekenen, zo betekenen genietingen die geen uitdrukking van de geest zijn, verarming, uitholling van het ik. Ook al wordt begeerte van deze soort in de zintuiglijke wereld bevredigd, dan nog blijft haar uithollende werking op het ik bestaan. Alleen is vóór de dood deze afbrekende werking voor het ik niet zichtbaar. Daarom kan in het leven het genot dat op een dergelijke begeerte volgt nieuwe soortgelijke wensen opwekken. En de mens merkt niet dat hij zich door eigen toedoen in een ‘verterend vuur’ hult. Na de dood wordt zichtbaar wat hem al tijdens het leven omgeeft; en doordat het zichtbaar wordt, verschijnt dit vuur meteen ook in zijn heilzame, weldadige werking. Wie van een mens houdt, voelt zich toch niet alleen aangetrokken tot wat hij met zijn fysieke organen van de ander gewaarwordt. Alleen van dit laatste aspect mag gezegd worden dat het met de dood aan de waarneming wordt onttrokken. Tegelijkertijd wordt juist dat aan de geliefde persoon zichtbaar wat met de fysieke organen slechts indirect kon worden waargenomen. Het enige wat dan de volledige zichtbaarheid nog in de weg staat, is het voortbestaan van die begeerten die alleen door fysieke organen kunnen worden bevredigd. Zouden deze begeerten nu niet worden uitgedelgd, dan zou de bewuste waarneming van de geliefde persoon na de dood helemaal niet kunnen plaatsvinden. Zo beschouwd verandert het verschrikkelijke en troosteloze dat de gebeurtenissen na de dood voor de mens zouden kunnen hebben, zoals de bovenzinnelijke wetenschap die moet beschrijven, in een diep bevredigend en troostrijk beeld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS (bladzijde 103-104 )

Nederlandstalige bron: De wetenschap van de geheimen der ziel / Slaap en dood (blz. 64-66)

Vertaald door Wijnand Mees

Rudolf Steiner / Werken en voordrachten

© 1998 Stichting Rudolf Steiner Vertalingen

Tweede druk 2004 / Derde druk 2011 / Vierde druk 2019

748x1200  

Opeenvolging van incarnaties

Het gaan door een opeenvolging van incarnaties is van belang voor de algehele ontwikkeling van het mensenwezen. In het verleden is dit mensenwezen door opeenvolgende levens geschreden; het schrijdt voort en parallel daarmee gaat ook de aarde in haar ontwikkeling vooruit. Eens zal het ogenblik komen, waarop de aarde het eindpunt van haar loopbaan zal hebben bereikt; dan moet de planeet Aarde, als stoffelijk wezen ontvallen aan de mensenzielen, zoals het menselijk lichaam bij de dood ontvalt aan de geest, wanneer de menselijke ziel, om verder te leven, binnentreedt in het rijk van de geest, waarin zij tussen de dood en een nieuwe geboorte thuis behoort. Zo moet het de mens als hoogste ideaal toeschijnen om eens, bij de dood van de aarde, het zover te hebben gebracht, dat hij van alle ontwikkelingsmogelijkheden, die het leven op aarde hem bood, de vruchten geplukt heeft.

Bron: Rudolf Steiner – De geestelijke leiding van mens en mensheid (bladzijde 22-23)

Vertaling: Fr. Hardam van Omme en P. Henny-van Suchtelen – Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist.

Duitstalig: Rudolf Steiner – GA 15 – Die geistige Führung des Menschen und der Menschheit: I. Kapitel – Kopenhagen, 6 juni 1911 (bladzijde 20)

occultists-rudolf-steiner-portrait-of-the-great-modern-esotericist-rudolf-steiner-1861-1925-behind-is-the-goetheanum-of-dornach-which-he-designed-in-front-images-of-lucifer-and-ahriman-portrait-by-john-bolton-MC6M8D

Eerder geplaatst op 10 mei 2019  (12 reacties)

Weten en gevoel voor het leven tussen dood en nieuwe geboorte

Het is werkelijk even noodzakelijk dat de mens een weten, een gewaarwording en een gevoel heeft voor het leven tussen dood en nieuwe geboorte als voor het aardse leven zelf, omdat, wanneer hij dit aardse leven intreedt, gezondheid, vertrouwen, kracht en hoop in dit leven afhangen van welke krachten hij meebrengt uit het leven tussen de laatste dood en de huidige geboorte.

Welke krachten wij daar echter verkrijgen kunnen, dat hangt er weer vanaf hoe we ons in de vroegere incarnatie gedragen hebben; wat voor een morele instelling, wat voor een religieuze gezindheid of wat voor een algemene menselijke zielenhouding we ons eigen gemaakt hebben. Zo kunnen we ons indenken, dat we met het bovenzinnelijke, waarin we leven tussen dood en nieuwe geboorte, scheppend meewerken hetzij aan de voortgaande ontwikkeling van de gehele mensheid dan wel aan de verwoesting van de mensheid.

Bron: Rudolf Steiner – GA 141 – Das Leben zwischen dem Tode und der neuen Geburt im Verhältnis zu den kosmischen Tatsachen – Berlijn, 20 november 1912 (bladzijde 53)

Previously posted on 4 januari 2017

Portraits of Rudolf Steiner 0005

Over de zin van lijden

Lijden is een begeleidend verschijnsel van de hogere ontwikkeling. Het is onontbeerlijk voor kennis. Eens zal de mens zich zeggen: Ik ben dankbaar voor wat de wereld mij geeft aan vreugde. Maar als ik echter voor de keuze gesteld zou worden, of ik mijn vreugde of mijn lijden wil behouden, zal ik het lijden willen behouden; ik kan haar niet ontberen voor kennis. Elk leed ziet er na een bepaalde tijd uit als iets dat men niet kan missen, want we moeten het beschouwen als iets dat inbegrepen is in de ontwikkeling. Er is geen ontwikkeling zonder lijden, zoals er geen driehoek zonder hoek is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 110 – Geistige Hierarchien und ihre Widerspiegelung in der physischen Welt – Düsseldorf, 21 april 1909 (bladzijde 182)

Eerder geplaatst op 20 mei 2018  (7 reacties)

SteinerRudolf_midlife